Vier ideeën van denkers over authentiek leven.
De samenleving maakt ons fake
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)

‘We moeten ons geluk niet baseren op de mening van anderen wanneer we het kunnen vinden in ons eigen hart,’ schrijft Jean-Jacques Rousseau in zijn Discours sur les sciences et les arts (Vertoog over wetenschap en kunst, 1750). Ieder eigenwijs mens, van ideologische activist tot iemand met een eigenzinnige kledingstijl, is schatplichtig aan Rousseau. Hij plaatste namelijk gevoel en oprechtheid boven abstracte principes en sociale normen. Zijn Bekentenissen, waarin hij onverbloemd de waarheid over zichzelf deelt – inclusief zijn fouten en vreemde seksuele verlangens –, is een van de eerste moderne autobiografieën.
De spil van zijn filosofie is het inzicht dat de mens ooit in een natuurstaat leefde, maar die toestand is verloren. Oorspronkelijk leefde de mens alleen. Hij zwierf rond en was eenvoudig, goed en helemaal tevreden. De natuur gaf hem alle dingen die hij nodig had om te overleven en gelukkig te zijn. Pas toen hij ging samenleven met anderen sloop het kwaad erin, meent Rousseau. ‘Men moest zich, ten eigen voordele, anders voordoen dan men was.’
De primitieve mens kende alleen amour de soi, de natuurlijke drang naar zelfbehoud, onafhankelijk van wat anderen van je vinden. Maar zodra de mens ging samenleven, begon hij zich te vergelijken met anderen. Plotseling hing zijn eigenwaarde af van andermans goedkeuring en zijn status ten opzichte van anderen. Deze amour propre of eigenliefde vervreemdde de mensen van zichzelf en van elkaar, stelt Rousseau. Om terug te keren naar het oprechte leven, moeten we luisteren naar ons hart, waarin onze oorspronkelijke natuur zich laat horen. Geluk en een authentiek bestaan vinden we in een leven in overeenstemming met onze natuur. Daarom moet ons handelen vrij, ongedwongen en spontaan zijn, aldus Rousseau.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Rousseau’s ideeën laten ons wel achter met een authenticiteitsparadox. De primitieve mens verlangt niet naar oprechtheid, die ís oprecht. Ons verlangen naar authenticiteit is zelf kunstmatig, omdat die voortkomt uit een gecorrumpeerde maatschappij. Kunnen we dan nog wel echt authentiek zijn?
De Zwitsers-Franse filosoof en schrijver Jean-Jacques Rousseau is een van de grondleggers van de Romantiek. Hij geloofde dat de mens van nature goed is, maar gecorrumpeerd is door de maatschappij.
Authenticiteit vereist durf
Søren Kierkegaard (1813-1855)

Søren Kierkegaard zag de samenleving als een grote belemmering voor authentiek leven, omdat mensen zich aan sociale normen conformeren. Toch is authenticiteit volgens hem mogelijk: dit bereik je door je aan een hogere waarheid te verbinden, waarnaar je vervolgens leert leven.
We leven doorgaans door de ogen van anderen en doen wat van ons verwacht wordt. Dat is voor Kierkegaard een verraad aan onze individualiteit. Authentiek zijn betekent dat ons innerlijk in overeenstemming is met onze daden. En dat is eng, want verantwoordelijkheid nemen voor jezelf betekent dat je je niet meer kunt verschuilen achter een ‘ik ben nu eenmaal zo’. Er is durf nodig om authentiek te zijn.
Het erop wagen vinden we vaak gevaarlijk, schrijft Kierkegaard in De ziekte tot de dood (1849), maar wie niet waagt verliest zichzelf. Authentiek zijn lijkt daarin op geloven. In Vrees en beven (1843) haalt Kierkegaard het Bijbelverhaal van Abraham aan. God vraagt Abraham zijn zoon Isaak te offeren, waarop Abraham besluit de onbegrijpelijke opdracht op te volgen en Isaak op het altaar te binden. In naam van het hogere schort Abraham dus tijdelijk de ethische regels op. Als beloning voor zijn vertrouwen spaart God Isaak en zegent hij Abraham en zijn nageslacht.
Dit betekent niet dat Kierkegaard oproept tot onethisch handelen. Hij wil laten zien dat echt waardevolle zaken – waarheid, liefde, geloof – ons verstand soms te boven gaan. Al die zaken vereisen durf. Denk aan een vrijheidsstrijder die haar leven op het spel zet in naam van een hoger ideaal. Een oprecht leven begint – net als een waar geloof – op het ogenblik dat we een sprong in het onbekende wagen.
De Deense denker Søren Kierkegaard wordt gezien als de eerste existentialist, omdat hij de eigen verantwoordelijkheid centraal stelt.
Door politiek laat je zien wie je bent
Hannah Arendt (1906-1975)

Voor politiek filosofen als Hannah Arendt is het concept van authenticiteit enigszins verdacht. Wie de samenleving achter zich laat en zich isoleert om zijn ‘ware zelf’ te zoeken, vervreemdt zich van anderen. In de filosofische traditie wordt het beschouwelijke leven vaak gezien als het hoogst haalbare – en als de bron van authenticiteit –, maar volgens Arendt is juist het actieve leven het belangrijkst.
Volgens Arendt moet je dus niet naar binnen keren om jezelf te vinden, maar naar buiten. In De menselijke conditie (1958) roemt ze wat ze ‘handelen’ noemt: het unieke menselijke vermogen om je door middel van acties en woorden politiek te laten gelden in het publieke domein. Door te handelen kun je iets nieuws in gang zetten en laat je zien wie je bent. ‘In handelen en spreken laten mensen zien wie zij zijn, onthullen daadwerkelijk hun unieke persoonlijke zelf,’ schrijft Arendt. Dat je pas in de openbare ruimte weet wie mensen werkelijk zijn, maakt het politieke proces onvoorspelbaar. Er kan iets nieuws en onverwachts ontstaan.
Zonder handelen dus geen authenticiteit. Maar dat maakt authenticiteit wel afhankelijk van anderen. Het zijn de anderen – het publiek, de toeschouwers – die jouw daden interpreteren en jouw verhaal doorvertellen. Authenticiteit, of wie je bent, wordt dus achteraf geformuleerd door de gemeenschap, op basis van de moed die je hebt getoond in het publieke domein.
De oude Grieken tonen volgens Arendt dat onze verhalen net zo belangrijk zijn als onze daden. De Griekse held Achilles is ‘de verrichter van grote daden en de spreker van grote woorden’, staat in de Ilias. Die combinatie maakte zijn heldendom. Hij vocht als een leeuw en voerde de Grieken aan met gedenkwaardige woorden. Wie authentiek wil zijn, hoeft dus geen heldendood te sterven. Zolang je maar met anderen werkt aan een blijvend verhaal.
De Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt schreef over totalitarisme, politiek en denken. De mens kenmerkt zich volgens haar door zijn vermogen om opnieuw te beginnen.
Jezelf zijn is een oneindig proces
Souleymane Bachir Diagne (1955)

Wat betekent het om Afrikaans te zijn in een postkoloniale wereld? Als je Afrikaans-zijn definieert naar westerse maatstaven, verlies je de eigenheid, maar als je zegt dat het totaal wat anders is, ontken je het koloniale verleden dat die identiteit mede heeft gevormd. Deze vraag naar identiteit is voor Souleymane Bachir Diagne tegelijk een vraag naar wat het is om jezelf te zijn. Diagnes hoop is om de westerse traditie te genezen van haar giftige elementen.
De westerse traditie is met haar verheerlijking van rationaliteit een geschiedenis met een januskop, stelt Diagne. Aan de ene kant bracht het de wetenschap, individualiteit en voorspoed. Maar de keerzijde is uitbuiting van mensen en de wereld. In naam van de rede werd de kolonisatie van Afrika vergoeilijkt, door de inheemse bevolking als kinderlijk, emotioneel en primitief voor te stellen: niet helemaal rationeel, dus niet helemaal mens.
Diagne wil niet het kind met het badwater weggooien en in plaats van de westerse rationalistische traditie dan maar het irrationalisme omarmen (‘Doe wat goed voelt’). Hij zoekt een andere manier om om te gaan met dit verleden, door anders naar de tijd te kijken. Diagne stelt voor om de tijd niet te zien als een puntsgewijze ontwikkeling van A naar B, maar – met een begrip van Henri Bergson – als ‘duur’, als de vloeiende tijd zoals we die ervaren. Voor ons bewustzijn is de tijd geen verzameling seconden, minuten en uren, maar iets dat zich uitstrekt over heden, verleden en toekomst.
Lukt het om de tijd in een ander licht te zien, dan is noch de westerse, noch de Afrikaanse identiteit gebonden aan haar verleden. Zien we de tijd als duur, dan ligt het verleden niet vast, maar wordt het mede gevormd door onze toekomst, zoals een herinnering gekleurd wordt door latere gebeurtenissen.
Dat verandert ook onze blik op authenticiteit. Wie we echt zijn, ligt niet al vast door ons verleden, maar wordt een open vraag die nog beantwoord moet worden. Diagne spreekt van authenticiteit ‘als een anticiperende houding richting de wereld’. Jezelf zijn is een actieve praktijk, iets waarmee je bezig moet blijven. Diagne gebruikt de openheid van creoolse talen – talen die een mix vormen van andere talen – als voorbeeld voor hoe identiteit werkt. Het creools creëert volgens Diagne ‘zijn eigen hybride taal, een vlechtwerk van meerdere verhalen die meerdere oorsprongen hebben’.
Souleymane Bachir Diagne is een Senegalese filosoof die zich bezighoudt met logica, identiteit en het Afrikaanse denken. Ook schreef hij een boek over filosofie en islam.
