Home IJzeren Lijst IJzeren Lijst 6. The Open Society van Karl Popper
IJzeren Lijst Politiek

IJzeren Lijst 6. The Open Society van Karl Popper

In The Open Society and its Enemies wijst Karl Popper (1902-1994) het idee af dat de geschiedenis zich volgens bepaalde wetten voltrekt.

Door Alexandra van Ditmars op 13 januari 2015

Karl Popper wetenschapsfilosoof filosoof The Open Society falsificationisme

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

The Open Society and its Enemies is zijn politieke hoofdwerk, dat uit twee delen bestaat. Het is een radicale aanval op wat Popper zag als de wortels van het kwaad: de totalitaire tendensen in het werk van Plato, Hegel en Marx. Daar tegenover betoogt  hij een liberale, democratische maatschappij waarin vrijheid van denken en spreken centraal staat, die hij de ‘open samenleving’ noemt. In deze samenleving leven kritische burgers, die met een rationele houding met elkaar in discussie treden.

Popper schrijft  het werk – dat in 1950 in het Nederlands vertaald is als De open samenleving en haar vijanden – tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel hiervan bevindt hij zich in Nieuw-Zeeland; na de Anschluss van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland was Popper wegens zijn joodse afkomst genoodzaakt Wenen te ontvluchten. In het voorwoord van de tweede druk schreef Popper dat de toon van het werk wellicht strenger en emotioneler is uitgevallen vanwege de oorlogstijd.

Dat is met name zichtbaar in het eerste deel, ‘De betovering van Plato’, waaruit een grote, machteloze woede en walging spreekt. Plato’s ideale staat, zoals hij beschrijft in De Staat en De Wetten, loopt volgens Popper onvermijdelijk uit op onderdrukking. Het is een ‘gesloten’ staat, die niet open staat voor verandering en waarin burgers worden gezien als ‘menselijk vee’. Deze maatschappij wordt geleid door machthebbers die zich superieur voelen, en waarin geen sprake is van humanistische, egalitaire normen. Bovendien zet Plato zichzelf vervolgens neer als geschikte leider. Snerpend merkt Popper op dat Plato’s leermeester Socrates – die gedwongen was tot het drinken van de gifbeker – zich in deze samenleving waarschijnlijk niet eens openbaar had mogen verdedigen. Ondanks het feit dat Plato zijn werken honderden jaren voor Christus schreef, ziet Popper die al als een blauwdruk voor het fascisme. Hij ziet het als noodzakelijk om de totalitaire tendensen uit Plato’s politieke filosofie te halen en uit te lichten. Gehoorzaamheid wordt door Plato boven kritische geesten en vrijheid van meningsuiting gesteld, vindt Popper, waardoor het individu wordt opgeofferd en fascisme onvermijdelijk is.

In het tweede deel, ‘Hegel en Marx’, gaat Popper minder fel, maar niet minder kritisch te werk. Hegel zet hij neer als een levensgevaarlijke oplichter en de grondlegger van het moderne absolutisme. Hij verwijt hem dat hij de staat immer boven het individu plaatst. Ook haalt Popper sterk uit naar Hegels historicisme, het idee dat de geschiedenis zich voltrekt volgens een ijzeren logica.

Marx krijgt iets meer krediet, omdat hij tenminste een open samenleving als ideaal beoogde. Hierdoor is hij als enige een oprechte filosoof, in tegenstelling tot de andere twee ‘vijanden van de open samenleving’. Uiteindelijk moet Marx het toch ontgelden, omdat ook hij gelooft in historische wetmatigheden.

Zelf definieert Popper historicisme als ‘de benadering in de sociale wetenschappen die aanneemt dat historische voorspelling haar voornaamste taak is’. Dit doel zou te bereiken zijn door bepaalde ‘lijnen’ en ‘patronen’ in het verloop van de geschiedenis te ontdekken. Oftewel: het idee dat de geschiedenis zich volgens bepaalde wetten voltrekt, heeft als gevolg dat je denkt dat je op basis daarvan voorspellingen voor de toekomst kunt maken.

Deze gedachte is een grote bedreiging voor de democratie, legt Popper uit: als het verloop van de geschiedenis immers vastgelegd –en daarmee onvermijdelijk – is, hoeft er geen rekening gehouden te worden met wat andere mensen over  de politiek of de samenleving denken, en heeft het ook weinig zin er over na te denken. Totalitarisme wordt hierdoor in zekere zin gelegitimeerd. Zo kunnen mensen die ‘niet passen’ in de tijd zonder pardon geëlimineerd worden, omdat ze ‘niet horen’ in de voorspellingen die over de toekomst gemaakt zijn; en kunnen mensen die kritische kanttekeningen bij het politieke beleid maken weggezet worden als psychisch gestoord, aangezien dit beleid nu eenmaal ‘hoort te gebeuren’.

Ook waarschuwt Popper voor utopieën, die zijns inziens altijd totalitair uitpakken. In het streven naar een ideale maatschappij wordt altijd de vrijheid van het individu opgeofferd voor het hogere doel.

Dit had hij met eigen ogen gezien, toen hij in zijn jongere jaren enige tijd overtuigd communist was. Hij brak daar resoluut mee toen de communistische partij arbeiders aanzette tot het bestormen van een politiebureau waar enkele kameraden vastzaten. De politie opende vuur en twaalf mensen kwamen om het leven. Popper houdt de partijtop hiervoor verantwoordelijk; het is onacceptabel mensenlevens op te offeren voor een hoger doel. Omwille van een toekomstvisie vergoelijk het communisme geweld en onderdrukking. Deze gebeurtenis was beslissend voor Poppers denken over utopieën en historicisme zoals hij uiteenzet in The Open Society and its Enemies.

In tegenstelling tot deze zogeheten utopian engineering, waarin sprake is van een specifiek toekomstbeeld dat wordt nagestreefd, worden in Poppers beoogde open samenleving verbeteringen juist stap voor stap doorgevoerd, zonder voorspellingen over de toekomst te maken. Piecemeal engineering noemt hij dit. Hij schrijft hierover: ‘De piecemeal engineer zal zoeken naar, en vechten tegen, het grootste en meest urgente kwaad van de maatschappij, in plaats van te zoeken naar, en te vechten voor, het hoogst haalbare doel’.

Het is niet de eerste keer dat Popper schrijft dat werkelijke vooruitgang slechts geleidelijke vooruitgang is. Eerder stelde hij dit al in zijn beroemde wetenschapsfilosofische werk The Logic of Scientific Discovery, waarin hij zijn methode van falsificatie uitlegt.

Volgens zijn falsificatiemethode moeten ideeën, wetten en theorieën altijd openstaan voor kritiek, ook als dat betekent dat ze worden verworpen. Sterker nog, verwerping en niet bevestiging is vooruitgang. Dat geldt voor zowel wetenschap als politiek.

Einstein inspireerde Popper tot het aannemen van deze houding. In Poppers tienerjaren werd de voorspelling van Einstein dat licht afbuigt bevestigd door een experiment. Popper zag dat Einstein bereid was zijn theorie te onderwerpen aan cruciale experimenten, en zo nodig te verwerpen.

In Poppers filosofie is sindsdien het openstellen voor empirische weerlegging, en dus voor falsificatie, altijd een fundamenteel aspect gebleven. Enkel falsificatie en verwerping bieden vooruitgang, stelt Popper, dus theorieën moeten op een dergelijke manier geformuleerd worden, dat falsificatie altijd mogelijk is. Toekomstvisies lenen zich hier niet voor. Die kunnen nooit gefalsifieerd worden, aangezien het onmogelijk is iets te verwerpen dat nog niet heeft plaatsgevonden. Daarom horen toekomstvisies noch in de wetenschap, noch in de politiek thuis.

The Open Society and its Enemies werd in meer dan twintig talen vertaald en maakte Popper wereldberoemd als politiek filosoof. Toch heeft hij ook veel commentaar op het werk ontvangen, met name over zijn genadeloze kritiek op Plato. Popper heeft achteraf toegegeven dat hij zich misschien wat hard had uitgedrukt, maar is er verder niet op ingegaan. Hij zag het boek als zijn verdediging tegen het fascisme.

Op latere leeftijd vestigt Popper zich in Londen, waar hij door koningin Elizabeth II geridderd wordt. Hij sterft op 92-jarige leeftijd en wordt begraven bij zijn vrouw, die reeds overleden was, in Wenen.