Home Wereldklassiekers: Candide van Voltaire

Wereldklassiekers: Candide van Voltaire

Door Simone Bassie en Michel Dijkstra, Simone Bassie en Michel Dijkstra op 20 januari 2010

Cover van 01-2010
01-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Waarom is er zoveel misdaad, wreedheid en ellende in de wereld? Volgens Voltaires Candide is er geen enkele reden. Het enige wat we kunnen doen, is ons geluk in eigen hand nemen.

 

‘“Wel, mijn beste Pangloss”, zei Candide, “dacht jij toen je opgehangen, opengesneden, afgeranseld en als roeier geplaatst werd nog steeds dat alles goed gaat op de wereld?” “Ik blijf bij mijn mening”, antwoordde Pangloss, “ik ben tenslotte een filosoof. Het past mij niet om op mijn uitspraak terug te komen, omdat Leibniz geen ongelijk kan hebben en omdat de geprestabiliseerde harmonie het mooiste op aarde is, net als de massieve en de subtiele stof.”’

Deze satirische dialoog komt uit Candide van de Franse Verlichtingsfilosoof Voltaire (1694-1778). In dit schotschrift leverde hij felle kritiek op Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716). Deze Duitse filosoof probeerde het idee van een goede en volmaakte God met het kwaad in de wereld te verzoenen. Daarbij introduceerde hij het concept ‘beste van alle mogelijke werelden’: God had geen betere wereld kunnen scheppen dan de onze. Vanuit menselijk perspectief lijkt het alsof de wereld vol ellende zit, maar vanuit Gods perspectief kan het kwaad een hoger doel dienen.

Voltaire voert in Candide een gelijknamige, naïeve hoofdpersoon op die door zijn huisleraar, de filosoof dr. Pangloss, geïndoctrineerd wordt met de gedachte dat hij in de best mogelijke wereld leeft. Het hele verhaal vormt een weerlegging van Leibniz’ stelling. Candide groeit op in een Duits kasteel, maar wordt verbannen als hij ontuchtige handelingen verricht met de dochter van de barones: Cunegonda. Vervolgens zwerft hij over de wereld en maakt alle mogelijke rampspoed mee, van natuurrampen tot kannibalisme en van marteling tot schipbreuk, waarbij hij zijn geliefde Cunegonda tot twee keer toe kwijtraakt. Candide bekijkt de wereld echter door de bril van dr. Pangloss en neemt automatisch aan dat alles goed is. Door de filosoof voor hem te laten denken, komt hij op een dwaalspoor terecht. Langzaam zakt hem de moed in de schoenen: ‘“Wat is dat, optimisme?” vroeg de knecht Cacambo. “Ach”, zei Candide, “zo heet de waanzin, vol te houden dat alles goed gaat, als alles verkeerd gaat.”’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Misdaad en ellende

Sinds de verschijning in 1759 heeft Candide vele pennen in beweging gebracht. Recent voegde de Amerikaans-Joodse filosofe Susan Neiman haar interpretatie daaraan toe. In haar boek Het kwaad denken stelt zij dat Voltaire zich net als Leibniz bezighield met de vraag: waarom is er in de wereld zoveel misdaad en ellende? Zijn sombere antwoord luidt dat wij dit niet kunnen weten. Het kwaad is er nu eenmaal en heeft geen diepere zin of betekenis. Wij kunnen dit kwaad dan ook niet met onze rede begrijpen – een opmerkelijke gedachte voor een Verlichtingsfilosoof.

Sommige commentatoren wijten Voltaires negativiteit aan het feit dat hij de tweede helft van zijn leven veel tragische dingen meemaakte, zoals de dood van zijn geliefde. Neiman stelt echter dat Voltaire juist realistisch is, vanuit een filosofisch uitgangspunt. Net als de empiristen wil hij eerst een heldere beschrijving van de werkelijkheid geven en dan pas speculeren.
Hoewel Voltaire grote waarde aan nauwkeurige observatie hecht, lijkt Candide allesbehalve realistisch. Het boek is een aaneenschakeling van buitengewoon gewelddadige taferelen, die je door hun omvang nauwelijks serieus kunt nemen. Volgens Neiman is dit schijn: ‘De volstrekt absurde combinaties van voorvallen worden slechts geëvenaard door de volkomen geloofwaardigheid van de gebeurtenissen. Het boek opent met de Zevenjarige Oorlog, waarin mensen daadwerkelijk zonder enige reden werden afgeslacht. Tijdens de inquisitie werden vreemdelingen in naam van God op de brandstapel gegooid.’ Zo vormt Candide een waarheidsgetrouwe staalkaart van al het kwaad uit Voltaires wereld. Martin, een van de hoofdpersonen, spreekt over deze stand van zaken een zwartgallig oordeel uit: ‘De wereld bestaat om ons tot waanzin te drijven!’

Fatalisme 

Volgens Voltaire maakt de opvatting dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven de ellende alleen maar groter. Wie Leibniz volgt, gaat er namelijk van uit dat het kwaad noodzakelijk bestaat en smoort hiermee iedere hoop op een betere wereld in de kiem. Neiman betoogt dat de optimist wel inziet dat deze wereld niet geweldig is, maar ook gelooft dat alle andere werelden nog slechter zijn: ‘Dus ontkent hij zowel de mogelijkheid als de noodzaak om het empirische materiaal te verbeteren. Leibniz stelde dit het duidelijkst door te zeggen dat als we begrepen hoe God de wereld had geschapen, we niet eens zouden willen dat er iets aan veranderd zou worden.’ Op die manier leidt zijn optimisme tot fatalisme.
Voltaire wil zich juist niet bij de ellende in de wereld neerleggen. Hij gelooft standvastig in de mogelijkheid om ons eigen leven en de wereld te verbeteren. Het is niet goed, maar het kan wel beter worden.

Onvermoeibaar spot Voltaire in Candide met de politieke orde van zijn tijd, gekenmerkt door corruptie, oorlog en imperialisme, om zo te laten zien dat een betere wereld mogelijk is. Zo wijst hij op de betrekkelijkheid van macht: de ene dag ben je nog een koning, de volgende dag een zwerver. In Venetië ontmoet Candide zes mannen die zich hebben uitgedost als goedkope carnavalbezoekers. Bij nader inzien blijken het onttroonde koningen te zijn, die alleen waardigheid ontlenen aan een beroep op hun machteloosheid. Candide is al snel niet meer geïnteresseerd in de majesteiten en bemoeit zich met zijn eigen project: de zoektocht naar zijn geliefde Cunegonda.

Ondanks alle rampspoed kent Candide een happy end. Candide slaagt erin Cunegonda – die haar schoonheid inmiddels kwijt is – en zijn oude vrienden terug te vinden. Al snel komen ze tot de conclusie dat het geen zin heeft zich te verliezen in metafysische bespiegelingen over het kwaad of het geloof in een oneindig goede Schepper. Samen besluiten ze om een tuin te bewerken en hun geluk in eigen hand te nemen. Door te tuinieren proberen Candide en de zijnen zelf zin te geven aan een fundamenteel zinloze, ordeloze en kwaadaardige wereld. Daarmee is Voltaire, ondanks zijn afkeer van Leibniz’ optimisme, de echte voorvechter van wat wij tegenwoordig optimisme noemen: het geloof in maakbaarheid. Candide handelt, tegen alle verdrukking in: ‘Wij moeten werken zonder te discussiëren, alleen zo maken we het leven draaglijk!’

Candide, Voltaire, vert. Hans van Pinxteren, uitg. L.J. Veen, Amsterdam 2010, 144 blz., € 12,50