Home Twintig beste ideeën Categorische imperatief
Twintig beste ideeën

Categorische imperatief

Door Sebastien Valkenberg op 10 juli 2012

Categorische imperatief
07-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.


Categorische imperatief

Immanuel Kant (1724-1804)
De morele wet van Kant helpt bij het formuleren van een publieke moraal.

Wat is het idee?
Ons gedrag moeten we volgens Kant ten overstaan van iedereen kunnen verantwoorden. 
Daarom is bedriegen immoreel.

Wat doet het?
Preventie van stiekem gedrag. Wat niet algemeen aanvaardbaar is, is moreel dubieus.

Wél een ritje met de tram, maar geen tramkaartje. Weinig is zo ondermijnend voor de samenleving als de ‘free riders’. Zeker een land met zoveel collectieve voorzieningen als het onze moet een antwoord formuleren op dit vraagstuk. Tip: begin de beraadslaging met Immanuel Kant (1724-1804). Deze raad is afkomstig van Frans Jacobs, emeritus hoogleraar Ethiek aan de Universiteit van Amsterdam.

Hoe minimaliseren we het aantal mensen dat graag profiteert van maatschappelijke regelingen, maar wegduikt voor de bijbehorende lasten? Dergelijke thema’s behandelde Jacobs al in zijn proefschrift Ten overstaan van allen (1985), dat voor een groot deel gaat over de ethiek van Kant. Diens morele wet, beter bekend als de categorische imperatief, helpt bij het formuleren van een o zo noodzakelijke publieke moraal. In een gesprek legt Jacobs uit hoe.

Het is toch logisch dat de overheid ‘free riders’ hard aanpakt? Anders worden collectieve regelingen op den duur onbetaalbaar.
‘Natuurlijk is de betaalbaarheid van groot belang. Het gaat mis als de inkomsten achterblijven bij de uitgaven. Dat is een simpele rekensom. Maar hier ligt meer dan een boekhoudkundige kwestie. Veel zorgwekkender zijn de ethische implicaties. In de kern komt het probleem hier op neer: “free riders” handelen volgens een schema dat perverse gevolgen zou hebben als het door iedereen zou worden toegepast. In feite zijn ze aan het parasiteren, want stel dat iedereen zo zou handelen. Dit is ondenkbaar en daarom was zulk gedrag voor Kant een schending van de categorische imperatief.’

Hoe luidde de categorische imperatief ook alweer?
‘Dat hangt van de formulering af. Kant omschreef in zijn Fundering voor de metafysica van de zeden (1785) de morele wet op verschillende manieren – sommige commentatoren zeggen dat hij er vijf varianten onderscheidde, andere drie. De bekendste definitie luidt als volgt: handel volgens die maxime waarvan je kunt willen dat zij tot algemene wet verheven kan worden. Op allerlei manieren voelen we de aandrang om in actie te komen, maar aan welke neiging mogen we gehoor geven? Kant zegt: vraag je zelf wat er gebeurt als iedereen hiernaar zou handelen.’

Dat klinkt als een variatie op de Gulden Regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet?
‘Die link wordt vaak gelegd.Waarom zou ik mezelf dingen permitteren die ik anderen ontzeg? Hoewel er onderdaad overeenkomsten zijn tussen beide geboden, vind ik de categorische imperatief veel rijker dan de Gulden Regel. Heel waardevol is de eis van publiciteit die er in tot uitdrukking komt. De redenen die we aanvoeren voor ons handelen, moeten we publiek kunnen maken. Het mag niet zo zijn dat we zaken voor elkaar krijgen omdat de ware bedoelingen geheim blijven. Vandaar ook de titel van mijn proefschrift destijds: Ten overstaan van allen. Dat wat we moreel aanvaardbaar achten, moet tegenover iedereen verantwoord kunnen worden.’

Dat klinkt nog wat abstract. Kunt u een voorbeeld geven?
‘Kant verwijst naar iemand die geld nodig heeft. Daartoe leent deze figuur een bedrag, maar met de bedoeling om het nooit terug te betalen. Probleem met deze strategie is dat zij nooit openbaar mag worden. Stel dat de geldbehoevende zijn voornemen vooraf kenbaar maakt. Dan krijgt hij het geld domweg niet. Hij kan met andere woorden alleen maar handelen vanuit zijn maxime als hij deze verborgen houdt. Ziehier het “free rider”-gedrag of parasitisme waar Kant zo beducht voor was. Het is alleen maar mogelijk om je aan beloftes te onttrekken in een wereld waarin de meeste mensen zich hieraan houden. Stiekem gedrag en moreel handelen sluiten elkaar dus per definitie uit.’

Want we moeten verantwoording kunnen afleggen over onze daden?
‘Het is telkens weer de vraag welke wil we kunnen verantwoorden. Voor Kant is onze morele integriteit een zeer groot goed. Naar mijn smaak stelt hij zich soms te rigoureus op, bijvoorbeeld als hij zegt dat liegen onder geen enkele omstandigheid is toegestaan. Desondanks is hierin voor mij zijn waarde gelegen. Hij moet ons een aarzeling aanleveren – of het besef dat een minder fraaie handeling misschien nodig is, maar een uitzondering op de regel moet blijven. Zo houd je de norm tenminste overeind. ’

‘Free riders’ hebben geen last van die aarzeling. Hoe breng je ze dat besef bij?
‘Sancties zijn belangrijk in een samenleving, maar als zodanig onvoldoende. Neem het voorbeeld van corruptie, de situatie waarin werknemers hun functie misbruiken voor persoonlijk gewin. De Nederlandse politie en justitie zijn nauwelijks corrupt vergeleken met andere landen. Dat is een groot goed, dat ook helpt bij het in standhouden van regels. Als te veel mensen zich onttrekken aan de norm, erodeert deze sluipenderwijs. Strenge maatregelen helpen dit voorkomen, maar dit leidt er enkel toe dat we bepaald gedrag uit berekening nalaten. Even noodzakelijk is het besef dat een vitale samenleving pas ontstaat als iedereen zijn bijdrage levert. Er is met andere woorden een publiek ethos nodig. Kant helpt ons om dit te begrijpen.’