Home Filosofie en literatuur De literaire zone: Hölderlin
Filosofie en literatuur

De literaire zone: Hölderlin

Door Michel Dijkstra op 27 juni 2006

06-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

Friedrich Hölderlin beschouwt zijn geliefde Susette Gontard als een ‘heilig wezen’ dat zijn ogen heeft geopend voor de schoonheid van het leven. Portret van een hypersensitieve en visionaire dichter.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 Het leven van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) stond in het teken van genie en waanzin. Na een bliksemsnelle poëtische carrière, waarin hij naast honderden gedichten een roman schreef en Griekse toneelstukken vertaalde, sleet hij de laatste veertig jaar van zijn leven als krankzinnige in de toren van een timmerman te Tübingen. Bezoekers, door de dichter steevast met ‘Uwe Koninklijke Hoogheid’ of ‘Uwe Excellentie’ aangesproken, wisten nauwelijks tot hem door te dringen. In zijn toren hield Hölderlin zich voornamelijk bezig met het schrijven van brieven aan zijn moeder, het eindeloos declameren uit zijn roman Hyperion en muzikale exercities op de piano die meestal in een kakofonie ontaardden. Soms schreef hij gedichten die iets van zijn vroegere helderheid weerspiegelden, zoals:
 
‘De lijnen van het leven zijn verschillend
Zoals wegen zijn en zoals grenzen van bergen.
Wat we hier zijn, kan een god daar aanvullen
Met harmonieën en eeuwig loon en vrede.’

Hölderlin werd in 1770 in Leuffen geboren. Zijn ouders wilden dat hij predikant werd maar uit angst dat hij dit beroep niet aankon, werd hij uiteindelijk privéleraar. Vanaf zijn vroegste jeugd ging Hölderlin gebukt onder overgevoeligheid, die hij door het schrijven van gedichten probeerde te kanaliseren. In brieven klaagde de jonge dichter dat hij door zijn intense beleving van de omgeving zichzelf steeds dreigde te verliezen. Lichtpunten in zijn jeugd waren de vriendschappen met de filosofen Georg Friedrich Hegel en Friedrich Schelling die hij tijdens zijn studietijd in het klooster van Tübingen sloot.

De belangrijkste gebeurtenis uit Hölderlins leven was zijn liefde voor Susette Contard, de vrouw van zijn werkgever. De dichter sprak haar in brieven, gedichten en zijn roman aan als Diotima, de vrouw die Socrates in de geestelijke liefde inwijdde (in Plato’s beroemde dialoog Het Gastmaal). Hölderlin beschouwde Susette als een ‘heilig wezen’ dat zijn ogen voor de schoonheid van het leven en de wereld had geopend. Susette beantwoordde zijn liefde en ondernam pogingen om Hölderlins onrustige gemoedstoestand te stabiliseren.

Na haar dood in 1800 belandde de dichter in een diepe depressie en meldde aan een vriend dat hij ‘door Apollo was geslagen’. In 1802 ondernam hij een voettocht naar Bordeaux, waar hij een baan had gevonden als privéleraar van de kinderen van de consul van Hamburg. Hij beschreef zijn reis en het verblijf in Bordeaux in Andenken (Herinnering), één van zijn bekendste gedichten. Bij zijn terugkeer in Duitsland, een half jaar later, was hij al volledig geestesziek.
 
Hölderlins poëzie kenmerkt zich door een intens gedragen, verheven toon. De dichter lijdt aan zijn eigen tijd en blikt terug naar het oude Griekenland waarin de mens nog een authentiek leven kon lijden. Naast treurnis over het verzonken verleden wordt Hölderlins oeuvre beheerst door een visionaire blik. In zijn laatste werk, dat geheel uit groots opgezette hymnen bestaat, voorpelt de dichter de terugkeer van de goden, een wedergeboorte van de Griekse geest uit het Duitsland van zijn tijd en een synthese tussen het Christendom en de Griekse religie.

Een treffend voorbeeld van Hölderlins rijpe stijl is de onvoltooide hymne Wie wenn am Feiertage (Zoals op een feestdag). In dit rijmloze gedicht komt een ander belangrijk thema uit zijn poëzie aan de orde, namelijk de verheerlijking van de natuur. Het gedicht begint met een beschrijving van het ontwaken van de natuur door een onweersbui. Dan schrijft de dichter:
 
‘Jetzt aber tagts! Ich harrt und sah es kommen,
Und was ich sah, das Heilige sei mein Wort.
Denn sie, sie selbst, die älter denn die Zeiten
Und über die Götter des Abends und Orients ist,
Die Natur ist jetzt mit Waffenklang erwacht
 
(…) uns gebührt es, unter Gottes Gewittern,
Ihr Dichter! mit entblößten Haupt zu stehen,
Des Vaters Strahl, ihn selbst, mit eigner Hand
Zu fassen und dem Volk ins Lied
Gehüllt die himmlische Gabe zu reichen.’
 
Met zijn hypergevoelige blik aanschouwt de dichter het ontwaken van de natuur en ervaart dat als het heilige. Vanuit deze ervaring is het de taak van de poëten om de bliksemflits van Zeus (symbool voor de zich constant vernieuwende natuur) vast te grijpen en de lezer iets van deze elementaire kracht in zijn gedichten mede te delen.

Aardbeving
In zijn studententijd werd Martin Heidegger (1889-1976) naar eigen zeggen ‘als door een aardbeving’ getroffen door de publicatie van Hölderlins Sophocles-vertalingen en enkele teruggevonden late hymnen. Later hield de filosoof hield zich gedurende enkele decennia intensief met de dichter bezig en verwerkte elementen uit Hölderlins werk in zijn filosofie.

Heidegger stelt zich in zijn hoofdwerk Sein und Zeit de vraag waarom de westerse filosofie zich alleen bezig houdt met de ‘zijnden’, de dingen en niet met het Zijn zelf. Het Zijn is geen zijnde, maar verleent de dingen zijn zin. Volgens Heidegger wist alleen de klassieke Griekse filosofie de vraag naar het Zijn te stellen en is het Zijn vervolgens eeuwenlang vergeten.

De filosoof herkende in Hölderlin het lijden aan de eigen tijd en het terugverlangen naar de klassieke Oudheid. Maar Heideggers fascinatie voor zijn landgenoot ging verder. In later werk stelt de denker dat ‘de taal het huis is van het Zijn’. Het Zijn manifesteert zich aan de mens bij uitstek in (dichterlijke) taal. Hölderlin was voor Heidegger de dichter der dichters, een figuur die het Zijn diep ervaren heeft en dit aan zijn lezers kon tonen.

De verbondenheid van Heideggers filosofie met Hölderlins dichtwerk wordt goed duidelijk door de interpretatie van Wie wenn am Feiertage. Heidegger stelt dat je de natuur in het gedicht als het Zijn moet duiden, dat ouder dan de tijden is en daarom als mogelijkheidsvoorwaarde tot elk tijdsverloop fungeert. De dichter aanschouwt het Zijn en benoemt dit als het ‘Heilige’.
 
In die zin heeft de dichter een diepere visie dan de filosoof. ‘Der Denker sagt das Sein. Der Dichter nennt das Heilige’, schrijft Heidegger in Wat is metafysica? Hölderlin was in staat om terug te keren tot de zuivere blik van de oude Grieken. Hij kon het Heilige laten zien aan iedereen die hem las en begreep. Daarom was Hölderlin voor Heidegger een baken van licht in een tijd die steeds meer door kille technologie werd beheerst.
Dat het intens aanschouwen van de Natuur, het Heilige of het Zijn ook een gitzwarte keerzijde heeft, wist Hölderlin als geen ander. Wie wenn am Feiertage besluit dan ook met de volgende, wanhopige regels: ‘Wee mij! Als ik zeg dat ik de hemelbewoners mag aanschouwen,/ werpen ze mij diep onder de levenden/ in het duister.’