Anna, Bram en Carla hebben samen aan een profielwerkstuk gewerkt. Elk heeft een ander deel van het eindverslag gemaakt. Nu wordt door de docent geconstateerd dat er AI gebruikt is. Bij een gesprek met de leerlingen zeggen ze het volgende:
Anna: Ik ben de enige die geen AI gebruikt heeft. De anderen wel.
Bram: Anna en Carla hebben AI gebruikt.
Carla: We hebben alle drie AI gebruikt.
Eén van de leerlingen liegt, de anderen spreken de waarheid.
Wie heeft er AI gebruikt?
Oplossing
Stel dat Anna de waarheid spreekt, dan moeten Bram en Carla allebei liegen, want zij zeggen beiden over Anna dat ze AI heeft gebruikt. Maar er is maar één leerling die liegt, dus het kan niet zo zijn dat Anna de waarheid spreekt. Dus Anna liegt, en Bram en Carla spreken de waarheid. Dat Bram niets over zichzelf zegt, wil niet zeggen dat hij ontkent dat hij zelf AI gebruikt heeft. Ze hebben dus alle drie AI gebruikt, zoals Carla beweert.
