Home Economie Wie was Marx?
Economie Politiek Vrijheid Werk

Wie was Marx?

Karl Marx was onmatig in alles. Of het nu ging om drinken, eten of roken. Even buitensporig was zijn grote inzet voor zijn levenswerk: Het kapitaal.

Door Anna Luyten op 26 mei 2010

Wie was Marx? beeld ANP
05-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Hij dronk graag, hij at graag, hij rookte graag sigaren. Hij genoot graag, ook van het kaartspel, hij maakte graag uitstapjes tot in de vroege uren en hij werkte als een paard. Hij was vlijmscherp in zijn formuleringen en kon als geen ander een woordenstroom uitbrengen die hij als vitriool uitgoot over zijn vijanden. Hij brak plots met zijn vrienden als ze hem niet genoeg dienden, hij verloor gemakkelijk zijn geduld. Zo was hij in zijn persoonlijk leven en zo was hij in zijn geschriften. Er zat een diepe woede in de man. ‘Ik wilde de bourgeoisie een theoretische slag toebrengen die ze nooit meer te boven zou komen’, zei hij ooit over Het kapitaal.

De grote voorman van de arbeiders kwam zelf niet uit een proletarisch geslacht – hij was het neefje van Lion Philips, een van de stamvaders van het Philips-concern. Marx reisde in 1861, enkele jaren voor het verschijnen van Het kapitaal, naar Zaltbommel bij Nijmegen om er met zijn oom zijn erfeniskwesties te regelen en er zijn nicht Antoinette het hof te maken.

Karl Marx was een stateloze burger zonder paspoort; zijn ideeën vormden zijn identiteit.  

Wijn, geen bier

Hij had het niet breed in de tijd dat hij Het kapitaal schreef. Met geld had hij nooit goed leren omgaan. Meestal leende hij geld van zijn beste vriend Friedrich Engels, zoon van een textielfabrikant. ‘Stuur mij een paar flessen wijn, ik kan het bier niet meer verdragen’, luidde een van de smeekbedes van Marx aan zijn vriend Engels.

Ruim twintig jaar heeft Marx gewerkt aan Het kapitaal. En zijn levensomstandigheden zaten niet mee. Zeker die eerste jaren dat hij in Engeland als balling verbleef niet.

Marx had financiële zorgen. Hij stond herhaaldelijk in het pandjeshuis om het tafelzilver van de adellijke familie van zijn echtgenote af te geven en zo de financiële gaten te dichten. Zelfs het speelgoed van zijn kinderen werd als borg achtergehouden door de huisbaas. Het kind dat hij had verwekt bij zijn trouwe huishoudster werd, om huishoudelijke twisten te voorkomen, onmiddellijk door zijn beste vriend Friedrich Engels erkend en aan een pleeggezin meegegeven. Engels steunde Marx zijn leven lang, zowel financieel als in zijn studie. Hij hield van zijn vriend om zijn scherpe verstand.

Intellectueel verzonk Marx in detailkwesties. Voor Het kapitaal zat hij bijna iedere dag van negen uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds in de leeszaal van het British Museum. Bij het lezen van Het kapitaal valt het op hoe ontzettend vaak Marx citeert uit de meest uiteenlopende bronnen: van economische jaarverslagen tot krantenreportages. Zijn vriend Wilhelm Liebknecht beschreef hem als ‘altijd intensief, altijd grondig’. Zijn biografen beschrijven hem als ‘pijnlijk nauwgezet’.

Hij groef zich in zijn materiaal in om een soort geschiedenis van het geld te schrijven, en tegelijkertijd moest hij zorgen dat er brood op de plank kwam door als verslaggever te werken voor de New York Daily Tribune, in die tijd de meest invloedrijke krant van Engeland. Toen de eerste grote economische crisis in 1857 uitbrak, uitgelokt door een beurscrash op Wall Street in New York, schreef Marx aan zijn vriend Engels: ‘De revolutie komt aanmarcheren.’ Hij zei dat hij zich nog nooit zo goed had gevoeld. Het eerste deel van Het kapitaal verscheen in 1867.  

Geobsedeerd door vrijheid

‘In de arbeid schept de mens iets uiterlijks, veruiterlijkt hij zijn wezen. Maar in dat uiterlijke gaat het verwerkelijken van zijn werkelijke bestemming overheersen. De ware bestemming van de mens is de vrijheid’, schreef hij. Marx is zijn hele leven geobsedeerd door vrijheid. Hij wilde uitbreken. Zijn biografen hebben het over zijn woede dat ‘hem de inherente vrijheid van de mens onthouden is’.

Karl Marx werd geboren in Trier, op 5 mei 1818. Hij stierf in Londen op 14 maart 1883. Hij was zoon van een advocaat, zijn familie telde vele invloedrijke Joodse rabbijnen. Zijn familie was een familie van het woord, meesters in het argumenteren en polemiek. Boekhouding en rekenen kreeg Marx niet met de paplepel ingegoten. Zijn vader behoorde tot de Joodse gemeente, maar ging nog tijdens Karls kinderjaren omwille van zijn carrière met zijn gezin over tot het protestantisme.

Marx studeerde in Bonn en Berlijn. Hij verdiepte zich in rechten, geschiedenis, literatuur en filosofie. In Bonn verpatste Marx, niet meteen een briljant student maar een die zich als een bloedhond kon vastbijten in zijn materie, al het geld van zijn vader. Hij werd in zijn leven vaak op de hielen gezeten door het Pruisische establishment, maar de eerste keer dat hij in de gevangenis belandde als student was dat voor een zaak die een veel banaler karakter had dan politieke moed: wegens nachtelijke rustverstoring en dronkenschap. De filosofie was zijn redding.  

Geheime verhouding

Toen Marx in Berlijn ging studeren bij Hegel, veranderde hij van lanterfanter in een begeesterd en kritisch filosoof. In die tijd waren de nieuwe industriëlen opgekomen en daagden ze de macht van de oude landadel uit. Volgens de klassieke economie streefde de economie naar evenwicht. Maar bij Hegel leert Marx dat verandering het principe is van het hele economische, sociale en politieke systeem. In de terminologie van Hegel: er is een these, er komt een antithese en uiteindelijk ontstaat er een nieuwe synthese. Marx werd in die tijd opgenomen in een club van radicale jong-hegelianen. Maar waar Hegel vooral belangstelling had voor de ontwikkeling van ideeën, onderzocht Marx in de eerste plaats de ontwikkeling van de materiële omstandigheden waarin mensen leefden. De journalist was toen al geboren. In 1841 promoveerde Marx, maar een academische carrière zat er niet in. Hegel was niet zo geliefd bij de Pruisische vorst Frederik Willem IV.

Marx verhuisde van de Pruisische hoofdstad Berlijn naar Keulen, waar hij hoofdredacteur werd van de Rheinische Zeitung, een belangrijk orgaan van de nieuwe industriëlen uit het Ruhrgebied. Maar zijn krant begon een beleid te steunen dat tegen de belangen van de lezers indruiste. Zijn hoofdredactionele artikelen werden de geldschieters uit Keulen te gortig en Marx werd na een jaar dienst ontslagen. Het blad werd verboden. Twee maanden later huwde hij een van de beste partijen van de stad, Jenny von Westphalen, een vrouw van adellijke afkomst, met wie hij zich al enkele jaren eerder in het geheim verloofd had.

Marx begon een leven van omzwervingen. Hij ging naar Parijs, waar hij wilde schrijven voor een Duitstalig tijdschrift dat onder Duitse emigranten verspreid werd. De Pruisen, die het niet hadden op Marx, beklaagden zich tegenover de Fransen dat ze Marx onderdak hadden gegeven. Marx werd uit Parijs uitgewezen en trok naar Brussel, waar hij, samen met Friedrich Engels, zijn beste vriend, die in Brussel ook zijn buurman was, zich wijdde aan het Communistisch manifest, dat verscheen in 1848. Maar ook in dat voor Europa toen zo vrije Brussel werd hij in het oog gehouden door de Pruisen en mocht hij geen politieke activiteit ontplooien, wat hij wel deed. Eind jaren veertig werd hij ook daar uitgewezen. Hij probeerde nog even in Parijs en ook in Duitsland aan een revolutie deel te nemen, maar die mislukte totaal. Marx was toch eerder een man die thuishoorde in de ivoren toren, niet op de barricades waarvoor hij predikte.

Hij eindigde in Groot-Brittannië. De uitbuiting en de zeer slechte arbeidsomstandigheden die hij in de Engelse fabrieken aantrof vormen de belangrijkste inspiratiebron en achtergrond voor Het kapitaal.  

Armoede

‘Ter vermijding van mogelijke misverstanden het volgende. De figuren van kapitalist en grondbezitter worden door mij geenszins rooskleurig afgeschilderd. Maar het gaat hier slechts om personen voor zover ze de personificatie zijn van economische categorieën, dragers van bepaalde klassenverhoudingen en belangen’, zo schreef Marx in zijn inleiding van Het kapitaal.

Als journalist in Engeland had Marx gezien tot welke excessen en armoede een crisis kon leiden. In Het kapitaal zal hij Engeland ook als voorbeeld nemen. ‘Een volk moet en kan van een ander volk leren’, schrijft hij in het voorwoord van de eerste druk van 1867. (Het kapitaal verscheen in delen. Het tweede deel werd pas na de dood van Marx uitgegeven (in 1885) door Friedrich Engels, die negen jaar later ook het derde deel zou uitgeven.)

Marx gaat uitgebreid in op de geschiedenis en inhoud van Engelse fabriekswetgeving. ‘Het uiteindelijke doel van dit werk is de onthulling van de economische ontwikkelingswet van de moderne maatschappij.’ Hij waarschuwt de Duitsers die denken dat het bij hen nog zo erg niet is: ‘Perseus had een nevelkap nodig om de monsters te achtervolgen, wij trekken de nevelkap diep over onze ogen en oren om het bestaan van het monster te kunnen ontkennen.’

Marx had in Engeland gezien dat nieuwe arbeidsvoorwaarden steeds meer arbeiders in woede deden ontsteken. Dat gaf hem de kracht om een analyse van de maatschappelijke ordening te geven. Hij doet dat zeer nauwgezet. Hij gaat in op wat het begrip ‘waar’ betekent, hoe geld in kapitaal verandert, hoe arbeidskrachten worden uitgebuit. ‘Alleen arbeid schept waarde. De kapitalistische uitbuiting’, zo zegt hij, ‘is het verschil tussen dat wat de arbeider produceert en aan loon uitbetaald krijgt.’ Marx’ belangstelling ging veel verder dan de theoretische economie. Voor Marx is de loop van de geschiedenis een resultaat van de materiële omstandigheden waarmee een mens wordt geconfronteerd.

Hij gebruikte nog wel het begrip van Hegel `de vervreemding’. Die is van alle tijden, maar Marx onderzocht de betekenis ervan voor de arbeider: die is van zichzelf vervreemd doordat hij niet over de productiemiddelen noch over het eindresultaat (het product) beschikt. Daarmee vervreemdt de mens van zijn werk. Volgens Marx zijn de productieomstandigheden de fundamenten waarop een samenleving is gebouwd. Wat telt is macht. Er zijn heren en fabrieksslaven.  

Proletariaat

In Het kapitaal onderzoekt Marx de kapitalistische productiewijze; dat maakt hem heden ten dage zo’n bestsellerauteur. Er staan in zijn visie nog maar twee klassen tegenover elkaar: de kapitalisten, die de productiemiddelen bezitten, en het proletariaat, dat arbeidskracht bezit en door de kapitalisten wordt uitgebuit. De arbeider levert door zijn arbeid meer aan waarde dan hij in zijn loon uitbetaald krijgt. Hij ontvangt als arbeidsloon juist genoeg om de kapitalist in stand te houden. De arbeider is gedwongen de voorwaarden van de kapitalist te aanvaarden. En de meerwaarde die hij produceert, vloeit als winst in de beurs van de kapitalist, die ermee kan woekeren en onderdrukken.

Marx had zich jaren ingegraven in de bibliotheek. Zijn idee was dat zijn visie wetenschappelijk was; hij wordt niet voor niets een van de grondleggers van de sociologie genoemd. Het kapitaal was een nieuwe wereldvisie. Een theorie die economie, sociologie, politiek met een wetenschappelijke aura omgaf.

Vooral na het verschijnen van Het kapitaal wilden verschillende revolutionaire bewegingen hem inlijven als de wetenschapper van de revolutie. Het kapitaal werd een soort Bijbel. Een Bijbel geschreven door de man die altijd op het gevaar van religie gewezen had.