Home Bestaat er vooruitgang?

Bestaat er vooruitgang?

Door Jabik Veenbaas op 27 mei 2014

Cover van 06-2014
06-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Het debat tussen conservatief en progressief houdt nooit op. Een klassieker in deze discussie is Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie van de Duitse filosoof Hegel. Eindelijk verschijnt – na bijna 200 jaar – een Nederlandse vertaling van dit standaardwerk.

Het verhaal gaat dat Georg Wilhelm Friedrich Hegel op 14 juli 1793 samen met zijn vrienden Hölderlin en Schelling om de vrijheidsboom danste op een veldje bij de stad Tübingen, waar het drietal studeerde. Daarbij zouden ze de Marseillaise hebben aangeheven, het nieuwe strijdlied van de Franse Revolutie, en wel in Schellings vertaling.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit is waarschijnlijk een mythe, maar die vormde zich in dit geval niet voor niets. De drie jonge vrienden – Hegel was indertijd 22 jaar – waren vol enthousiasme over de Franse Revolutie en hoopten ook op veranderingen in de Duitse vorstendommen. Ze lazen alle drie het blad Minerva, dat bol stond van de revolutie-idealen. Schelling maakte inderdaad een Duitse vertaling van de Marseillaise. En Hegel was lid van een debatclub in Tübingen, waar vurig over de nieuwe Franse idealen werd gedisputeerd.

De Franse Revolutie is Hegel altijd blijven fascineren. Ook in Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie (Grundlinien der Philosophie des Rechts) uit 1821, toen Hegel inmiddels een bedaagde heer van 51 was, stelt hij het uitvoerig aan de orde. Maar van naïeve strijdliederen is allang geen sprake meer. Hegel heeft het nu over een ‘ontzettend schouwspel’ en een ‘ten hemel schreiende gebeurtenis’. In Fenomenologie van de geest, een eerder werk, had hij de term ‘Schrecken’ gebezigd: verschrikking.

Hegel denkt dan uiteraard aan de jakobijnse Terreur. De revolutionaire idealen leken te zijn gesmoord onder de guillotine. Wat was er toch misgelopen? Deugden die idealen zelf eigenlijk wel? Al in 1790 overigens, toen er nog lang geen sprake was van terreur, had Edmund Burke in zijn Reflections on the Revolution in France voorspeld dat de revolutie Frankrijk op rampzalige wijze zou ontwrichten. Hij had ervoor gepleit de oude verbindende factoren van de samenleving, de godsdienst en de aristocratische moraal vast te houden. Dat leverde hem al snel heftige replieken op van denkers als Mary Wollstonecraft en Thomas Paine, die hartstochtelijk de zijde kozen van de revolutionaire idealen. In zekere zin vormde zich hier de moderne politieke arena – het oerdebat tussen conservatief en progressief.

Zoals veel fellow-travelers van de Franse Revolutie reageerde Hegel geschokt op het schrikbewind van Robespierre. Toen in 1794 de wrede jakobijn Jean-­Baptiste Carrier werd onthoofd, schreef hij aan Schelling dat nu ‘de volstrekte verdorvenheid van de partij van Robespierre’ aan het licht was gekomen. Maar hij bleef geloven in de revolutionaire idealen die volgens hem de morele en geestelijke hervorming in Duitsland mogelijk moesten maken.

Hij hield deze mening toen Napoleon zijn dictatoriale regime vestigde. Hegel vond zelfs dat Napoleon grote betekenis had voor de vernieuwing van Europa. Toen Napoleon op 13 oktober 1806 Jena innam, schreef hij zijn vriend Niethammer vol ontzag: ‘Ik zag de keizer – deze wereldziel – voor een inspectie door de stad rijden; het is inderdaad een wonderlijke gewaarwording om een dergelijk individu te zien, dat hier […] zittend op een paard, de wereld omvat en beheerst.’
Onder Napoleons bewind maakte Europa ingrijpende veranderingen door op maatschappelijk en staatkundig terrein. Toen hij ten val kwam, brak de Restauratie aan, de periode waarin Europa staatkundig en constitutioneel opnieuw moest worden ingericht. In de jaren 1814-1815 vond het Congres van Wenen plaats: de alliantie tegen Napoleon confereerde over het ‘herstel’ van Europa.
Zonder meer terugkeren naar het oude Europa, naar de tijd van het versplinterde Heilige Roomse Rijk, de adellijke privileges en het lijfeigenschap, was echter onmogelijk. Vrijwel iedereen besefte dat ook het regime van Napoleon tot nuttige en noodzakelijke sanering had geleid. Het debat tussen conservatief en progressief, tussen behoudend en liberaal, dat in het kielzog van de Revolutie was ingezet, werd hernomen, maar onder nieuwe voorwaarden. Welke constitutionele vorm moesten de staten in het onverbiddelijk veranderde Europa aannemen? Hoe moest er in het post-Napoleontische tijdperk met de rechten van de burgers worden omgegaan?
 

Wereldgeest
In de context van deze problematiek moeten de colleges rechtsfilosofie worden geplaatst die Hegel in de jaren 1817-1818 gaf in Heidelberg en van 1818 tot 1825 in Berlijn. Als leidraad bij die colleges publiceerde hij in 1821 Hoofdlijnen.

Toen Hegels rechtsfilosofie van de persen rolde, was zijn filosofische systeem al uitgekristalliseerd in een reeks lijvige werken. In die werken had Hegel beargumenteerd dat hij de rede niet zag als een statische instantie die de werkelijkheid structureert, zoals zijn grote inspiratiebron Kant, maar als een alomvattende ‘wereldgeest’, die in samenhang met die werkelijkheid een sociale en historische ontwikkeling doormaakt. Deze wereldgeest realiseert van lieverlee de tot zijn wezen behorende vrijheid, een proces dat uiteindelijk culmineert in een stadium van zelfreflectieve vervulling. Hegel noemde dat laatste stadium dat van de filosofie van de geest, en bracht daarin drie substadia aan. Zijn rechtsfilosofie richt zich op het tweede substadium, dat van de objectieve geest – dat wil zeggen, op de fase waarin de vrijheid concrete vorm aanneemt.

Hegel hanteerde in de Hoofdlijnen zelf de volgende formulering: ‘Het rechtssysteem is zo het rijk van de verwerkelijkte vrijheid, de wereld van de geest, die, als zijn tweede natuur, uit die geest zelf is voortgebracht.’ Deze uitspraak moet worden bekeken in het perspectief van Hegels kritische omgang met Kant. Ook Kant had een rechtsfilosofie geschreven, als onderdeel van zijn Fundering voor de metafysica van de zeden. Kant had het rechtsbegrip daarin helemaal ondergeschikt gemaakt aan zijn ethiek en dus aan zijn onvoorwaardelijke zedelijke wet, de categorische imperatief, die inhield dat een mens zodanig moest handelen dat het beginsel van zijn handelen kon gelden als algemene wet. Hegel leverde stevige kritiek op Kants categorische imperatief. Hij vond die te abstract en te inhoudsloos om als grondslag voor de ethiek en het recht te kunnen dienen. Je kunt Kants universaliseringsbeginsel immers verbinden met elke impuls die je aan je handelen meegeeft, zegt Hegel, en op zo ‘elke onrechtmatige en niet-morele handelwijze’ rechtvaardigen.

Kants benadering van de ethiek was weliswaar van groot historisch belang, omdat zich daarin de subjectieve vrijheid van de mens manifesteerde, maar ze volstond niet om die vrijheid werkelijkheid te laten worden. Aan die vrijheid moest inhoud worden gegeven met wetten en instellingen. De sfeer van de moraliteit, zegt Hegel, diende plaats te maken voor die van de zedelijkheid. Want de mens kan zijn vrijheid niet realiseren in isolement; hij moet dat juist in en met behulp van de sociale verbanden doen waarvan hij deel uitmaakt. Hegel probeert zijn ideale samenleving dan ook zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de verbanden die zich op natuurlijke en historische wijze hebben gevormd. De gemeenschap begint bij de familie. Die familie vertakt zich, wanneer de kinderen op eigen benen komen te staan, in een veelheid van gezinnen, waarmee ze aan de basis staat van de burgerlijke maatschappij. Hegel schetst vervolgens een soort maatschappelijk middenveld, waarbij de burger onderdak krijgt in beroepsmatig georganiseerde standen. En het maatschappelijke bouwwerk wordt verankerd en voltooid in de staat, die bij hem de vorm aanneemt van een constitutionele monarchie.

Hegels Hoofdlijnen is dus veel meer dan een theorie van het recht alleen. Hij probeert de contouren te schetsen van de ideale moderne samenleving en de ideale moderne staat. In de ideale staat zoals Hegel zich die voorstelde, zouden de euvelen die de Franse Revolutie hadden laten ontsporen, definitief onmogelijk zijn geworden. De Terreur had duidelijk gemaakt dat je een staat niet helemaal van voren af aan en louter op grond van bedachte principes moest construeren. Hegels kritiek op de Franse Revolutie herinnert in dat opzicht aan de kritiek van Burke. Maar anders dan Burke pleit hij niet voor terugkeer naar de traditie omwille van de traditie, maar voor een staat die voldoende bindende factoren bezit om bestendig te kunnen zijn en toch is gegrondvest op moderne redelijke principes.
 

Totalitaire cocktail
Wanneer je Hegels Hoofdlijnen terzijde schuift als het werk van een verstokte reactionair of dat van een geborneerde Pruisische staatsfilosoof, doe je het zeker tekort. Het behoort tot de grote cultuurtheorieën uit het tijdperk na de Franse Revolutie. Toch is Hegel met dit boek niet de gezaghebbende vormgever van de moderne westerse staat geworden. Met zijn sociaal-historische perspectief op het vrijheidsbegrip bracht hij weliswaar zinvolle correcties aan op de wereldvreemde manier waarop denkers als Rousseau en Kant met dat begrip waren omgegaan, maar hij was zo bang voor anarchie en ontworteling dat hij de mens van de weeromstuit in een verstikkend gemeenschapskeurslijf perste.

Dat valt met name op in zijn staatsleer. Hegel prijst de scheiding der machten van Montesquieu: ‘een zeer belangrijke bepaling, die terecht – namelijk wanneer ze in haar ware zin begrepen zou worden – als de garantie kan worden beschouwd van de openbare vrijheid’. Montesquieu had gehamerd op het belang van scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht om het individu te beschermen tegen tirannieke willekeur. Maar dan meent Hegel Montesquieu te moeten verbeteren. Want in de door Montesquieu bepleite machtsscheiding zou ‘de verwoesting van de staat’ worden ‘geponeerd’: de staat zou uit elkaar vallen en zijn ondergang tegemoet gaan. Maar wanneer hij zijn eigen variant op de scheiding der staatsmachten voor het voetlicht brengt, wordt duidelijk dat het individu in zijn staatsopvatting aan de goden is overgeleverd. Hegel onderscheidt respectievelijk een wetgevende, een regerings- of uitvoerende macht en een vorstelijke macht. Van werkelijke machtsdeling is echter helemaal geen sprake, want de macht van de regering, zo wordt ons te verstaan gegeven, omvat ‘ook de rechterlijke en de politionele macht’. Ook in de wetgevende macht ‘zijn in de eerste plaats twee andere momenten werkzaam: het monarchale, dat de hoogste beslissing ten deel valt, en de regeringsmacht, het adviserende moment met de concrete kennis en het overzicht over het geheel’. Bovendien geeft Hegel dan nog hooghartig lucht aan zijn verachting voor de wil van de gewone burger: ‘Te weten wat men wil […] is de vrucht van diepe kennis en inzicht, die nu juist geen zaak van het volk zijn.’
Roer die ingrediënten met ferme hand dooreen en het levert een bedwelmende totalitaire cocktail op. De twee kamers die Hegel voorstelt, bemand met vertegenwoordigers uit de standen, krijgen van Hegel slechts een aanvullende en adviserende rol, en zullen geen tegenwicht bieden.

Hegels onvermogen om in zijn staatsleer voldoende ruimte te geven aan het individu en de individuele vrijheid, moet worden bezien tegen de achtergrond van zijn hele filosofische systematiek. Hegel zag de wereldgeschiedenis als de noodzakelijke, dialectische beweging van een omvattend zelfbewustzijn dat van lieverlee tot zichzelf kwam. Ook in die beweging was het individu een factor van ondergeschikt belang. Hegels vrijheid bleef daardoor te zeer de vrijheid van een allesverslindende moloch. Individualiteit en pluraliteit staan in zijn wijsbegeerte van meet af aan onder druk.
 

Onder vuur
Op de slotpagina’s van de Hoofdlijnen plaatst Hegel zijn visie op staat en samenleving in het raamwerk van de wereldgeschiedenis. Die ziet hij als een proces waarin sprake is van steeds toenemende vervolmaking. Hegel bouwt hier nadrukkelijk voort op in de nadagen van de Verlichting geformuleerde vooruitgangstheorieën, van filosofen als Kant, Gotthold Ephraim Lessing en Johan Gottfried von Herder. Lessing publiceerde in 1780 Die Erziehung des Menschengeschlechts, en naar dat werk verwijst Hegel in feite wanneer hij schrijft: ‘De vraag over de perfectibiliteit en de opvoeding van de mensheid hoort hier thuis.’ Hegel ziet dergelijke vooruitgangstheorieën als vooroefeningen voor zijn eigen theorie van zelfontplooiing van de geest. Hij onderscheidt vier historische stadia, en daarmee vier ‘wereldhistorische rijken’: achtereenvolgens het oosterse, het Griekse, het Romeinse en het Germaanse rijk. In het Germaanse rijk komt de wereldgeest ten langen leste tot zichzelf. In het deftige, zelfgenoegzame jargon van Hegel: ‘Zo is de waarachtige verzoening objectief geworden, waardoor de staat tot beeld en werkelijkheid van de rede wordt ontplooid.’

Hegels filosofie van de geschiedenis is in de tweede helft van de twintigste eeuw zwaar onder vuur genomen. Dat kwam vooral doordat zijn grondgedachte, zijn idee dat de geschiedenis verliep volgens noodzakelijke dialectische stadia, via de leer van Marx een kwalijke reputatie had opgebouwd in een aantal communistische dictaturen. Karl Popper heeft in De open samenleving en haar vijanden vernietigende kritiek geuit op Hegels historische noodzakelijkheidsleer, op diens historicisme, zoals hij het noemde. De geschiedenis, verklaarde Popper, kent geen noodzakelijke ontwikkeling en geen intrinsiek doel, maar moet worden gezien als een toevallige opeenvolging van gebeurtenissen. Ook voor Hegels staatsleer had Popper geen goed woord over. Hij meende dat die vooruitwees naar Hitler en Stalin, en typeerde Hegel als de missing link tussen Plato en de twintigste-eeuwse dictaturen.

Popper heeft de zwakke plekken in Hegels filosofie met recht onbarmhartig onder het vergrootglas gelegd. Maar zijn kritiek bevatte grove vertekeningen en hij heeft zeker niet het laatste woord over Hegel gesproken. Hegels kritiek op de te abstracte en atomistische individualiteit van de verlichtingsdenkers voedt het filosofische debat tot op de dag van vandaag. Zo ziet de Canadese communitarist Charles Taylor Hegel als de filosoof bij uitstek die uitdrukking heeft weten te geven aan de spanning tussen twee bepalende elementen van onze cultuur: het sceptische vrijheidsstreven van de Verlichting en de hang naar gemeenschap en traditie van de Romantiek. En nog betrekkelijk kortgeleden beleefde Hegels geschiedopvatting een opmerkelijke wederopstanding in het boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama. Fukuyama greep terug op Hegels idee dat de geschiedenis één universele, vrijheidsgerichte ontwikkeling vormde en meende, zij het niet geheel zonder kanttekeningen, dat de liberale democratie als uitkomst van die ontwikkeling kon worden gezien.

Denkers als Taylor en Fukuyama tonen aan dat je Hegel nooit te gemakkelijk moet afschrijven en dat ook zijn rechtsfilosofie nog altijd uitnodigt tot vruchtbare reflectie. Is er vooruitgang in de geschiedenis? Wat bedoelen we nou precies wanneer we het over vrijheid hebben? Hoe moeten we de verbrokkeling van onze samenleving tegengaan? Een filosoof die zich vandaag de dag met dergelijke vragen bezighoudt, zal het ongemakkelijke station van Hegels Hoofdlijnen op enig moment moeten passeren. Het is daarom belangrijk dat dit werk nu in het Nederlands is vertaald. Willem Visser, die eerder al de gevreesde Fenomenologie overtuigend bedwong, is erin geslaagd om ook het weerbarstige jargon van de rechtsfilosofie maximale helderheid te geven. Hij voorzag zijn vertaling bovendien van een flinke hoeveelheid nuttige aantekeningen. De Hoofdlijnen van de filosofie van het recht is een uitgave om trots op te zijn. De Nederlandse intellectueel kan deze even invloedrijke als controversiële klassieker nu eindelijk in de eigen taal te lijf.
 
Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie
Georg Wilhelm Friedrich Hegel
(Boom)
450 blz. / € 45,-