Home Zoeken naar de eerste oorzaak

Zoeken naar de eerste oorzaak

Gert-Jan van der Heiden beschrijft de geschiedenis van de metafysica – de tak van filosofie die de werkelijkheid als geheel bestudeert.

Door Hans Achterhuis op 30 april 2021

metafysica landschap bol beeld Yuya Murakami

Gert-Jan van der Heiden beschrijft de geschiedenis van de metafysica – de tak van filosofie die de werkelijkheid als geheel bestudeert.

Cover van 05-2021
05-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Er zijn van die boeken die ik, ondanks hun moeilijkheidsgraad, iedere serieus geïnteresseerde filosofische lezer van harte zou willen aanbevelen. Ook al begrijp je lang niet alles, als je ze uit hebt, geeft dat wel een weidser uitzicht en een dieper inzicht, dat je soms doet duizelen. Zelf had ik deze leeservaring met De eendimensionale mens (1964) van Herbert Marcuse in mijn studententijd en kort daarna met De menselijke conditie (1958) van Hannah Arendt. Met name bij dit laatste boek was ik me ervan bewust dat ik er soms weinig van begreep, maar dat hinderde nauwelijks bij het doorlezen. Het leidde wel tot herlezen en zoeken naar onder­steunende teksten en verdere uitleg.

Later overkwam dit me bij Zijn en tijd (1927) van Martin Heidegger en Bronnen van het zelf (1989) van Charles Taylor. Ik wist zeker dat ik de draagwijdte van met name het eerste boek lang niet helemaal gevat had, maar toch confronteerde het me met een waarheid, die – om maar meteen met Heidegger te spreken – uit de ‘onverbor­genheid’ tevoorschijn kwam om een nieuw licht op de werkelijkheid te laten schijnen. Tot mijn grote verrassing was ook het recente boek Metafysica. Van orde naar ontvankelijkheid van de Nijmeegse hoogleraar Gert-Jan van der Heiden zo’n onverwacht geschenk. Weer duizelde het mij na afloop, weer besefte ik dat ik lang niet alles begrepen had, weer kreeg ik een rijk overzicht dat veel te denken gaf. Dat had ik, zoals gezegd, niet verwacht.

Van der Heiden geeft een breed overzicht van de lange geschiedenis van de meta­fysica. Als wijsgerige discipline ging die bij Aristoteles uit boven de fysica. Die laatste onderzocht specifieke vragen en fenomenen in de natuur; de metafysica richtte zich op het algemene, op de werkelijkheid als geheel. Aristoteles formuleerde dit als het onderzoek naar ‘het algemeen zijnde’, naar ‘de uiteindelijke oorzaken van het zijnde als zijnde’. Dat klinkt zowel simpel als ondoorgrondelijk.

Elke week aan het denken worden gezet over de aard van de werkelijkheid? Schrijf u in voor de gratis nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief

Ontvang elke woensdag het laatste filosofie nieuws, de beste artikelen van de week en af en toe een aanbieding.
Ontvang wekelijks het laatste filosofienieuws, de beste artikelen en af en toe een aanbieding.

Waar komt dit soort zoeken vandaan? De grondstemming waaruit het voortkomt wordt in twee werkwoorden uitgedrukt, die beide in dezelfde richting wijzen: verwonderen en streven naar inzicht. De metafysische ervaring treedt op wanneer mensen hun vertrouwde zekerheden zien wankelen, wanneer ze zich, in vreugde of verdriet, verwonderen over de werkelijkheid. Dan ontstaat er een aporie, de weg naar het bekende loopt dood, er moet een nieuwe weg naar inzicht worden overdacht. Dat doen Plato en Aristoteles, dat doet na hen de middeleeuwse wijsbegeerte. Die haalt er wel de christelijke God als schepper bij om de werkelijkheid in een redelijke oorsprong te funderen.

Bij Aristoteles is God echter niet actief. Hij heet ‘de onbewogen beweger’. Hij trekt mensen als een magneet aan om naar de perfectie van het metafysische denken te streven. Van der Heiden zegt het met een hedendaags beeld: ‘Zoals andere voetballers er door het spel van Messi toe bewogen worden om beter te spelen, zo werkt ook de God van Aristoteles op het andere zijnde in. Messi zelf heeft echter geen weet van de (meeste) mensen die hem als voorbeeld zien en naar zijn voorbeeldige spel verlangen. Hij concentreert zich op zijn voetballende wezen.’

Het duizelde mij na het lezen van dit boek

Dat Van der Heiden deze vergelijking maakt, betekent allerminst dat hij vaak op zijn hurken gaat zitten om de lezer te behagen. Integendeel, die moet zich blijven inspannen. Het stoorde me wel dat ik deze passage met moeite kon terugvinden, omdat Messi in het personenregister ontbreekt. Achtte Van der Heiden de vergelijking toch te frivool?

Hoe dit ook zijn mag, wanneer Van der Heiden de metafysica langs drie thematische wegen bespreekt – te weten: zijn en schijn, taal en waarheid, zijn en grond – is hij ernstig en gedegen. Bij de tweede weg herinnert hij eraan dat de filosofie als metafysica haar rijk vestigt door de dichter, als verteller van mythen en verhalen, buiten te sluiten. Homerus, de vertellende opvoeder van de Grieken, krijgt geen toegang tot de republiek van de denkende filosofen.

In de derde weg gaat het erom dat elk zijnde door de rede begrepen kan worden als noodzakelijk gegrond in een oorzaak. Bij de achttiende-eeuwse filosoof Leibniz wordt dit verwoord in het bekende idee dat wij ondanks persoonlijke misère en verdriet in de best mogelijke van alle werelden leven. Daar mag Voltaire in zijn verhaal Candide op superieure wijze de spot mee drijven, Van der Heiden legt overtuigend en op heldere wijze – en wijdlopig – uit wat Leibniz hiermee bedoelde.

Voor die wijdlopigheid ben ik hem dankbaar. Die houdt in dat wendingen en thema’s die mij als lezer niet meteen duidelijk waren terugkomen om me bij mijn pogingen tot begrip te ondersteunen. Voor mij was dit bijvoorbeeld nodig om het denken van de twintigste-eeuwse Franse filosoof Gilles Deleuze over identiteit en verschil – dat ik hier niet ga proberen kort uit te leggen – enigszins te begrijpen. Deleuze hoort tot de post­moderne denkers die in het voetspoor van Nietzsche de metafysica ten grave wilden dragen. Nietzsche had het over de meta­fysicus ‘als een geweldig bouwgenie dat erin slaagt om op beweeglijke fundamenten en als het ware op stromend water torenhoog een oneindig gecompliceerde dom van begrippen te bouwen’. Dat liegt er als kritiek niet om.

Van der Heiden toont dat de metafysica bij Plato en Aristoteles ambiguer is dan vaak wordt voorgesteld

Van der Heiden doet enerzijds recht aan deze kritiek, maar laat anderzijds zien dat de metafysica bij Plato en Aristoteles meer ambigu is dan vaak wordt voorgesteld. Wanneer Plato bijvoorbeeld de dichters uit het rijk van de filosofie heeft verjaagd, heeft hij toch zelf ook weer een mythe nodig om dit rijk stevig te funderen. Daarom is het jammer dat Van der Heiden aan het slot van zijn boek, waarin hij een nieuwe ‘metafysica van de ontvankelijkheid’ ontwikkelt, de vertellers van verhalen en mythen niet openlijk terughaalt. Met een variatie op een uitspraak van de Nederlandse filosoof Petran Kockelkoren kun je zeggen dat de metafysica de wereld ordent en zo beheersbaar maakt, terwijl de mythe en het verhaal de wereld bewoonbaar maken.

Van der Heiden slaat deze weg van de narratieve filosofie, die Arendt bijvoorbeeld gegaan is, niet in. Hij stelt wel vragen bij de beheersbare orde die de metafysica belooft, maar doet dit langs andere wegen. Dit wil ik overigens niet als kritiek formuleren, maar eerder als supplement. Dit begrip van Jacques Derrida, die naast Deleuze uitvoerig besproken wordt, duidt op een aanvulling die mensen ertoe aanzet om nieuwe ervaringen op te doen. Zo komen bij de lezing van Metafysica op onweerstaanbare wijze nieuwe ideeën naar boven borrelen om als supplement de rijkdom van deze studie te onderstrepen.

Metafysica

Metafysica. Van orde naar ontvankelijkheid
Gert-Jan van der Heiden
Boom
352 blz.
€ 29,90