Home IJzeren Lijst IJzeren Lijst 7. Symposium van Plato
IJzeren Lijst Klassieke Oudheid Liefde

IJzeren Lijst 7. Symposium van Plato

‘Het gaat niet om de schoonheid die je hebt, maar de schoonheid die je verlangt', schreef de Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.) in Symposium.

Door Alexandra van Ditmars op 14 januari 2015

symposium symposion plato socrates liefde verlangen agathon filosofie

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

De titel is afgeleid van het Griekse symposion, dat ‘drinkgelag’ betekent. En dat is ook precies wat er in het werk plaatsvindt. Socrates, de komedieschrijver Aristophanes en enkele andere Atheense mannen nemen deel aan een feestmaal.  Naast uitgebreid gegeten wordt er vooral veel gedronken. Zij besluiten vervolgens een loflied te geven op de liefde, waarbij elk een eigen tafelrede houdt. In de tijd van de Oude Grieken valt liefde samen met Eros, de halfgod die liefde en verlangen personifieert. Nadat de oorsprong en het doel van Eros aan bod zijn gekomen, blijkt echter dat hij voor Plato meer symboliseert dan enkel liefde en lust. Eros is voor Plato een manier om de werkelijkheid te leren kennen.

Bijzonder aan het werk is dat het ondanks grote filosofische gedachten toch makkelijk leesbaar is. Net als veel van Plato’s werken is Symposium een levendige dialoog, waarin zijn leermeester Socrates als gespreksleider optreedt. Plato was een enorm bewonderaar van Socrates en laat hem in zijn dialogen naar voren komen als een volmaakte persoonlijkheid. Ook fungeert Socrates als spreekbuis: Socrates verwoordt in de dialoog de gedachten waar Plato het mee eens is. De andere gesprekspartners brengen telkens filosofische standpunten in die Socrates vervolgens ontkracht. Zo komt langzaam een eigen visie – van Plato – naar voren. Dankzij deze stijl heeft het werk niet alleen een hoge filosofische waarde, maar is literair ook sterk.

Phaedrus bijt het spits af en stelt in zijn rede dat Eros mensen aanzet tot moedig gedrag. Mensen maken zich zodra er liefde in het spel is namelijk snel zorgen over hun reputatie. Liefde heeft hierdoor een belangrijk ethisch aspect: Eros zet mensen aan tot het verrichten van goede daden en zich te schamen voor slechte daden. Phaedrus plaatst de halfgod ook in de literaire traditie, waarmee Plato laat zien dat hij een geleerd denker is die zijn geschiedenis goed kent.

Pausanius volgt Phaedrus op, en vindt dat Eros in het algemeen verkeerd begrepen wordt. Er moet namelijk onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten liefde: hemelse en aardse. In dit deel van het werk komt het homo-erotische aspect, dat erg gebruikelijk was in de klassieke oudheid, duidelijk naar voren. De hemelse Eros vindt namelijk altijd plaats tussen een man en een jonge jongen. De man dient als een leermeester voor de jongen en heeft tevens een seksuele relatie met hem. Onderwijs, liefde en seks zijn hierdoor altijd met elkaar verbonden. Aardse liefde daarentegen is niet gericht op onderwijs, maar puur op verlangen naar zaken als geld en macht.

De arts van het stel, Eryximachos, komt op zijn beurt met een wetenschappelijke beschrijving van Eros, waarbij harmonie centraal staat. Door gematigdheid kan er harmonie bereikt worden in liefde, die niet alleen te vinden is in relaties tussen mensen, maar ook in bijvoorbeeld de natuur en muziek.

Hij geeft het woord door aan Aristophanes, waarop een van de bekendste stukken uit Symposium volgt. Aristophanes zegt dat mensen vroeger bolletjes waren, met twee hoofden en acht ledematen, die ofwel eenslachtig, ofwel tweeslachtig waren. Deze mensen werden echter te sterk, waardoor de goden zich door hen bedreigd voelden. Daarop besloot Zeus de mensen in tweeën te hakken. Zo ontstonden de homoseksuele mannen, die eerst een mannelijk bolletje waren, de homoseksuele vrouwen, die eerst een vrouwelijk bolletje waren,  en de heteroseksuelen, die eerst tweeslachtig waren. Wij zijn tegenwoordig dus eigenlijk allemaal halve mensen. Eros is in dit opzicht de drang onze wederhelft – die ons weer heel maakt – te zoeken.

Het wordt ondertussen al laat, de avond loopt op zijn eind. Er zijn nog twee heren over die hun verhaal moeten doen, Agathon en Socrates. Agathon prijst Eros in al zijn aspecten: hij is mooi, jong, intelligent en gelukkig. Al het waardevolle en begerenswaardige op aarde is dankzij hem ontstaan, Eros is verantwoordelijk voor alle menselijke deugden.

Socrates is het hier niet mee eens. Agathon beschrijft volgens hem het doel van Eros, in plaats van Eros zelf. Socrates vertelt vervolgens wat de wijze priesteres Diotima hem leerde over de liefde. Om die te begrijpen, is het van belang de oorsprong ervan te kennen. De liefde is ontstaan toen de god Poros, wiens naam ‘vermogen’ betekent, werd verleid door Penia, ‘armoede’, en de halfgod Eros werd geboren. Aangezien hij werd verwekt op het geboortefeest van Aphrodite, de godin van schoonheid en liefde, werd Eros haar dienaar. Direct werd hij verliefd op haar schoonheid, en daarmee op schoonheid in het algemeen. Altijd is hij er naar op zoek, net als zijn vader streeft Eros goede dingen na. Vanwege zijn moeders genen zal hij echter nooit bezit vergaren: hij jaagt schoonheid na, zonder het ooit te verkrijgen. Eros bevindt zich hierdoor overal tussenin, tussen hebben en niet-hebben, maar ook tussen wijsheid en onwetendheid. Dit maakt hem heel geschikt voor de filosofie.

Wijze mensen en goden houden zich namelijk niet bezig met filosofie, want zij bezitten al wijsheid. Domme mensen verlangen er niet naar, en besteden er daarom geen aandacht aan. Alleen de mensen uit de groep daar tussenin kan filosoof worden, zij verlangen naar wijsheid maar bezitten het nog niet. Deze liefde naar wijsheid is de liefde van Eros, stelt Socrates. Liefde, schoonheid en wijsheid zijn daarin nauw met elkaar verweven. Seksuele liefde en fysieke schoonheid ziet Plato slechts als opstapje naar zijn ideaalbeeld van liefde: een alomvattende passie voor wijsheid.

‘De schoonheid in haar essentie bereik je als het ware via de treden van een trap’ schrijft Plato hierover. Het herkennen van schoonheid begint bij de liefde voor een mooi jongenslichaam. Wie op die manier schoonheid waardeert, zal die vervolgens ook zien in andere lichamen en zaken. Het gaat dan niet langer om de fysieke passies en dingen die schoonheid bezitten, maar om de schoonheid van de ziel. Zodra je in staat bent die in alle zielen te ontdekken, kan je schoonheid zien in de wetten van de natuur, in de structuren van alle dingen in de wereld. Dit is het inzien van de schoonheid als zodanig, waarbij er volledig geabstraheerd is van het fysieke – en dat is het domein van de filosofie. Deze ‘intellectuele erotiek’ is echter voor weinig personen weggelegd, veel mensen blijven hangen in hun lichamelijke verlangens.

Vanuit de waardering van oppervlakkige, fysieke schoonheid kan je dus uiteindelijk in contact komen met werkelijke, hogere schoonheid. Deze gedachte weerspiegelt Plato’s beroemde kentheorie, waarin het menselijk kenvermogen zich eerst richt op iets werelds, om vanuit daar in contact te komen met ware kennis, in dit geval de wet van schoonheid.

Ondanks dat onze conceptie van Eros veranderlijk is, blijft de wet van schoonheid altijd gelijk. De ultieme schoonheid, schoonheid als vorm in de structuur van de wereld, is onveranderlijk. Het is het goddelijke idee ervan, dat hij ‘de idee Schoonheid’ noemt. De filosofische zoektocht hiernaar is het meest waardevol van alle menselijke kunsten en wetenschappen.

Aan het einde van dit loflied is iedereen dronken, behalve Socrates, al heeft hij beslist het meest gedronken. De avond eindigt in chaos, waarbij uiteindelijk het grootste deel van het gezelschap dronken in slaap valt. Socrates blijft tot het morgengloren actief discussiëren met Agathon en Aristophanes. Als ook zij in slaap vallen begint Socrates energiek aan de nieuwe dag. Zijn geest is als enige bestand tegen het zwakke lichaam, zoals een ware filosoof betaamt.