Home Filosofen Aristoteles

Quote

“De mens is een met rede en spraak begiftigd dier.”

Aristoteles is een van de belangrijkste filosofen uit de Oudheid. Het werk van de Grieke filosoof gaat over wiskunde, biologie, kunst, ethiek, logica en politiek. Aristoteles’ Ethica Nicomachea is een van de mijlpalen van de filosofie. Ook gaf hij les aan Alexander de Grote.

Plato en Aristoteles

Aristoteles komt oorspronkelijk uit de Noord-Griekse streek Macedonië, maar geniet zijn opleiding aan de Academie van filosoof Plato. Daar blijft hij twintig jaar lang, tot het moment dat Plato overlijdt. Samen met Plato’s leermeester Socrates zijn Plato en Aristoteles de grondleggers van de westerse filosofische traditie.

Aristoteles zet zich flink af tegen de filosofie van Plato. Ten eerste schrijft hij zijn ideeën niet op in literaire dialogen, maar in schematische opstellen. Hij gaat nog verder door Plato’s ideeënleer af te wijzen, de theorie dat de wereld die wij kennen bestaat uit kopieën van eeuwige en onveranderlijke ideeën. Aristoteles richt zich in zijn filosofie juist op de wereld die we met onze zintuigen kunnen waarnemen. Daarmee wordt Aristoteles ook wel gezien als de grondlegger van de empirische wetenschap.

Na Plato’s dood reist Aristoteles Griekenland rond om onderzoek te doen naar de lokale natuur, en treedt hij een paar jaar in dienst van het Macedonische hof als leermeester van de jonge Alexander de Grote. Daarna keert hij terug naar Athene, waar hij net als Plato een school opricht: het Lyceum. Aristoteles sterft uiteindelijk in Macedonië.

Aristoteles’ metafysica

Aristoteles maakt onderscheid tussen theoretische (fysica, ontologie, logica) en praktische filosofie (ethica, politiek, poëtica). De hoogste, ‘eerste’, wetenschap zou zich niet met specifieke delen van de werkelijkheid bezighouden, maar met het gehele zijn (ontologie). Toen men Aristoteles’ werken ordende, plaatste men zijn geschriften over deze eerste wetenschap achter zijn werken over fysica. Zo kreeg de eerste wetenschap de naam ’ta meta ta fusika’ (dat wat na de fysica komt), oftewel metafysica.

Een van Aristoteles’ belangrijkste metafysische inzichten is dat alles in de natuur door iets anders wordt bewogen of in gang gezet. Iemand of iets, stelt Aristoteles, moet de oorsprong zijn van dat proces. Deze instantie noemt hij ‘de onbewogen beweger’ die het universum in beweging houdt zonder zelf door iets anders te worden bewogen.

Aristoteles’ teleologie

Aristoteles is de eerste filosoof die de natuur op wetenschappelijke wijze onderzoekt door dieren en planten te bestuderen. Daarbij komt hij tot de conclusie dat alles in de natuur ‘potentie’ heeft. Een zaadje van een beuk heeft bijvoorbeeld de potentie om uit te groeien tot een boom. Hetzelfde geldt voor een baby. Hoewel een pasgeborene in veel opzichten nog nauwelijks op een mens lijkt, heeft het alle typisch menselijke eigenschappen en vormen latent in zich. Daarom kunnen we een baby mens noemen, zegt Aristoteles.

Het idee dat alles naar een doel toewerkt, noemen we ‘teleologie’, van het Griekse woord voor doel, telos. Daarom spreken we hier van de ‘teleologie’ van Aristoteles.

Logica

Aristoteles staat ook aan de basis van de logica, in het bijzonder van de vorm van redeneren die de naam ‘syllogistiek’ heeft meegekregen. Een syllogisme is een logische redenering die bestaat uit twee ‘premissen’ (stellingen of aannames) waar een noodzakelijke conclusie uit volgt. Als de eerste premisse bijvoorbeeld ‘Alle mensen zijn sterfelijk’ luidt, en de tweede ‘Socrates is een mens’, dan moet daar wel de conclusie uit volgen dat Socrates sterfelijk is. Als we aannemen dat premisse één, ‘Alle mensen zijn sterfelijk’, waar is, evenals premisse twee, ‘Socrates is een mens’, dan moet ook de conclusie ‘Socrates is sterfelijk’ waar zijn.

Ethica Nicomachea

Hoe de mens zich dient te gedragen om geluk te kunnen bereiken, is het onderwerp van Aristoteles’ Ethica Nicomachea. De Ethica was eeuwenlang het standaardwerk in de ethiek en is door Filosofie Magazine eerder uitgeroepen tot belangrijkste filosofiewerk aller tijden. Aristoteles staat ermee aan de basis van de ethische stroming van de deugdethiek. Hij beweert dat mensen tussen twee uitersten het juiste midden dienen te houden. Zo is moed het midden tussen de uitersten van lafheid en roekeloosheid. Wie te moedig is, is roekeloos, en wie te weinig moed bezit, is laf. Iemand is echt moedig, volgens Aristoteles, als diegene die een gulden middenweg vindt tussen deze twee extremen.

Volgens Aristoteles’ ethiek kunnen we dat midden vinden door bepaalde deugden te ontwikkelen. De deugd van moed ontwikkel je bijvoorbeeld door eerst iemand te observeren die die deugd goed ontwikkeld heeft, die moedig is. Daarna komt het erop aan de deugd te verfijnen door veel te oefenen. Door deugdzaam te leven bereiken we volgens Aristoteles eudaimonia, grofweg te vertalen als geluk of een goed leven.

Vanaf de Verlichting sneeuwt Aristoteles’ deugdethiek enigszins onder. Sinds de introductie van de ‘modernere’ ethische stromingen van de plichtethiek van Immanuel Kant en het utilistische nutsdenken van filosofen als Jeremy Bentham en John Stuart Mill moet de traditie van de deugdethiek het doen met een plek op de achtergrond. Maar sinds de tweede helft van de twintigste eeuw is Aristoteles’ deugdethiek met een heropleving bezig, mede dankzij het werk van de Britse filosofe Philippa Foot (1920-2010), de Schots-Amerikaanse moraalfilosoof Alasdair MacIntyre (1929) en in Nederland Denker des Vaderlands Paul van Tongeren. Ook de ethiek van de capability approach van filosoof Martha Nussbaum en econoom Amartya Sen is geïnspireerd door Aristoteles.

Politica

Het andere standaardwerk dat Aristoteles opdraagt aan de praktische filosofie is de Politica, waarin hij zijn politieke filosofie uiteenzet. Daarin stelt Aristoteles dat de mens een politiek dier is: voor geluk en een goed leven moet de mens zowel individueel als in de gemeenschap goed functioneren.

In de Politica zet Aristoteles ook een schematische classificatie van zes typen regeringsvormen op, verdeeld op basis van het aantal regeerders en of het een ‘goede’ dan wel een ‘slechte’ regeringsvorm is. ‘Goede’ regeringsvormen dienen volgens Aristoteles het algemeen belang, corrupte of ‘slechte’ regeringsvormen enkel die van de machthebbers. Zo zijn de monarchie, de aristocratie en de constitutionele democratie ‘goede’ regeringsvormen; en de tirannie, oligarchie en volksdemocratie corrupt omdat ze alleen het belang van een deel van de gemeenschap dienen.