Home Liefde Seks, een kleine encyclopedie
Liefde

Seks, een kleine encyclopedie

Door Carolien van Welij op 03 juli 2015

07-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Wat heeft de geslachtsdaad toch teweeggebracht dat de mens er niet onbeschroomd over durft te praten?’ vraagt Montaigne zich af. In deze filosofische encyclopedie gaan onder anderen Wollstonecraft en Levinas in op datgene waar ook filosofen vaak niet over durven te spreken: seks. 

Voorbij sterfelijke onzin

Plato (427-347 v. Chr.)

‘Erotiek is het enige waarvan ik verstand heb’, beweert Socrates in Symposium, Plato’s literaire meesterwerk over liefde en seks. ‘Eros’ heeft bij Plato een brede betekenis: van de seksuele lust tot het filosofische verlangen naar waarheid. Socrates heeft zijn kennis op dit gebied van de priesteres Diotima van Mantinea. Zij gebruikt het beeld van een trap om uit te leggen hoe je via lichamelijk verlangen uiteindelijk de algemene schoonheid kunt bereiken. Je begint bij één mooi lichaam, daarna zie je de schoonheid in alle lichamen. Bij de volgende trede richt je je op de schoonheid van de geest. En zo kom je steeds verder omhoog tot de schoonheid zelf: ‘Puur, zuiver, onvermengd, niet bedolven onder menselijk vlees en kleur en allerlei sterfelijke onzin.’

Genot bij de vrouw

Aristoteles (348 –322 v. Chr.)

‘Het genot dat aan de coïtus beleefd wordt, is te danken aan het feit dat niet alleen zaad wordt uitgestoten, maar ook lucht’, schrijft Aristoteles in Over voortplanting, zijn biologische werk waarin hij verslag doet van zijn studie naar de voortplanting bij dieren – inclusief de mens. Seksueel genot is niet alleen voor mannen weggelegd: ‘Sommige mensen denken dat een vrouw bij de coïtus zaad produceert, omdat ze soms net zoveel genot beleeft als een man en tegelijk met hem vocht afscheidt.’ Tussen haar genot en een zwangerschap is geen verband: het komt voor dat een vrouw niet zwanger wordt ‘ook als haar genot niet minder is dan dat van de man en man en vrouw hierin gelijke tred houden’.

Slaaf van zijn begeerte

Augustinus (354 –430)

‘Geef mij kuisheid en zelfbeheersing’, bad Augustinus als jongeling tot God. En hij voegde daar meteen aan toe: ‘Maar niet meteen.’ Hij moest er toen nog niet aan denken dat God hem onmiddellijk zou genezen van zijn ziekte van begeerte: ‘Die wilde ik liever verzadigen dan laten uitdoven.’ In zijn Belijdenissen beschrijft Augustinus zijn bekeringsproces. Hij begon als zondaar, ook op het gebied van de seksualiteit. Hij had een concubine, ‘een verbond op basis van lust’, en kreeg met haar een zoon. Toen hij later twee jaar moest wachten op een huwelijk met een vrouw van stand, nam hij in de tussentijd weer een andere maîtresse. Was hij aanvankelijk nog ‘slaaf van zijn begeerte’, na zijn bekering op zijn 32ste leefde hij in volledige onthouding.

Volledig bloot 

Michel de Montaigne (1533 –1592)

‘Al wat ik durf te doen, moet ik ook durven zeggen’, heeft Montaigne zichzelf tot regel gesteld. ‘En gedachten die ik niet kan publiceren, stuiten mij zonder meer tegen de borst.’ In het essay ‘De verzen van Vergilius’ staat – anders dan de titel misschien doet vermoeden – seksualiteit centraal. ‘Wat heeft de geslachtsdaad, deze zo natuurlijke, noodzakelijke en gerechtvaardigde daad, toch teweeggebracht in de mens, dat hij er niet onbeschroomd over durft te praten en het onderwerp niet aanroert in een ernstig en behoorlijk gesprek?’ vraagt hij zich af. In deze beschouwing legt hij zichzelf volledig bloot en beschrijft hij zijn beginnende impotentie. Zijn ‘geslachtsorganen’ kunnen volgens hem tegenwoordig ‘met recht beschamend en deerniswekkend worden genoemd’.

Lokroep van de natuur

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)

Voor de edele wilde uit de natuurstaat van Rousseau was seks een natuurlijke, onproblematische behoefte: ‘Iedereen wacht vredig op de lokroep van de natuur, geeft zich eraan over zonder dat er te kiezen valt, ondergaat deze meer met genoegen dan passie, en als de behoefte gestild is, is elke begeerte gedoofd.’ Pas in het maatschappelijk verband ontstaan seksuele rivaliteit en jaloezie, legt Rousseau uit in Vertoog over de ongelijkheid (1755). In Emile, of over de opvoeding (1762) typeert hij seksueel verlangen als een psychologisch verlangen: ‘Het is de verbeelding die de zinnen doet ontvlammen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Helft van een geheel

René Decartes(1596 –1650)

Bij de begeerte ‘is de beweging van het hart zeer heftig’ en ‘zijn alle zintuigen scherper en alle lichaamsdelen beweeglijker’. Begeerte is volgens Descartes een van de zes basisemoties, ofwel ‘passies van de ziel’. Er bestaan vele soorten begeerten, maar een van de krachtigste is de begeerte die ontstaat uit welbehagen. De natuur heeft volgens Descartes niet alleen de mens van verschillend geslacht gemaakt, maar heeft ook ‘indrukken in zijn hersenen gelegd’, waardoor de mens zich op een bepaald moment ‘onvolledig voelt en het hem toeschijnt dat hij maar de helft is van een geheel’. Het gevolg daarvan is ‘dat het verwerven van die wederhelft ons […] als het grootst denkbare goed wordt voorgesteld’.

Lust maakt de ander tot ding

Immanuel Kant (1727-1804)

Volgens Kant is seks in strijd met de categorische imperatief. In de paragraaf ‘De plicht jegens je lichaam inzake geslachtelijke lust’ uit Vorlesung zur Moralphilosophie gaat Kant uitgebreid in op seks. Seks maakt de ander tot object van begeerte, tot niet meer dan ‘een ding’. Het is geen lust van mens tot mens, ‘maar een lust jegens het geslacht’. Met zijn precieze wijze van redeneren gaat Kant op zoek naar de voorwaarden waaronder seks ethisch wel mogelijk is. Alleen in het huwelijk bestaat het recht om ‘over de gehele persoon te beschikken, dus ook om zijn seksuele organen ter bevrediging van mijn geslachtelijke lust te gebruiken’.

Grotere kuisheid bij mannen

Mary Wollstonecraft (1759-1797)

‘Zowel vrouwen als mannen moeten de normale lusten en passies hebben die bij ze horen. Het gaat pas fout als de lusten niet meer beheerd worden door de rede’, schrijft feministe avant la lettre Wollstonecraft in A Vindication of the Rights of Woman (1792). Mannen en vrouwen zijn gelijk, beargumenteert de verlichtingsdenker. De plicht tot beheersing geldt daarom niet alleen voor vrouwen, maar is ‘een menselijke plicht’. Wollstonecraft pleit voor een grotere kuisheid bij mannen. In haar pamflet omschrijft ze het huwelijk als ‘legale prostitutie’. Ze houdt een pleidooi voor een huwelijk gebaseerd op vriendschap: ‘Vriendschap is de meest heilige band in de samenleving.’ Zelfs als ‘twee deugdzame jonge mensen’ trouwen, zou het mooi zijn als die hun passies kunnen bedwingen.

De wil tot leven

Arthur Schopenhauer (1788 –1869)

‘Wat twee individuen van verschillend geslacht uiteindelijk met zoveel geweld uitsluitend naar elkaar toe drijft, is de Wil tot leven’, legt Schopenhauer uit in het hoofdstuk ‘Metafysica van de geslachtelijke liefde’ in De wereld als wil en voorstelling (1819). Seks is voortplantingsdrift: het is de extreme bevestiging van ‘de Wil tot leven’ die nodig is voor het voortbestaan van de mens. Schopenhauer verbaast zich erover dat iets wat in het mensenleven voortdurend zo’n belangrijke rol speelt, bij de filosofen tot dusver vrijwel geheel buiten beschouwing is gelaten. Voorgangers die er wel over hadden geschreven, zet hij aan de kant: Plato heeft het vooral over ‘de Griekse knapenliefde’ en wat Kant zegt, is ‘zeer oppervlakkig en zonder kennis van zaken geschreven’.

Instinct van het leven

Friedrich Nietzsche (1844-1900)

‘Pas door het christendom is de seksualiteit tot iets onreins geworden’, stelt Nietzsche in Afgodenschemering (1888): het christendom ‘wierp met drek naar het begin, naar de voorwaarde van ons leven’. Nietzsche beschrijft hoe anders dat bij de oude Grieken was. Bij hen wekte ‘elk afzonderlijk aspect van de geslachtsdaad, van de zwangerschap, van de geboorte de meest verheven en plechtige gevoelens op’. In de Griekse dionysische symboliek ‘wordt het diepste instinct van het leven, het instinct dat streeft naar de toekomst van het leven, naar de eeuwigheid van het leven, op religieuze wijze ervaren – en de weg zelf naar het leven, de voortplanting wordt als heilige weg beschouwd.’

Iedereen is polygaam

Bertrand Russell (1872 – 1970)

‘Ik geloof dat de instincten van vrije, beschaafde mensen – van de man of de vrouw – over het algemeen polygaam zijn’, schrijft Bertrand Russell in Huwelijk en moraal (1929). Dat betekent niet dat hij een tegenstander van het huwelijk is. Integendeel, het is zelfs ‘de beste en belangrijkste verhouding die tussen twee mensen kan bestaan’. Maar dan moet seks buiten het huwelijk mogelijk zijn. Toen Russell dit boek schreef, had hij een open huwelijk met zijn tweede vrouw. Nadat ze twee keer zwanger was geraakt van een andere man, gingen zij en Russell uit elkaar. Het vierde huwelijk van Russell hield stand tot zijn dood.

Alleen–zijn met z’n tweeën

Emmanuel Levinas (1906 – 1995)

Erotisch genot is ‘tegelijkertijd versmelting en verschil’. Erotiek leidt niet tot samensmelting: de Ander blijft de Ander. Levinas gaat in
De totaliteit en het oneindige (1961) uitvoerig in op de erotiek en de verhouding daarbinnen met de ander. Eros heeft niets met bezit van de ander te maken. Het genot is niet gericht op de ander, maar op het genot van de ander. Het gaat dus om ‘het genot van het genot, liefde van de liefde van de ander’. De betrekking die in het genot tussen de geliefden komt, ‘is het tegendeel van een sociale relatie. Zij sluit de derde uit, ze blijft intimiteit, alleen-zijn met z’n tweeën, gesloten gemeenschap, het niet-publieke bij uitstek.’

Iedere vrouw homoseksueel

Simone De Beauvoir (1908 – 1986)

‘Eigenlijk geloof ik dat iedere vrouw nu al een beetje homo­seksueel is. Gewoon omdat vrouwen begerenswaardiger zijn dan mannen’, zegt Beauvoir in 1982 in een interview met Alice Schwarzer. Ze geeft aan zelf alleen ‘tedere vriendschappen’ met vrouwen gehad te hebben, ‘geen erotische hartstocht’. Ze verklaart dat met de conditionering in haar opvoeding waardoor haar gevoelens ‘in heteroseksuele richting zijn gekanaliseerd’. Ook wat betreft onze seksuele geaardheid zijn wij gedoemd tot vrijheid. In De tweede sekse (1949) stelt de existentialist dat homoseksualiteit een houding is ‘die in de situatie gekozen wordt – dat wil zeggen, die gemotiveerd is en vrij genomen werd.’

Extreme menselijke ervaring

Susan Sontag (1933 – 2004)

Pornografie kan ook literatuur zijn. In ‘De pornografische verbeelding’ (1967) geeft de Amerikaanse schrijfster en filosoof Sontag een verdediging van pornografie. Ze laat zien dat een aantal als pornografisch bestempelde werken zoals De 120 dagen van Sodom van Markies de Sade en de romans van Georges Bataille meer zijn dan pornografie. Menselijke seksualiteit typeert de Amerikaanse filosoof in dit essay als een zeer dubieus fenomeen, dat ‘eerder bij de extreme dan bij de gewone menselijke ervaringen hoort’. Als fysieke sensatie heeft seks volgens haar evenveel, of zelfs meer, gemeen met een epileptische aanval dan met het nuttigen van een maaltijd of het voeren van een gesprek met iemand.