Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 10/2009

En Leibniz zag dat God goed was

Hans Achterhuis

In de achttiende eeuw maakte Voltaire zijn medefilosoof Leibniz belachelijk omdat die meende dat we in de best mogelijke wereld leven. Nu laat Steven Nadler zien dat Leibniz op zijn manier gelijk had.

‘Bij God op tafel kijken’ – dit schitterende beeld uit een gedicht van Gerrit Achterberg geeft goed de indruk weer die ik kreeg bij het lezen van De best mogelijke wereld. Deze fraai door Frans van Zetten vertaalde studie van Steven Nadler vertelt, zoals de ondertitel aangeeft, een ‘verhaal over filosofen, God en het kwaad’. Die filosofen zijn Leibniz, de Duitse Homo universalis – naast filosoof was hij natuurwetenschapper, wiskundige en historicus – en de Franse priesters Arnauld en Malebranche. In de jaren zeventig van de zeventiende eeuw waren zij enkele jaren in Parijs met elkaar in discussie. Toen Leibniz terugkeerde naar Hannover en Arnauld vanwege ketterij buiten Frankrijk zijn toevlucht moest zoeken, hielden zij contact via uitgebreide brieven en artikelen in de kort daarvoor opgerichte wetenschappelijke tijdschriften. Ook al krijgen ze in de geschiedenis van de wijsbegeerte meestal niet veel aandacht, toch blijken de botsingen tussen Leibniz, Arnauld en Malebranche ongemeen interessant en spannend. Zeker dankzij de gedegen en rustig opgebouwde uitleg die Nadler ervan geeft.
 

Het kwaad

Waar gaat het om? Centraal staan de ideeën van de Verlichtingsoptimist Leibniz over onze aarde als de best mogelijke van alle werelden. De aloude theologische vraag naar de oorsprong en de rol van het kwaad kreeg eind zeventiende eeuw een nieuwe urgentie. Hoe moeten we oordelen over het kwaad in Gods schepping – niet alleen het menselijk kwaad van de zonde, maar ook het natuurlijk kwaad van stormen, overstromingen en aardbevingen? Hoe valt dat te rijmen met de goedheid van God?
Die nieuwe urgentie van deze oude vraag heeft er vooral mee te maken dat Leibniz’ eeuw een overgang vormt naar wat de Canadese filosoof Charles Taylor in zijn gelijknamige meesterwerk ‘een seculiere tijd’ noemt. In de eraan voorafgaande traditionele, religieus geladen tijd was het universum op een vanzelfsprekende manier doortrokken van goddelijke krachten en invloeden, waarvan de werking vaak als mysterieus werd ervaren. Ook toen worstelden mensen met de vraag naar de relatie tussen de goedheid van God en het kwaad in Zijn schepping. Alleen waren hun theologische antwoorden maar ten dele rationeel van aard. Omdat Gods werken het menselijke begrip verre te boven gingen, bevatten die antwoorden ook altijd een verwijzing naar het mysterie. De goddelijke bestiering van het universum was uiteindelijk een geloofszaak.

Verder lezen?

In een tijd waarin autoriteit, waarheid en het publieke debat onder druk staan kan filosofie met heldere analyses richting geven. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar € 4,99 per maand. U krijgt daarmee toegang tot alle artikelen uit Filosofie Magazine en Wijsgerig Perspectief plus exclusieve achtergrondartikelen, interviews en portretten. Of bestel de losse editie na.

InloggenLid Worden