Home Existentialisme Historisch profiel: Sartres kronkelwegen van de vrijheid
Existentialisme

Historisch profiel: Sartres kronkelwegen van de vrijheid

Door Alec van der Horst op 30 januari 2018

Historisch profiel: Sartres kronkelwegen van de vrijheid
Cover van 02-2018
02-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Er is waarschijnlijk geen filosoof bij wie leven en denken zozeer samenvielen als bij Sartre: een verhaal over rokerige jazzkelders, affaires en onze onontkoombare vrijheid.

Oktober 1945, Parijs. De Tweede Wereldoorlog is net afgelopen, affiches kondigen een lezing aan: ‘Het existentialisme is een humanisme.’ Het zaaltje is te klein en wanneer de deuren eindelijk opengaan ontstaat er gedrang; mensen gillen en een paar vrouwen vallen flauw. Het succes van de lezing verbijstert iedereen, inclusief Sartre zelf. Hij is een ster en hard op weg om de beroemdste filosoof ter wereld te worden. Na de bezetting en het grimmige fascistische gedachtegoed met zijn nadruk op autoriteit en traditie was de tijd rijp voor een nieuwe gedachte: de radicaal vrije mens, zo vrij dat hij er zelfs toe veroordeeld is…

Vrijheid heeft altijd centraal gestaan in Sartres zeer productieve leven, waarin hij meer dan vijftig boeken publiceerde. Zijn productie was gigantisch – hij slikte enorme hoeveelheden peppillen om zijn krankzinnige werkritme vol te houden – en beslaat buiten vuistdikke filosofieboeken onder meer ook romans, verhalen, een autobiografie, toneelstukken en politieke artikelen. 

Sartre zou niet altijd even zichtbaar blijven. Eind jaren veertig gonsde het in de jazzkelders en cafés van Saint-Germain-des-Prés nog van de existentialisten – hun kapsels inspireerden zelfs de latere beroemde Beatles-coup –, maar daarna was het feest voorbij. In het midden van de jaren vijftig verdreven de (post)structuralistische theorieën van Derrida, Foucault, Deleuze en anderen het existentialisme van de Europese en Amerikaanse universiteiten. En Sartre zelf maakte een radicale zwaai naar links.

Tekst loopt door onder afbeelding​

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Lelijk

In De woorden (1964) heeft Sartre zijn eigen kindertijd beschreven. Hij werd geboren in 1905 in een Parijs bourgeoisgezin. Zijn vader stierf toen hij twee jaar was en hij bleef achter met zijn moeder, die hem aanbad. Al snel trokken ze in bij zijn grootouders, waardoor Anne-Marie (de naam van zijn moeder) eigenlijk meer een grote zus was. Op het moment dat zijn engelachtige krullen afgeknipt werden, ontdekte hij tot zijn afgrijzen dat hij lelijk was – een oogontsteking had hem voor het leven scheel gemaakt. Voortaan moest hij het van zijn superieure intelligentie hebben om de bewondering van zijn omgeving te verkrijgen. Tijdens zijn opleiding aan de École Normale Sup (een soort universiteit voor de elite) ontmoette hij Simone de Beauvoir, maar omdat hij een compulsief vrouwenverleider was, drong hij aan op een vrije relatie. Zoals hij het zelf stelde: naast hun ‘noodzakelijke liefde’ moesten ze ook de mogelijkheid hebben om ‘contingente liefdes’ te ervaren. Ze eindigden op de eerste en tweede plaats van hun jaar (Sartre na een herkansing) en daarna werden ze allebei filosofieleraar aan een middelbare school.

In de jaren dertig krijgen zijn filosofische ideeën langzaam gestalte. De kennismaking met Husserls filosofie is cruciaal; Sartre gaat zelfs een jaar in Berlijn studeren om zijn kennis van de grondlegger van de fenomenologie te verdiepen, waar hij ook het werk van Heidegger ontdekt. Toch lijdt hij lange tijd aan een depressie; zijn leven als leraar in het verre provinciale Le Havre valt hem zwaar (pas in 1937 wordt hij na herhaaldelijke verzoeken aan het ministerie van Onderwijs overgeplaatst naar een voorstad van Parijs) en uitgevers weigeren zijn manuscripten. Tegelijkertijd is hij verwikkeld in een pijnlijke liefdesrelatie met een van Beauvoirs leerlingen. Op een dag besluit hij dat hij als enige verantwoordelijk is voor zijn toestand en alleen zichzelf kan helpen. Zijn werklust keert terug en in 1936 publiceert hij zijn eerste filosofische werk, L’imagination.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Draak

Belangrijk voor Sartre was Husserls inzicht dat bewustzijn altijd bewustzijn is van iets. Als we naar iets kijken (of over iets nadenken), dan maken we daar geen ‘foto’ van die vervolgens doorgestuurd wordt naar de hersenen – nee, het bewustzijn richt zich naar buiten en houdt zich als het ware op bij de dingen (‘fenomenen’ in de terminologie van Husserl) zelf. Hiertoe moeten ook onze eigen emoties en fantasievoorstellingen – bijvoorbeeld van een niet-bestaand wezen als een draak – worden gerekend, want zij maken net zo goed deel uit van de wereld – dat wil zeggen, ze zijn iets waarop het bewustzijn intentioneel gericht is. Het bewustzijn zwerft, met andere woorden, door de wereld.

Sartre trekt hieruit de conclusie dat het bewustzijn dus radicaal vrij is, aan niets gebonden, want er is niet zoiets als een leeg bewustzijn dat voorafgaat aan de concrete intentionele gerichtheid van elke bewustzijnsdaad, ofwel in Sartres beroemde formule: de existentie gaat vooraf aan de essentie. 

Door zijn bewustzijn neemt de mens dus een unieke positie in. De bewustzijnsloze dingen zijn in zichzelf besloten. Een steen, om maar een voorbeeld te noemen, is er gewoon: hij bestaat, maar hij existeert niet. De steen is een puur product van de natuur, hij is in de terminologie van Sartre een ‘en soi’, terwijl de mens een ‘pour soi’ is – dat wil zeggen, een wezen dat buiten en voor zichzelf leeft.

Het getuigt van kwade trouw om jezelf te beschouwen als onvrij en een speelbal van je karakter (volgens Sartre is het karakter weinig meer dan een illusie, een vorm van gezichtsbedrog of gemakzucht) en de omstandigheden. De mens kiest natuurlijk niet zijn wereld, maar hij kiest wel zijn verhouding tot die wereld; innerlijk is hij altijd vrij en aan deze vrijheid kan hij niet ontsnappen, hoe graag hij dat ook zou willen. Want eigenlijk is deze radicale vrijheid natuurlijk beangstigend; die zadelt de mens op met de verantwoordelijkheid over zijn eigen leven. En ook zijn moraal moet de mens als radicaal vrij wezen zelf kiezen – als de mens echt vrij is, kan God niet bestaan. 

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

De unieke positie van de mens in de wereld is voor hem niet zonder problemen. In het uiterste geval wordt hij overvallen door een intense Verveling (een hoofdletter is hier op zijn plaats) over de eindeloze massa niet-existerende brute materie om hem heen, of door een metafysisch afgrijzen – de heideggeriaanse Angst – van zijn eenzaamheid te midden van diezelfde onverschillige, blinde en inerte wereld. Sartre heeft dit gevoel van afgrijzen prachtig geschetst in zijn eerste roman Walging (1938), waarin de hoofdpersoon op een bankje in een park zich plotseling bewust wordt van de extreme vreemdheid van een boomwortel. 

Zijn eigen vrije bewustzijn veroordeelt de mens ook tot eenzaamheid, want zijn medemensen (‘les autres’) zijn eigenlijk vijanden die hem met hun bewustzijn tot een ding willen maken. In de blik van de anderen zijn we nooit onszelf, maar slechts de reducerende voorstelling die ze van ons hebben. In Het zijn en het niet (1943) legt Sartre dit uit aan de hand van het beeld van een man die in een gang door een sleutelgat van een hotelkamer kijkt. Zolang de man de mensen achter de deur observeert blijft zijn bewustzijn vrij, maar dan komt iemand de gang op en ziet hem door het sleutelgat staren. De blik van de ander verandert hem in een stiekeme gluurder en het resultaat is schaamte. Als we sterven kunnen we niets meer veranderen aan de objectiverende voorstellingen die men van ons heeft: de dood is de overwinning van de anderen. Of anders gezegd – de uitspraak komt uit zijn bekendste toneelstuk, Met gesloten deuren (1944): ‘De hel, dat zijn de anderen.’ 
 

Krijgsgevangen

Als Sartre in 1939 gemobiliseerd wordt moet hij afscheid nemen van zijn leven van hoogst individuele liefdesverwikkelingen en filosofische bespiegelingen in de hotelkamers en cafés van Montparnasse. Hij ontdekt de politiek, en die zou hij de rest van zijn leven niet meer uit het oog verliezen. Na de schemeroorlog (hij werkt voor de meteorologische dienst), wordt hij zonder een schot gelost te hebben krijgsgevangen gemaakt. Later zou hij verklaren dat zijn tijd in het kamp de gelukkigste in zijn leven was geweest: de last van de vrijheid weegt minder zwaar in gevangenschap – je hebt niets meer te kiezen –, net als de eenzaamheid, die verzacht wordt door de gedeelde ellende en haat jegens de Duitse bewakers. Na zijn vervroegde vrijlating in maart 1941 (dankzij Simone de Beauvoir, maar biografen zijn het er niet over eens hoe ze dit voor elkaar heeft gekregen, via contacten met collaborateurs of niet…) kennen vrienden hem niet meer terug. Ineens heeft hij de mond vol over de noodzaak tot engagement, hij praat bijna nergens anders meer over. 

Tijdens de oorlog worden zijn eerste toneelstukken opgevoerd en publiceert hij zijn filosofische hoofdwerk. Zijn relaties met het verzet en de collaboratie zijn troebel (hij heeft goede contacten met beide kanten), maar zijn sympathie gaat in toenemende mate uit naar de communisten. In 1945 richt hij – met De Beauvoir, Merleau-Ponty, een fenomenoloog die gewezen heeft op het grote belang van het lichaam in onze percepties, en Raymond Aron, een politiek conservatieve denker en invloedrijke journalist – het tijdschrift Les Temps modernes op, dat een grote rol zou spelen in de naoorlogse debatten. Als eerste schrijft hij artikelen over het antisemitisme dat de uit de kampen terugkerende Joden blijft treffen en over het racisme in de Verenigde Staten. Later zou Sartre het merendeel van zijn vrienden (onder wie Camus) van zich vervreemden met zijn steeds extremere links activisme.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville
 

Mao

Naarmate de jaren vijftig vorderen neemt Sartre langzaam maar zeker afstand van zijn vroegere ideeën. Hij is er meer en meer toe geneigd om zijn eigen eerdere filosofie te beschouwen als een bourgeois-ideologie. In grote lijnen komt zijn standpunt er nu op neer dat de vrijheid van een individu geen enkele betekenis heeft zolang de mensheid niet bevrijd is, zolang niet iedere mens vrij is. In Critique de la raison dialectique I (1960, het tweede deel verschijnt pas na zijn dood) probeert hij het existentialisme met het marxisme te verzoenen. Hij zet zich in voor de Algerijnse onafhankelijkheid en moet daarvoor bijna met zijn leven betalen als de voordeur van zijn huis wordt opgeblazen door een (verboden) radicaal rechtse organisatie.

Samen met De Beauvoir maakt hij reizen naar Cuba, Rusland en China, waar ze zich laten fotograferen met onder anderen Mao en Castro. Als schrijver en mediafiguur is Sartre nog altijd wereldberoemd – in 1964 wint hij zelfs de Nobelprijs, die hij weigert –, maar zijn rol als filosoof is grotendeels uitgespeeld. Iedereen die zichzelf uitroept tot een woordvoerder van de slachtoffers van het kapitalistische systeem of de kolonialistische onderdrukker kan op zijn sympathie rekenen, ook al is de politiek leider in kwestie een massamoordenaar. Hij relativeert of ontkent de goelag om de anticommunisten niet in de kaart te spelen en hij rechtvaardigt de aanslag op de Israëlische atleten op de Olympische Spelen in 1974, want, zo stelt hij, terrorisme is het enige wapen van de armen. 

Een andere schaduwzijde van Sartre is zijn gedrag tegenover vrouwen. De ongelijkheid in hun relatie en de manier waarop hij Simone de Beauvoir behandelde zijn vaak aangekaart in artikelen en boeken, niet alleen van feministen. Een bekende van Sartre tekende ooit het volgende gesprek op:
 
Olivier Todd: ‘Hoe doe je dat toch met al die vrouwen tegelijkertijd?’
Sartre: ‘Heel veel liegen.’
Todd: ‘Ook tegen Castor?’ (‘Castor’ was de bijnaam van De Beauvoir.)
Sartre: ‘Vooral tegen Castor!’

Sartre was een macho – een kind van zijn tijd, zou je het ook onexistentialistisch kunnen zeggen –, en hij heeft vaak misbruik gemaakt van zijn positie als invloedrijke intellectueel om vrouwen in zijn bed te krijgen. In ons tijdperk van Twitter en andere sociale media zou hij het ongetwijfeld zwaar te verduren hebben gekregen. Het is niet uitgesloten dat Simone de Beauvoir haar boek over Sartres laatste jaren, Het afscheid – waarin ze meedogenloos verslag doet van de incontinentie en het chronisch alcoholisme van de (na twee herseninfarcten) inmiddels blinde filosoof –, geschreven heeft als een al dan niet onbewuste wraakoefening. 

Politiek gezien wordt Sartre aan het einde van zijn leven steeds radicaler. Waar hij in de jaren vijftig nog twijfelde over zijn steun aan de communistische partij (al zou hij na een reis in Rusland wel beweren dat de vrijheid om kritiek uit te oefenen totaal was in de USSR), kiest hij na mei ’68 openlijk de kant van de maoïsten. Hij wordt zelfs een keer opgepakt door de politie als hij op straat hun verboden blaadje vent, maar wordt direct weer vrijgelaten. Want, zo zei de toenmalige president De Gaulle, ex-generaal en leider van het vrije Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog, een Voltaire arresteert men niet. 

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Begrafenisstoet

Sartre sterft op 15 april 1980. Het afscheid is groots: tienduizenden mensen volgen de begrafenisstoet door de straten van Parijs naar de begraafplaats van Montparnasse. Sartre kan in veel opzichten als de grootste filosoof van de twintigste eeuw beschouwd worden. Alleen bij hem kunnen we de ontwikkeling volgen van een metafysische systeembouwer (op de manier van Kant, Hegel en Marx) naar de publieksfilosoof die ook journalist en politiek activist is. Maar hij is veel meer dan een illustratie van de geschiedenis van de filosofie in de afgelopen honderd jaar. Sartre staat als bijna geen ander aan de basis van onze hedendaagse fascinatie voor de strijd van minderheden en slachtoffers (vermeend of niet), en in dat opzicht is zijn invloed op het huidige ideologische klimaat nog altijd gigantisch te noemen. 

Maar misschien ligt zijn relevantie elders. En wel in het krachtige appèl van zijn oorspronkelijke vrijheidsidee. Er is veel voor te zeggen dat de jonge Sartre de radicale politisering van de oude Sartre beschouwd zou hebben als een vorm van kwade trouw. Als een manier om je via een collectieve strijd een identiteit te verschaffen waardoor je kunt ontsnappen aan de eenzame en onontkoombare last van de vrijheid. In dat opzicht werpt de jonge Sartre ook een interessant licht op het huidige debat over identiteitspolitiek: van LGBT-activisten, militante feministen en racisme- en islamofobiebestrijdende bewegingen tot boze witte mannen – tegenwoordig lijkt iedereen vooral de geborgenheid van de groep op te zoeken en daarmee te ontsnappen aan de last van de vrijheid.

Hoe het ook zij, de belangrijkste les van Sartre blijft toch dat we ons eigen leven moeten leiden, ook al zijn de omstandigheden nog zo tegen ons. Het laatste woord is aan hem. Het komt uit een van zijn filosofische verzamelbundels (Situations, 1976) en het drukt op een mooie manier de tragische en paradoxale positie van de mens uit: ‘Men doet niet wat men wil en toch is men verantwoordelijk voor wat men is.’