Home Historisch profiel: Kierkegaard

Historisch profiel: Kierkegaard

Door Geert Jan Blanken op 26 februari 2013

03-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Vertrouw niet op schijnzekerheden als geld, bravoure, schoonheid, genot of het vaderland, schreef Søren Kierkegaard. De Deense filosoof, die 200 jaar geleden werd geboren, riep op tot een ‘sprong in het bestaan’.

Søren Kierkegaard (1813–1855) is bij uitstek een filosoof die ervoor pleit om ‘het denken’ niet los te zien van ‘de denker’. Hij gelooft niet in de waarheid als een verzameling inzichten waarvan de afzender niet meer van belang is. Maar keert dat inzicht zich niet tegen Kierkgaard zelf? Het gevaar is dat Kierkegaard – met zijn kleurrijke leven een droomonderwerp voor biografen – wordt teruggebracht tot zijn leven en dat zijn denken wordt vergeten. Hebben we in hem te maken met een zonderling wiens levensloop boeiend is, maar die weinig heeft toegevoegd aan de filosofie? Was hij wel een filosoof in de gangbare betekenis van het woord?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Kierkegaard is de jongste van zeven kinderen. Vijf daarvan, en zijn moeder, zullen sterven voordat hij 22 jaar wordt. Hij heeft een zwaarmoedige vader, die veel van hem verwacht, en het is vooral om aan die verwachtingen te voldoen dat hij in 1830 theologie gaat studeren. We weten van Søren dat hij ook kampt met zwaarmoedigheid. Hij bouwt geen loopbaan op. Hij studeert wel af als theoloog, maar is dan al jaren veel meer in de ban van de filosofie. Een kerkelijk ambt wordt het voor hem niet, wel een proefschrift over Ironie/Socrates en een leven als… Ja, als wat? Als filosoferend schrijver, dichterlijk filosoof? Niet als echtgenoot en vader in elk geval. Hij zet wel de eerste stappen in die richting door zich te verloven met Regine Olsen, maar verbreekt de relatie twee jaar later, in 1841, en zal nooit meer een nieuwe beginnen. De reden? Hij durft die langdurige, intieme verhouding niet aan. ‘Als ik meer geloof/vertrouwen had gehad, was ik bij Regine gebleven’, schrijft hij zelf. Zij trouwt een paar jaar later met een ander, maar Kierkegaard blijft haar op zijn manier wel een leven lang trouw. Als eerste onder zijn beoogde lezers speelt ze een belangrijke rol in zijn hele schrijverschap, en als hij in 1855 op 42-jarige leeftijd sterft laat hij haar alles na wat hij heeft. Veel is dat trouwens niet meer. Zijn bestaan als schrijver kost beduidend meer dan het opbrengt. Kierkegaards vader sterft in 1838, en de erfenis is hard nodig om het schrijvende leven te leiden dat hij verkiest.Nadat het grote pand aan het Nytorf in Kopenhagen waarin hij was opgegroeid in 1847 is verkocht, woont hij in verschillende huizen in de stad. Dat hij nogal vaak verhuist doet een persoonlijkheidskenmerk vermoeden waar psychologen ook wel raad mee weten. Een verkeerde lichtval in de ‘beletage’ waar hij bij voorkeur schreef (staande, liefst bij een vaste temperatuur), de stank van de leerlooier op de hoek – minder gevoelige mensen zouden het nauwelijks opmerken, maar voor Søren Kierkegaard zijn het voldoende redenen om weg te willen en een ander onderkomen te gaan zoeken. Liefst wel weer in het centrum; hij houdt van de natuur, maar de stad is zijn biotoop. Als hij het schrijven onderbreekt is dat voor een wandeling – een ‘mensenbad’. Hij observeert en knoopt gesprekken aan met verschillende stadgenoten van alle rangen en standen.

In 1852 en 1853 publiceert hij niet. Het lijkt erop dat hij gezegd heeft wat hij wilde zeggen en erop hoopt dat zijn tijd nog zal komen want veel succes heeft hij niet. Maar uit zijn dagboekaantekeningen blijkt dat hij nog wel degelijk gemotiveerd en vol passie de maatschappelijke en kerkelijke werkelijkheid volgt. In 1854 treedt hij weer naar buiten. Hij reageert op een ongekend felle manier op een bisschopswisseling in de lutherse kerk. Met echt christen-zijn heeft de christenheid die de kerk bestuurt volgens hem weinig tot niets meer van doen. Er verschijnen tien afleveringen van het door hem opgezette en volgeschreven pamflet Het Ogenblik en dan is het ‘op’.

Het is 2 oktober 1855 als Søren Kierkegaard op straat in elkaar zakt, 11 november als hij overlijdt. In de tussenliggende dagen wil hij geen enkele kerkelijke vertegenwoordiging aan zijn bed hebben. Zelfs zijn broer Peter, een geestelijke, is niet welkom.
 

Pseudoniem

Dat Søren Kierkegaard niet in elk overzicht van de filosofiegeschiedenis een prominente plaats inneemt heeft hij grotendeels aan zichzelf te danken. In plaats van een helder opgebouwd oeuvre heeft hij een veelheid van (deels onder pseudoniemen verschenen) boeken en (dagboek)notities nagelaten. Die zijn als een opmerkelijke eenheid te lezen, maar die samenhang is niet zomaar onder één noemer te vatten. Dat is wel geprobeerd, bijvoorbeeld door de begrippen ‘esthetisch’, ‘ethisch’ en ‘religieus’ als een soort fasetheorie  over zijn werk heen te leggen, maar dat staat haaks op wat Kierkegaard zelf nastreeft: hij wil zijn lezer opmerkzaam maken op diens eigen opgave in het leven. Om dat te bereiken is hij er eerder op uit om theoretische denkkaders te ontmaskeren als valse zekerheden dan dat hij er nieuwe tegenover wil stellen.

Zo komen het esthetische (het ‘onmiddellijke, zinnelijke’) en het ethische (het ‘regulerende, verplichtende’) wel veelvuldig in zijn boeken voor, maar van een opstijgen van het een via het ander naar het hoogste, het religieuze, is nergens sprake. Wie oppervlakkig leest, kan tot de conclusie komen dat Kierkegaard een ethische levenswijze prefereert boven een esthetische.

Een estheet gaat vrijblijvend en ongebonden door het leven – in feite is alles hem om het even, als het maar (zintuiglijk) plezier schenkt. Een ethicus daarentegen maakt een duurzame keuze – bijvoorbeeld voor een liefde –, waarvoor hij in alle ernst de verantwoordelijkheid neemt.

Maar prefereert Kierkegaard werkelijk deze ethische levenswijze? De zelfgenoegzame rechter Wilhelm, die in Of/Of (1843) lange betogen over het ethische schrijft naar de estheet ‘A’, is bij nauwkeurige lezing op z’n minst net zo ver bij zichzelf vandaan als zijn esthetisch door het leven gaande geadresseerde. Die ‘A’ is zich namelijk heel goed bewust van zijn eigen wanhoop, terwijl Wilhelm een gearriveerde indruk maakt. En bij Kierkegaard is elke vorm van gearriveerd-zijn verdacht. Het leven is beweging, is wording, en de opgave van ieder mens is zelfwording. Wat dat precies is laat zich niet definiëren, maar vergt in elk geval de moed om te beginnen, een sprong in het bestaan te maken, voorwaarts te bewegen. Om die beweging draait het; daar komt het religieuze in beeld dat voor Kierkegaard zo wezenlijk is. Het zinnelijke is onmisbaar, het ethische is onmisbaar, maar beide leiden uit zichzelf niet tot een menselijk bestaan in vrijheid. Ook in de spanning tussen die twee gebeurt dat niet.
Pas als een mens als unieke enkeling ‘voor God’ weet te staan kan er voor Kierkegaard sprake zijn van echte bewegingsruimte. In de wanhoop van de estheet is de uitdaging om in beweging te komen duidelijk voelbaar; de tevredenheid van de rechter werkt daarentegen als een verdovend middel.
 
Begrippen als ‘worden’ en ‘beweging’ zijn dus belangrijke sleutels tot het werk van Kierkegaard. Maar ze geven geen toegang tot iets als een kern. Het zijn, net als de verschillende genres, stijlen en pseudoniemen waarvan Kierkegaard zich bedient, richtingwijzers. Meer pretentie moet een denker niet hebben; het bestaan gaat immers niet op in het denken. Bij Hegel staat de filosofie aan de top van de werkelijkheid en doen zich daar ‘logische’ overgangen voor die de geschiedenis in beweging houden. Kierkegaard vindt dat onzin. In het denken, in de logica ‘beweegt’ niets. Beweging vindt plaats in de werkelijkheid, niet door logische overgangen, maar doordat de mens – een mens – het waagstuk van zijn eigen leven aangaat.

Eeuwigheid

Dat Kierkegaard de filosofie haar plaats wijst betekent nog niet dat er in zijn boeken niet gefilosofeerd wordt. Als hij zich onder zijn eigen naam tot de lezer wendt, doet hij dat meestal in de vorm van opbouwende toespraken, maar een aantal van zijn aliassen  is meer dan thuis in de grote wijsgerige thema’s. Twee ‘auteurs’ die daarin uitblinken zijn Johannes Climacus en Anti-Climacus. Climacus schrijft Filosofische kruimels (1844) en het Afsluitend onwetenschappelijk naschrift (1846) bij de Kruimels. Anti-Climacus is auteur van De ziekte tot de dood (1849) en Oefening in christendom (1850). Climacus is gefascineerd door het probleem van tijd en eeuwigheid. Het menselijk bestaan is niet voorstelbaar zonder die twee aspecten en hun onderlinge samenhang. We zijn geen dieren die samenvallen met hun tijdelijkheid, maar ook geen engelen die iets als een boventijdelijk bestaan leiden in een tijdelijk omhulsel. In het menselijk bestaan draait alles om hoe tijd en eeuwigheid zich tot elkaar verhouden. Waar ze elkaar raken, gebeurt het. Het Ogenblik: de tijd wordt vol van eeuwigheid. Climacus ziet heel helder in dat hij daar als denker niet bij kan. Anti-Climacus schrijft vanuit het perspectief van iemand die ‘weet’ heeft van dat Ogenblik, iemand die gelooft, die het paradoxale bestaan niet alleen analyseert, maar die ook het vertrouwen, de overgave aan God kent.
 

Kierkegaard schrijft in zijn dagboek hoe blij hij is met deze twee pseudoniemen. Maar hij identificeert zich niet met één van beide personages. Juist tussen die twee ontstaat een ruimte waarin hij zichzelf situeert. Een ruimte die zich niet uitputtend beschrijven laat, omdat het een wijze van bestaan is, geen theoretische positie. Een ‘worden’, een voortdurend streven, geen overdraagbare wijsheid. In de woorden van Anti-Climacus: ‘Toch is het zelf elk ogenblik dat het er is in wording, want het zelf naar zijn mogelijkheid is er niet werkelijk, is slechts dat wat het worden moet.’

Aparte

Kierkegaard zag zichzelf zeker als een ‘aparte’, maar íéder mens is voor hem een unieke samenstelling, een collisie, van eigenschappen en tegenstellingen. Wat de mens vooral tot mens maakt is niet of hij aan de kenmerken van ‘normale menselijkheid’ voldoet, maar hoe hij zich tot zichzelf verhoudt. Mensen vallen niet met zichzelf samen, maar worden gekenmerkt door een afstand tot zichzelf die de bron is van vervreemding en ellende, maar ook van mogelijkheid, van zelfwording en van liefde. Want in het ‘hoe’ van de zelfverhouding wordt de beslissende strijd gestreden. Kierkegaard is ervan overtuigd dat er op ieder mens, zonder uitzondering, een appèl wordt gedaan om eerlijk tegen zichzelf te worden. Dwars door de angst heen, want die is onvermijdelijk.

Geen ‘objectief gegeven’ zijn, maar een ‘verhouding’; er niet ‘zijn’ zoals een dier er ‘is’, maar moeten ‘worden’ – als dat besef tot een mens doordringt is het alsof de grond onder zijn voeten wordt weggeslagen. En dan is de neiging om zich vast te grijpen aan iets dat vallen lijkt te voorkomen onweerstaanbaar. Geld, bravoure, schoonheid, genot, het vaderland, denksystemen, macht… Er is weinig dat zich niet leent om als vloertje uitgeprobeerd te worden boven de afgrond waarboven we ons weten als we tot onszelf komen. Maar dragen doet het ons niet. Iemand die zichzelf wordt moet uiteindelijk afzien van de zekerheid van welk vloertje dan ook. Al het andere is vertwijfeling.

Kierkegaard beschrijft in allerlei variaties hoe menselijk het is om die vertwijfeling vorm te geven door een zelfverzekerde en autonome houding aan te nemen, of juist door als een kameleon alle kleuren van de omgeving te weerspiegelen. Beide vormen doen uiteindelijk hetzelfde: afstand houden. Van onszelf, van de ander, van het leven.

Kierkegaards scherpe blik ontdekt ook in de romantische liefde voor een partner bedreigingen voor onze zelfwording. Als we die liefde tot het hoogste verheffen, gaat het mis. Voorkeursliefde is het, volgens Kierkegaard, van een soort onmiddellijkheid die nou niet specifiek menselijk is. In het ‘God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf’ ligt de uitdaging besloten om mens te worden, want dat gebod brengt aan het licht dat we onszelf niet uit of door onszelf worden. We komen pas in een vrije verhouding tot onszelf, we kunnen onszelf en de ander pas liefhebben als we uit ons zelfbedachte centrum stappen en voor God komen te staan.
In de 200 jaar die verstreken zijn na zijn geboorte is meer en meer duidelijk geworden hoe gelaagd en rijk het werk van Søren Kierkegaard is. Van diepteanalyses van het mens-zijn tot haast profetische schilderingen van collectivisme en kuddegedrag, het is allemaal bij hem te vinden. Prachtig en met veel humor geschreven. 

Van Geert Jan Blanken verscheen het boek Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk