Volgens classicus en dichter Piet Gerbrandy (1958) is een gedicht ‘een resonantieruimte’, die je ‘met rust moet laten en de tijd moet gunnen om geheel zichzelf te zijn’. Hij heeft dat begrip overgenomen van filosoof Gerard Visser, vertelt hij. ‘Het gaat om een plek waar elementen van buiten samenkomen, maar waar de lezer ook zijn eigen denken en kijken op projecteert. Zo’n kunstwerk is niet vastgepind op één betekenis, hoewel het ook niet zo is dat de lezer vrij is er wat dan ook over te zeggen. Je bent gebonden aan wat er is en wat er ontstaat.’
De tijd is daarbij een belangrijke factor, meent Gerbrandy: ‘Als dichter voel ik dat er iets gaande is. Ik hoor bepaalde ritmes en regels, en die moeten dan rijpen. Er komt een moment waarop ik denk: nu moet het eruit. Meestal staat het dan vrij snel op papier, maar wat er staat, betreft vaak dingen die me al lang bezighouden. Een gedicht is een condensator waarin energie uit jaren en eeuwen is opgeslagen. Een goed gedicht heeft een weerbarstigheid: een remmend effect dat je dwingt om langzaam te lezen. Als lezer moet je een gedicht de tijd gunnen om alle lagen te laten opkomen.’
Gerbrandy publiceerde in 2025 Het woord en de wereld, een verzameling essays die hij de afgelopen jaren schreef. Daarin stelt hij dat poëzie ‘de taal is waarin we het diepste kunnen doordringen in wie, wat en waar we zijn’. Moderne dichters – denk Lucebert, H.C. ten Berge of Hans Faverey – doen hetzelfde als de klassieke, zoals Horatius, Pindarus en Sappho. Ze proberen een antwoord te vinden op vragen als: wat betekent het om een mens te zijn? Wat is liefde? Hoe kun je de dood begrijpen?
Piet Gerbrandy (1958) is dichter en classicus. Zijn poëzie is meermaals bekroond, onder andere met de Frans Kellendonk-prijs en de J. Greshoff-prijs. Hij vertaalde onder meer Boëthius’ Troost in filosofie uit het Latijn. In 2025 verscheen zijn essaybundel Het woord en de wereld.
Maar om een gedicht tot stand te brengen, zijn woorden alleen niet genoeg: auteur, tekst en lezer zijn van elkaar afhankelijk om tot een betekenisvolle symbiose te komen. Zo bezien is het een soort natuurverschijnsel, zegt Gerbrandy. In zijn boek vraagt hij zich af of het omgekeerde ook waar is: zouden we het universum, de natuur, de gemeenschap van levende organismen kunnen lezen alsof het literaire verschijnselen zijn, en zo inzichten kunnen verkrijgen die door de gangbare wetenschap niet worden geboden?
Ja, meent hij, want de poëtische blik sluit aan bij hoe wij de wereld begrijpen – de mens is immers een metaforisch wezen. ‘Hoe exact we ons ook willen uitdrukken, ons spreken is in essentie beeldtaal, omdat we nu eenmaal analogisch denken: in termen van gelijkheid, verschil en opeenvolging,’ aldus Gerbrandy. ‘De dichter Nachoem Wijnberg deed de opmerkelijke uitspraak dat de poëzie in zekere zin wetenschappelijker is dan de wetenschap zelf. Daar heb ik eindeloos over nagedacht, en ik denk dat hij gelijk heeft.’
Hoe is het mogelijk dat de poëzie wetenschappelijker is dan de wetenschap?
‘Omdat ze ambigu is. In een gedicht kun je twee dingen tegelijkertijd zeggen die allebei waar zijn – net zoals in de kwantumfysica deeltjes op verschillende plekken tegelijk kunnen zijn. Dat betekent dat je de paradox van de werkelijkheid in poëzie soms beter kunt benaderen, omdat je de meerkantigheid ervan kunt laten zien. In wetenschappelijke artikelen is dat meestal verboden en zodra je de religieuze of esoterische kant op gaat, wordt het zweverige kletspraat. Het aardige van poëzie is dat ze gebruikmaakt van intuïties die ver teruggaan in onze evolutie en die vervolgens zo exact mogelijk formuleert. Want daar gaat het om: een dichter is pas een goede dichter als hij de juiste woorden weet te vinden. Door de wijze waarop een gedicht tot stand komt, kan het wegen in het denken losmaken die je anders niet losmaakt.’
Moet je het gedicht daarvoor goed begrijpen?
‘Nee, dat hoeft niet. Als ik voor een schilderij van Jackson Pollock ga zitten, begrijp ik het ook niet. En toch blijf ik kijken, want er gebeurt iets. Dat is bij poëzie niet anders: je leest iets en dat kun je interpreteren, laten voor wat het is, of voor jezelf uit kan prevelen. Er is een studie gedaan naar mensen in concentratiekampen die tijdens de dwangarbeid gedichten opzegden. Daarbij ging het niet om de betekenis, maar om de klank, het ritueel, het verbonden zijn met een andere wereld. De meeste dichters willen echter niet alleen een autonoom object in taal maken, maar ook contact maken met de lezer. Dan vindt er onherroepelijk interpretatie plaats. Maar als het goed is, is die interpretatie nooit af.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Het cliché wil dat poëzie vooral om emoties draait. Maar een gedicht lijkt soms ook een koude, technische kant te hebben, waarbij het aankomt op exacte formuleringen of op een vaste vorm, zoals bij een haiku of een sonnet. Zit daar een tegenstrijdigheid in?
‘Poëzie is niet alleen vervoering en verbeelding, maar ook helder nadenken. Als dichter wil je zo precies mogelijk benaderen waar het om gaat. Woorden hebben een betekenis. Soms schrijf je iets in een roes op, maar ontdek je daarna dat twee strofen niet stroken. Dan moet je daar iets mee; je kunt dat veranderen of bedenken waarom het toch goed is dat het er zo staat. Dat zou ik ambachtelijkheid willen noemen. Je moet bovendien alle uithoeken van de Nederlandse taal kennen, en je Gorter en je Kouwenaar, want om iets nieuws te kunnen doen moet je weten wat er al bedacht is.’
U bent classicus en hebt veel werk van schrijvers en filosofen uit de oudheid vertaald. Wie is uw favoriet?
‘Ik ben de laatste tijd gericht op de late oudheid, de periode waarin het Romeinse Rijk uit elkaar valt, iets wat een ongebreidelde creativiteit teweeg heeft gebracht. Eén van mijn lievelingsdenkers is Boëthius, die na zijn terdoodveroordeling Troost in filosofie schreef. Hij wisselt proza en poëzie met elkaar af. In feite vat Boëthius de gehele klassieke filosofie samen; via Plato, Aristoteles en de Stoa probeert hij zijn lot te aanvaarden. In Troost zijn verschillende stemmen aan het woord die allemaal ontspruiten aan Boëthius’ brein. De poëzie vertolkt enerzijds een emotionele stem in dat geheel en anderzijds stelt de inzet ervan Boëthius in staat om de hele poëtische traditie mee te nemen: hij verwijst naar Homerus, Ovidius, Seneca. Met andere woorden: die gedichten laten zien dat er al duizend jaar over dezelfde vragen werd nagedacht en dat die tot uiting kwamen in lyriek, tragedies, koorliederen. Op metaniveau doet Boëthius een uitspraak over de eenheid van de traditie.’
U schreef in 2023 een leerdicht, getiteld Niets dan dit. Het leerdicht is een oude poëzievorm die erop is gericht om lezers iets bij te brengen, bijvoorbeeld over filosofie, landbouw of natuurverschijnselen. Zo behandelt u de biologie van het menselijk lichaam. Waarom zou je voor een poëtische vorm kiezen om daar iets over uit te leggen?
‘Poëzie zorgt ervoor dat je verleid wordt om door te lezen, wat je ook van de inhoud vindt. Je kunt ervan genieten dat iemand mooie taal probeert te vinden voor complexe zaken. Ik heb wel werk van Immanuel Kant gelezen, maar dat is zo nu en dan niet om door te komen. Ik lees dan alleen verder omdat ik zijn argumentatie wil begrijpen. In de harde wetenschap wordt net gedaan alsof je alles kunt becijferen en in begrippen kunt opsluiten. Maar in de werkelijkheid gaat het nooit op die manier. Iedere wetenschapper, ook een wiskundige, maakt gebruik van zijn verbeelding en zijn intuïtie. Let maar op als een wiskundige iets uitlegt: dan gebruikt hij direct metaforen. Ik zou zeggen: laten we daar eerlijk over zijn en die kennis ook inzetten.
In de biologie begint het bijvoorbeeld door te dringen dat wetenschappers iets kunnen leren van dichters. De Duitse filosoof en bioloog Andreas Weber heeft de term “poëtische objectiviteit” gemunt, waarmee hij zoekt naar een andere manier om als bioloog naar de wereld te kijken. De wetenschappelijke blik heeft goede dingen gebracht, stelt Weber, maar heeft er ook voor gezorgd dat we een onderscheid maken tussen subject en object en dat we de wereld zien als materiaal waar je iets mee kunt doen – terwijl we er zelf deel van uitmaken.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Hoe zou zo’n poëtische objectiviteit eruit kunnen zien?
‘Als je een vogel bestudeert, moet je onderkennen dat die vogel en jij biologisch gezien niet zo verschillen van elkaar. Dus misschien kun je gebruikmaken van intuïties die raken aan iets wat die vogel ook ervaart. Als je dat hardop zegt, zul je daar nu geen hoogleraar biologie mee worden. Maar zeker oudere biologen laten dat idee meer toe. Emeritus-hoogleraar trekvogelecologie Theunis Piersma zegt bijvoorbeeld dat hij naar de vogels kijkt, maar dat de vogels ook naar hem kijken, en dat je ze dus met respect moet benaderen. Als hij een vogel geringd heeft, is die vogel zenuwachtig. Hij pakt dat vogeltje dan vast en gaat er Fries mee praten. Dat vind ik zo ontroerend. Op die manier doorbreek je de grenzen tussen mens, wetenschap en wereld.’
Wat zijn de gevolgen daarvan?
‘Weber zegt dat de wereld en de feiten misschien niet veranderen, maar dat je wel andere vragen en hypotheses gaat stellen, en rekening gaat houden met de belevingswereld van dieren, planten, microben. Want een schimmel wil ook wat. Daar kun je bezwaren tegen hebben, maar wij kunnen niet zonder die schimmels. En, ik noem maar iets, een dokter zal dan wellicht ook anders met antibiotica omgaan.’
De Griekse filosoof Plato was kritisch op dichters. In De Republiek laat hij Socrates overwegen om dichters uit de ideale staat te verbannen, omdat zij de werkelijkheid imiteren en daarmee de toeschouwer misleiden. Maar Plato ging zelf over op poëtische taal als logica en rationele argumentatie hun grenzen hadden bereikt. Hoe moeten we zijn relatie tot de poëzie begrijpen?
‘Plato schrijft dat poëzie niets met de objectieve werkelijkheid te maken heeft en dat je haar daarom terzijde moet schuiven. In de oudheid werd poëzie gezongen, daarom had ze volgens Plato een verleidelijke werking en bracht ze emoties op gang die je niet moet willen. Tegelijkertijd heeft hij in zijn geschriften niet voor niets vaak gekozen voor een dichterlijke vorm. Met Plato heb je alle argumenten in handen om te betogen dat dichters charlatans zijn en tegelijk dat je met dichterlijke taal juist verder komt dan met logische betogen. Daar zit een paradox in die je serieus moet nemen. Maar ik geloof in ieder geval niet dat als Socrates zegt dat poëzie niet deugt, je hem dan op z’n woord moet geloven.
In zijn dialogen gaat Plato steeds opnieuw aan de slag met een hypothese, en hij kijkt wat eruit komt als hij drie mensen daarover laat discussiëren. De meest poëtische dialoog is Phaedrus, waarin Socrates samen met zijn vriend Phaedrus aan een beekje filosofeert over erotiek, retorica en schoonheid. In dat werk wordt gesuggereerd dat de ware kennis zich voordoet als je met elkaar praat en als je geïnspireerd wordt door de goden. Het hoogtepunt van de dialoog vindt plaats als Socrates het volgende zegt: voor de dingen die er echt toe doen, zijn we afhankelijk van een vorm van “mania”, een soort bezetenheid. Ik vermoed dat we in die passage wellicht kunnen vinden hoe Plato er echt over dacht.’
Het woord en de wereld. Duidingen van een dichter
Piet Gerbrandy
Atlas Contact
288 blz.
€ 24,99


