Home ‘Meedogenloze inventarisatie van wreedheden’

‘Meedogenloze inventarisatie van wreedheden’

Door Leon Heuts op 26 maart 2013

10-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

Filosofie Magazine vroeg aan veertien filosofen om een top-drie van de meest gevaarlijke boeken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, plus een motivatie. Een bonte verzameling van academici, schrijvers en journalisten selecteerden een zo mogelijk nog bontere lijst aan boektitels. Daaruit is een top-vijf samengesteld. De winnaar: Het begrip politiek van de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Inzake de moraal heeft tot nu toe het instinct, of zoals de christenen het noemen “het geloof”, of zoals ik het noem “de kudde”, gezegevierd.’ Waarom is Friedrich Nietzsche – het citaat is afkomstig uit zijn werk Voorbij Goed en Kwaad – het archetype van een  gevaarlijk denker? Een eerste verklaring luidt: zijn meedogenloosheid. Het was niet voldoende om de westerse cultuur zenuwzwakte en kuddegedrag in de schoenen te schuiven – onze tekortkomingen moesten bovendien op meedogenloze wijze op allerlei mogelijke manieren worden getoond. 

Het plan om een lijst samen te stellen van de gevaarlijkste boeken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte ontstond voor de moord op cineast Theo van Gogh. Na de moord speelde even de vraag of het verstandig was het onderzoekje te publiceren. Hebben we wel behoefte aan gevaarlijke gedachten? Is het niet eerder tijd voor een geluid van saamhorigheid, dialoog, nuancering, redelijkheid? Friedrich Nietzsche zou daarom gelachen hebben. Meedogenloos zou hij de spot hebben gedreven met de bibberende angst van de Nederlandse kleinburger om – als het even zwaar weer is – bij elkaar te kruipen, en, onder de valse schijn van saamhorigheid en gedeelde waarden en normen, de vinger te wijzen naar de boze buitenwereld. Terwijl we het zelf natuurlijk zo goed voor hebben met de wereld… Medeleven? Redelijkheid? Daarin schuilt juist het grootste kwaad!
 
Wat is een gevaarlijk boek? De vraagstelling aan de filosofen die door Filosofie Magazine zijn benaderd – academici, schrijvers en journalisten – geeft al iets aan over wat gevaarlijk zou moeten zijn. Het moesten niet zo maar haatboeken zijn die je achteloos terzijde kunt schuiven. Het moesten boeken zijn die we als Verlichte democraten, beschaafde mensen behept met een goede smaak, liever niet willen lezen maar die we ook niet kunnen negeren. Sterker nog: het zou gevaarlijk zijn om ze te negeren omdat ze iets openbaren over de menselijke natuur, of over de hedendaagse cultuur, dat alleen maar gaat wringen als het wordt ontkend. Kan onze beschaving haar tekortkomingen aan? Kunnen wij accepteren dat wat wij ‘Verlichting’ noemen, soms een gordijn blijkt waarachter een onverdroten hang schuilgaat naar religieus fanatisme, morele superioriteit, conditionering, perversiteit, et cetera? Of, andersom, durven we werkelijk de consequenties van de moderniteit te dragen – het atheïsme en gebrek aan een absolute zin?

Religieuze hartstocht

Het is geen wonder dat actuele thema’s een grote rol spelen in de motivatie van de filosofen. Religieus fanatisme bijvoorbeeld, blijkt in allerlei vormen op de lijst te zijn terechtgekomen.

Rechtsfilosoof – en atheïst – Paul Cliteur verkiest Angst en beven van Søren Kierkegaard op de eerste plaats: ‘Hierin presenteert Kierkegaard het dilemma van Abraham die van God het bevel krijgt zijn zoon te offeren – zoals dat staat beschreven in Genesis 22:1-13, en in de Koran 37:99-113. Moest de gelovige Abraham dat nu doen of niet? Het courante antwoord in deze tijd is natuurlijk dat hij dat niet moest doen. Kierkegaard meent echter dat de religieuze plicht van de mens voorgaat aan zijn ethische plicht. Hier ligt de legitimatie van religieus gemotiveerd terrorisme en fundamentalisme.’ Overigens plaatst Cliteur op nummer 2 meteen het moderne tegenwicht tegen dit fundamentalisme: The Jefferson Bible van Thomas Jefferson – naast filosoof tevens auteur van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring én derde president van de Verenigde Staten. ‘Jefferson nam de vier evangeliën, streepte daar alles uit wat niet paste bij zijn Verlichtingopvatting en maakte zo zijn eigen bijbel.’

Meer gevoelig voor de religieuze hartstocht toont zich schrijver Désanne van Brederode. Haar tweede keuze – na De geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault – is het boek On Heroes, Hero Worship and the Heroic in History van de ietwat onbekende, negentiende-eeuwse Engelse geschiedkundige, filosoof en hypochonder Thomas Carlyle: ‘Het boek toont onze behoefte aan het grootse, het hemelse, aan het Goddelijke – aan Iemand die we blind kunnen volgen en aanbidden, aan hartstocht. Met name het hoofdstuk over Mohammed en de islam is schitterend en explosief in één. Carlyles heetgebakerde bewondering voor deze religie, waarin tenminste nog “echt” en “radicaal” wordt geloofd, deel ik grotendeels – terwijl ik tegelijkertijd zie, juist in de jubel, hoe gevaarlijk geloof kan zijn. Ook Goebbels was een enorme fan van Carlyle.’ Filosoof en journalist Ger Groot ziet zelfs iets van dit fanatisme terug in de Middeleeuwen, door op nummer 2 verrassend het degelijke Proslogion van scholasticus Anselmus van Canterbury te plaatsen. ‘In Proslogion ontwikkelde Anselmus het beroemde ontologische godsbewijs, dat de werkelijkheid van het bestaan van God uit het menselijk begrip afleidt. […] Het boek illustreert aan de ene kant de opwindende vermogens van de menselijke geest, en tegelijk de menselijke neiging om zich in de spinsels daarvan te verliezen alsof daarin de ware werkelijkheid te vinden was – desnoods ten koste van de evidentie van de common sense. In beide aspecten ligt de grootsheid van de mens, maar in elk van hen apart zijn misère.’

Das Plumpe

Kunst is ook gevaarlijk terrein. Immers: waar kan beter worden geëxperimenteerd met het lelijke, het ordeloze en het zinloze? Martijn Meijer, journalist en biograaf van schrijver/moordenaar Klinkhamer plaatst op nummer 2 Ästhetik des Hásslichen van Karl Rosenkranz – die in de negentiende eeuw na vele eeuwen van verheven opvattingen over kunst een pleidooi voor lelijkheid houdt. Meijer: ‘Karl Rosenkranz legt met zijn esthetica van het lelijke een bom onder de traditionele esthetica, die zich exclusief met schoonheid bezighield. De lelijkheid hoeft van Rosenkranz niet meer op moralistische wijze veroordeeld te worden als een manifestatie van het kwaad. Met zijn uitgebreide behandeling van de soorten lelijkheid (van “das Niedrige” en “das Plumpe” tot “das Gespenstische” en “das Diabolische”) geeft hij het lelijke een legitimering: het kan wel degelijk interessant zijn als onderwerp van literatuur of kunst.

Ondanks de vraag om wijsgerige boeken te noemen, zijn ook enkele romans tot de longlist doorgedrongen. Désanne van Brederode noemt De Val van Albert Camus –tevens filosoof. Antoine Verbij, journalist voor onder andere Vrij Nederland, noemt zelfs alleen romans en géén filosofische titels, omdat ‘het filosofische vertoog alleen gevaarlijk is voor zwakke geesten’. Daarom bij hem op nummer 2 De gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojevski – overigens ook bij filosofen een zeer populair werk. Verbij verzucht: ‘Ach, was de mens maar nooit geboren. Dan was er vast niet zo veel wantrouwen, verraad, angst, leugen, bedrog, wanhoop en liederlijkheid in de wereld. In het briljante intermezzo De Grootinquisiteur herleidt de schrijver alle ellende tot de kerk en het geloof. Toch laat hij aan het einde de klokken weer beieren. Dat is pas verontrustend!’

Vunzigheid

Naast kunst en religie tonen gevaarlijke denkers de mens in al zijn (morele) kleinheid, zijn vunzigheid, of juist in zijn vrijheid – hoe link dat laatste ook kan zijn. Verbij kiest het zustertweeluik Juliette en Justine van atheïst, libertijn en pornografische vuilbek D.A.F. de Sade op één. Ook Marek van der Jagt, het filosofisch alter ego van Arnon Grunberg, kiest De Sade op 1, maar dan: De 120 dagen van Sodom. Van der Jagt: ‘De afgrond van de menselijke begeerte. Beter toch maar in die afgrond kijken, voor anderen dat namens jou doen. Of met jou doen.’ Cultuurfilosoof en kunsthistoricus Lieven de Cauter: ‘De 120 dagen van Sodom is zelfs geen pornografie meer (want pornografie wil opwinden) maar een meedogenloze inventaris van wreedheden.’

Uiteraard doet ook Nietzsche volop mee, met zijn genadeloze ontleedkunde van de menselijke zelfingenomenheid. Ethicus en Nietzsche-kenner Paul van Tongeren zet Alzo sprak Zarathoestra op nummer 3, ‘omdat het volgens mij het meest radicale voorbeeld is van een antihumanisme, dat probeert de idee dat het in werkelijkheid om ‘ons’ zou gaan achter zich te laten’. Voorbij goed en kwaad haalt een hoge notering in de algemene top-5. Bert Bultinck, recensent van De Morgen en redacteur van literair tijdschrift Yang: ‘Geen overtuiging of ze wordt in Voorbij goed en kwaad op losse schroeven gezet; geen dogma of het wordt belachelijk gemaakt.’ ‘Men vergeve mij de ontdekking dat iedere moraalfilosofie tot nu toe saai is geweest en tot de slaapmiddelen behoorde – en dat “de deugd” in mijn ogen door niets zo zeer is geschaad als door de saaiheid van haar pleitbezorgers.’ 

Michel Foucault – sterk beïnvloed door Nietzsche – kan niet achterblijven. De Geschiedenis van de seksualiteit haalt de top-vijf. Van Brederode plaatst het bovenaan haar lijst: ‘Vooral het feit dat je zelf mede-conditioneert, dat je zelf ook deel uitmaakt van normaliserende, anonieme machten vind ik een gruwel. Nog beter dan Orwell maakt Foucault je bewust van je gevangenschap in de waarneming van anderen, en daarnaast ook van je mede-daderschap.’

Vijand

Maar het meest gevaarlijk blijken toch de expliciet politieke denkers. Met name de academici die aan het onderzoek meedoen, stuwen politieke geschriften in de top-5. Klassieke werken die rigide staatsvorming voorstaan, de revolutie voorspellen, of wet en institutie omver willen werpen uit naam van het volk. Het echte vervaarlijke van deze boeken is, ongetwijfeld, dat ze toch in naam van de hoogste morele principes en uit louter goede bedoelingen zijn geschreven en tegelijkertijd als rechtvaardiging zijn aangevoerd voor moord en terreur. De hoogleraren Jos de Mul en Paul van Tongeren plaatsen De Staat van Plato op 1. Van Tongeren: ‘Omdat het een voorbeeld is van het gevaar van het totalitarisme van de goede bedoelingen en van de liefde voor de waarheid.’ Marx en Engels scoren ook goed met hun Communistisch Manifest. Sjoerd de Jong (NRC Handelsblad): ‘Behalve een communistisch pamflet óók een verontrustende basistekst van de voortrazende globalisering en de revolutionaire dynamiek van de moderniteit’. Van Tongeren voegt er een nóg scherper randje aan toe: ‘Het maakt duidelijk hoe filosofisch en maatschappelijk engagement gefunctionaliseerd kunnen worden in dienst van extreem moorddadige bewegingen.’

Het gevaar van fascisme en religie ten spijt, is de onbetwiste winnaar nota bene een rooms-katholieke jurist en politiek denker, die zich tussen 1933 en 1936 engageerde met het nazi-regime. De winnaar is Carl Schmitt, met zijn boek Het begrip politiek. Razend actueel, omdat het boek radicaal de voorwaarde beschrijft van politiek. Die voorwaarde voor politiek ligt volgens Schmitt in het bestaan van een vijand en in de mogelijkheid van een conflict. Liberale pogingen om het conflict af te schaffen, schaffen in feite de politiek af. Rechtsfilosoof Afshin Ellian, die daadwerkelijk middenin het conflict leeft door zijn ongezouten mening over het gevaar van de politieke islam, plaatst het boek op 1. Sjoerd de Jong op 2. Theo de Wit, die het voorwoord schreef in de Nederlandse vertaling, komt met de meest furieuze verdediging: ‘Een hardhandig en ook in Nederland uiterst actueel tractaatje over de mogelijkheid van het opduiken van een een vijand die “de negatie van de eigen bestaanswijze betekent”. Het verschijnen van zo’n vijand maakt spoedig een einde aan de liberale droom waarin er wereldwijd alleen nog maar economische concurrenten of dialoogpartners bestaan. Een droom die alleen via een langdurig, mondiaal exces van geweld gerealiseerd kan worden, via de definiëring namelijk van een onbestemde – en uitdijende – hoeveelheid mensen die als het schuim der aarde worden beschouwd, die buiten de mensheid valt – in naam van de hoogste waarden, dat spreekt vanzelf. En in het klein: reeds na één terroristische daad verzamelt heel Nederland zich in een “gemeenschap” en in een “wij” tegen het nieuwe gevaar, roept het kosmopolitische GroenLinks de koningin op om de hervonden eenheid met haar verschijning op te luisteren, en zijn wij bereid de rechtsstaat met bakken tegelijk uit de ballon te werpen, op weg naar het ultieme “veiligheidsgevoel”. De lachende derde is de “fundamentalist” die altijd al in apocalyptische termen dacht en nu tevreden vaststelt dat zijn tegenstanders ook zo ver zijn.’

Top 5 gevaarlijke boeken

1. Het begrip politiek, Carl Schmitt
Pijnlijk citaat: ‘“Mensheid” is een bijzonder bruikbaar ideologisch instrument van imperialistische expansie en in zijn ethisch-humanitaire vorm een speciaal voertuig voor economisch imperialisme.’
In Het begrip politiek schetst visionair Carl Schmitt de voorwaarde voor politiek. Die voorwaarde is het bestaan van een vijand en de mogelijkheid van een conflict. Liberale pogingen om het conflict af te schaffen, schaffen in feite de politiek af. Maar nog erger: liberale, democratische landen menen het morele gelijk aan hun zijde te hebben, en voeren oorlogen in naam van ‘de mensheid’, of zelfs ‘de vrede’ – juist daardoor worden die oorlogen steeds meer onbeheersbaar en onmenselijker. Onmisbaar essay voor wie wil weten waarom in Irak naar schatting honderdduizend burgerdoden zijn gevallen, in naam van de mensenrechten.
Leestip: De Nederlandse vertaling (Boom, 2001) is goed leesbaar zonder al te veel voorkennis (met verhelderende inleiding). 
 
2. De Staat, Plato
Pijnlijk citaat: ‘Vertel dan maar eens, mijn beste vriend, hoe een democratie ontstaat. Dat ze voortvloeit uit de tirannie, is wel zeker.’
De titel De Staat is misleidend; De Staat is eigenlijk een studie naar de morele gezondheid van de ziel. Maar omdat die ziel slechts kan functioneren in een rechtvaardige samenleving, ontwerpt Plato een ideale staat, die volgens vele interpretatoren wordt gezien als een blauwdruk van totalitarisme – en volgens anderen overigens als een ironisch commentaar op het decadente Athene. Antidemocraat Plato ontwerpt het idee van een communitaire heersende klasse, het afzien van privé-bezit, het ontkennen van familiebanden, en een centraal gecontroleerde eugenetisch fokprogramma.
Leestip: De Nederlandse vertaling van Gerard Koolschijn Constitutie (Atheneaum, 1991) is zeer prettig leesbaar. Gerard Koolschijns Plato. De strijd tegen het democratisch beest  (Ooievaar,1990) biedt verder houvast in de zee van interpretaties. 
 
3. Voorbij goed en kwaad, Friedrich Nietzsche
Pijnlijk citaat: ‘Veracht wordt de laffe, angstige, kleinmoedige, geborneerd om nuttigheid bezorgde mens; en ook de wantrouwige met zijn bevangen blik, de zich vernederende, het hondse type mens dat zich laat mishandelen, de bedelende flikflooier en vooral de leugenaar: – in hun hart geloven alle aristocraten dat het gewone volk leugenachtig is.’
Nietzsche trekt fel van leer tegen de moderne wetenschappen, de moderne kunsten en de moderne politiek. Begrippen als ‘wetenschappelijke objectiviteit’. ‘sympathie’  en ‘ethische verantwoordelijkheid‘ worden tot hun werkelijke oorsprong herleid: de wil tot macht. ‘Goed’ en ‘kwaad’ analyseert Nietzsche als een valse dichotomie, in stand gehouden door de kuddegeest van christendom en humanisme.
Leestip: Voorbij goed en kwaad is ook in het Nederlands (Arbeiderspers, 2004) een feest om te lezen, maar lastig te interpreteren. Wie Nietzsche goed wil leren kennen, leze Nietzsche, een biografie van zijn denken, van Rüdiger Safranski (Atlas, 2000).
 
4. Het communistisch manifest, Karl Marx en Friedrich Engels
Pijnlijk citaat: ‘Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed die haar de dood brengen; zij heeft ook de mannen geteeld die deze wapens zullen hanteren — de moderne arbeiders, de proletariërs.’
Is deze oproep aan alle proletariërs wereldwijd, aan de vooravond van het revolutiejaar 1848, om zich te verenigen achterhaald? Is de communistische revolutie gestorven in de wrede kampen van de Goelag? Alterglobalisten putten er nog steeds inspiratie uit, en voeren aan dat het wereldkapitalisme en de vrije markt oorzaken zijn van crisissen van een ongekende vernietigingskracht. Anderen zien in de vrije markt juist de enige mogelijkheid tot mondiale pacificatie.       
Leestip: Het communistisch manifest is meer strijdschrift dan filosofieboek, en niet moeilijk om te lezen. Nederlandse vertalingen circuleren op het internet: www.marxists.org 
 
5. Geschiedenis van de seksualiteit 1; De wil tot weten Michel Foucault.
Pijnlijk citaat: > >De macht krijgt toegang tot het lichaam, niet zozeer door te dreigen met doodslag als wel door het leven in beheer te nemen.=
Foucault beschrijft hoe de moderne mens is gaan geloven in een ‘authentiek zelf’. Sleutelrol in deze moderne identiteit is weggelegd voor de seksualiteit. Maar Foucault, kritisch structuralist, gelooft niet in een dergelijke ‘puurheid’. Het individu is in eerste instantie een product van taal, geschiedenis en sociale structuren. De zoektocht naar een oorspronkelijke natuur is volgens Foucault een vorm van disciplinering, van een verdere inkapseling in de ‘microfysica van de macht’ door de menswetenschappen en de psychoanalyse. In De wil tot weten ontwikkelt Foucault zijn beroemd geworden begrip biomacht (zie citaat).
Leestip:  Het boek is niet eenvoudig. Toegankelijkere inleidingen in het werk van Foucault zijn een biografie van Didier Eribon (Michel Foucault. Een biografie).

De gevaarlijke bibliotheek

De complete lijst van deelnemers (de boeken staan per deelnemer gerangschikt van 1 tot 3) . Titels van boeken die in het Nederlands zijn verschenenstaan ook in het Nederlands vermeld.
 
Désanne van Brederode, auteur
Michel Foucault (1926-1984), De geschiedenis van de seksualiteit (1976-1984)
Thomas Carlyle (1795-1881), Over helden, heldenverering, en heldengeest in de geschiedenis (1841)
Albert Camus (1913-1960), De Val (1956)
 
Bert Bultinck, recensent De Morgen, redacteur Yang:
Friedrich Nietzsche (1844-1900), Voorbij goed en kwaad (1886)
Michel Foucault (1926-1984), De woorden en de dingen (1966)
Ludwig Wittgenstein (1889-1951), Filosofische onderzoekingen (postuum: 1953)
 
Lieven de Cauter, cultuurfilosoof en kunsthistoricus
Mirabeau (1749-1791), Le libertin de Qualité (1783)
E.T.A. Hoffmann (1776-1822), Schwester Monika (1815)
Louis Paul Boon (1912-1979), Mieke Maaikes obscene jeugd (1973)
           
Paul Cliteur, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap, Leiden
Søren Kierkegaard (1813-1855), Angst en Beven (1843)
Thomas Jefferson, (1743-1826), The Jefferson Bible (postuum 1903)
Peter Singer (1946-), Animal Liberation (1975, rev.1990)
 
Afshin Ellian, rechtsfilosoof Leiden, columnist
Carl Schmitt (1888-1985), Het begrip politiek (1932, rev. 1963)
Friedrich Nietzsche (1844-1900), Genealogie van de moraal (1887)
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), Sociaal contract (1762)
                                  
Ger Groot, docent wijsbegeerte in Rotterdam, journalist en recensent
Robert Nozick (1938-2002), Anarchy, State, and Utopia (1974)
Anselmus van Canterbury (1033-1109), Proslogion (1077)
Jean-Paul Sartre (1905-1980), Het zijn en het niet (1947)
                                                                                 
Joke Hermsen, auteur, hoofdredacteur Boekman
Hannah Arendt (1907-1975), Eichmann in Jeruzalem (1964)
Luce Irigaray (1930-), Speculum de l’autre femme (1974)
Peter Sloterdijk, (1947-) Sferen-trilogie (1998, 1999, 2004)
 
Marek van der Jagt, auteur (pseudoniem van Arnon Grunberg)
Miguel de Cervantès (1547-1616), Don Quichotte (1605)
D.A.F. de Sade (1740-1814), De 120 dagen van Sodom (1785)
Niccolo Machiavelli (1469-1527), De Heerser (1532)
                                              
Sjoerd de Jong, chef boekenbijlage NRC Handelsblad
Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895), Communistisch manifest (1848)
Carl Schmitt (1888-1985), Het begrip politiek (1932, rev. 1963)
Niccolo Machiavelli (1469-1527), De Heerser (1532)
                                  
Martijn Meijer, journalist en biograaf
Jean-Paul Sartre (1905-1980), De Heilige Genet (1952)
Karl Ronsenkranz (1805-1879), Ästhetik des Hässlichen (1853)
Max Stirner, (1806-1856), Der Einzige und Sein Eigentum (1844)
 
Jos de Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie in Rotterdam
Plato (ca. 427-347 v.Chr.), De Staat (ca. 380-367 v. Chr.)
Friedrich Nietzsche (1844-1900), Voorbij goed en kwaad (1886)
Martin Heidegger (1889-1976), Zijn en Tijd (1927)
 
Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen
Plato (ca. 427-347 v. Chr.), De Staat (ca. 280-367 v. Chr.)
Karl Marx (1818-1883), Communistisch manifest (1848)
Friedrich Nietzsche (1844-1900), Aldus sprak Zarathoestra (1885)
           
Antoine Verbij, journalist
D.A.F. de Sade (1740-1814), Juliette (1798) en Justine (1791)
Fjodor Dostojevski (1821-1881), De gebroeders Karamazov (1880)
Varlam Sjalamov (1907-1982), Berichten uit Kolyma (postuum 2001)
 
Theo de Wit, docent wijsbegeerte aan de KTU, Utrecht
Georges Bataille (1897-1962), La Souveraineté uit: Oeuvres Complètes VIII, (1956, 1976)
Carl Schmitt (1888-1985), Het begrip politiek (1932, rev. 1963)
Jacques Derrida (1930-2004), Kracht van wet (1994)