Miriam Rasch houdt van denken, maar weet dat dat niet zonder risico is. Kun je je gedachten vertrouwen? Wanneer wordt denken een gevaar?
‘Er zijn maar weinig mensen die nooit in hun leven voor de aardigheid nagegaan zijn langs welke weg ze tot een bepaalde gedachte gekomen waren,’ schrijft Edgar Allan Poe bij monde van zijn verteller in wat geldt als het allereerste detectiveverhaal, ‘The murders in the Rue Morgue’ (1841). Tussen begin- en eindpunt van een gedachte staat een ‘ogenschijnlijk oneindige afstand en gebrek aan samenhang’. Maar de stappen van een gedachtegang zijn best te reconstrueren, mits je goed hebt opgelet. Dat demonstreert de held van het verhaal, oerdetective C. Auguste Dupin. Tot in detail weet hij met zijn buitengewone analytische denkvermogens de gedachten van zijn kompaan te raden, over een slecht gecaste acteur in een middelmatig toneelstuk. Hoe? Hij reconstrueert zijn denkspoor tot aan de botsing met een fruitverkoper, die de verteller deed struikelen over losliggende stenen, enzovoorts. Later zal hij dezelfde kraakheldere redeneertrant gebruiken om de mysterieuze moorden op een moeder en dochter op te lossen. De puzzelstukjes passen zo netjes in elkaar, het lijkt wel een complot.
Dat je argument navolgbaar is, wil niet zeggen dat je gelijk hebt
Vergelijk Dupin nu met René Descartes, die zijn denkspoor terugvolgt tot het absolute beginpunt: de twijfel die in hem huist. Waar het spoor van de detective tegelijk een spoor is in de wereld – de fruitverkoper, de straatstenen – stript Descartes het denken juist zoveel mogelijk van alle zintuiglijke toevalligheden die de buitenwereld op zijn weg strooit. Zo ontstaat een filosofisch bouwwerk met fundamenten van argumentatieve aard. Het is dit denken dat we zijn gaan beschouwen als het echte denken.
Waar we aan denken als we aan denken denken: volgens Wikipedia een cognitief en bewust proces ‘waarbij een voorstelling, herinnering of idee wordt gevormd zonder directe stimulus door de zintuigen’. Dit proces vindt plaats in het hoofd. Maar denken zonder zintuigen, kan dat wel? Wat het analytische gepuzzel van Dupin zo interessant maakt, is dat het juist wordt voortgestuwd door zintuiglijke en toevallige input. (In een ander bouwwerk van de geest, Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust, komen ook loszittende stenen voor, die samen met allerlei andere zintuiglijke toevalligheden de herinnering aan het werk zetten.) Ik ben vast ook niet de enige die gaat wandelen als er iets uit te dokteren valt. Eenmaal weer thuis blijk ik ook nog te hebben nagedacht.
Of het nu kan of niet, de vraag is ook of je het moet willen, denken zonder geprik in je zij, je ooghoeken en je hart. Het abstracte weekt je geleidelijk los van de concrete werkelijkheid, die nu eenmaal vreemd, overvloedig en veranderlijk is. Daar is het ook voor bedoeld. De eerste daad van denken is om dingen bij elkaar te zetten die op elkaar lijken en daar een naam aan te geven. We delen de wereld graag in hokjes in. Er komt echter een kantelpunt wanneer de namen van de hokjes niet meer voortkomen uit wat je daarbuiten vindt, maar uit je eigen hoofd. Het bouwwerk van het verstand wordt belangrijker dan de wereld die het tracht te beschrijven. Dat wat niet netjes in de hokjes past, moet ofwel met geweld erin worden geduwd, of verdwijnen.
Nonsens
Filosofie, in elk geval de analytische tak ervan, is de ivoren toren-versie van waar we aan denken bij denken. Analytische filosofie houdt zich bezig met argumenten, definities en concepten en stript de taal graag van de zintuigen. Het grote publiek begrijpt filosofie misschien als een zoektocht naar zin of troost, maar in de academische wereld is het analytische genre de meest prominente, voor velen zelfs de enige echte vorm van filosofie. De continentale filosofie mag zich bezighouden met ‘betekenisgeving’ – aan een vreemde, overvloedige en veranderlijke wereld – maar volgens de analytici balanceert zij op het randje van betekenisloos.
Sommigen van hen gaan nog verder en schoppen naar beneden naar hun continentale zuster, in een greep naar de alleenheerschappij. Onlangs was er weer een online fittie rondom een post met de kop ‘How we know continental philosophy is largely nonsense’, maar ook op universiteiten gebeurt het regelmatig. De Franse poststructuralist Jacques Derrida (1930-2004) is opvallend vaak de stok om mee te slaan. Beschuldigd van onleesbaarheid en dus van het verkondigen van onzin, wordt hij steeds weer met ferme hand buiten de academische incrowd gezet. Alsof ‘Derrida’ een complot is om te ontmaskeren – zoals volgens sommigen gebeurde door Alan Sokal in 1996. De natuurkundige stuurde een nepartikel vol jargon en onnavolgbare redeneringen in de stijl van de continentale theorie naar een tijdschrift, dat het ook nog publiceerde. Kijk! De postmodernistische keizer had geen kleren aan!
De ‘Derrida’ van de analytici lijkt mijlenver af te staan van het stap voor gedetailleerde stap spoorzoeken van C. Auguste Dupin. En dat terwijl Derrida nu ook juist een spoorzoeker is. Zijn sleutelbegrip ‘het spoor’ wijst echter altijd naar iets afwezigs en dus onzekers, en is bovendien vermengd met andere sporen, aangetast door de tijd en de elementen. Waar het vandaan komt en heen voert, is hooguit een ‘misschien’.
Misschien… Mijn favoriete derridiaanse woord. Het kan zowel ‘ja’ als ‘nee’ als soms ook ‘af en toe’ betekenen. Het opent het tussengebied van het onbepaalde en onzuivere, dat altijd interessanter is dan transparante zekerheid. ‘Misschien’ is bij uitstek een denkwoord.
In een reactie op de post over waarom continentale filosofie grotendeels nonsens is, houdt iemand de auteur voor dat hij helderheid verwart met verdienste. Natuurlijk is helder schrijven een teken van helder denken. Maar navolgbaarheid wil niet zeggen dat je gelijk hebt. Dat zou argument verwarren met waarheid. (Bekend is de retorische oefening van de debatclub, die zowel voor als tegen een stelling kan argumenteren.) En andersom: als een filosofie niet op het eerste gezicht haar geheimen prijsgeeft, wil dat niet zeggen dat wat ze zegt niet van waarde is. Misschien nadert ze haar geheimen slechts en komt het spoor nooit ten einde.
Tekst loopt door onder afbeelding

Chatbot
Laten we – gedachte-experiment! – eens vragen waarom de analytische filosofie grotendeels onzin is. Ten eerste is haar zogenaamde helderheid een farce. Net als bij de continentalen is het jargon zo specifiek dat het hele bouwwerk in elkaar stort als je het niet kent. Ten tweede kan veel van deze filosofie, die zich afspeelt in de krochten van de taal (specifiek: het Engels), vaak net zo goed niet bestaan. Het is niet zozeer dat het grote publiek mag uitmaken of iets van waarde is, maar als eenieder zijn leven kan leiden zonder, mag je je afvragen wat voor zin iets heeft. Ten derde is argumentatie waardeloos als ze niet terugkeert tot de (vreemde, overvloedige en veranderlijke) werkelijkheid, maar in de ivoren toren van de academie blijft. De Belgische filosoof Pascal Chabot noemt filosofie ‘de wisselwerking tussen leven en theorie’. Je kunt ook zeggen dat filosofie niet zonder empirie kan. En ik durf te stellen dat Derrida een groter empirist is dan vele analytische scherpslijpers. Net als detective Dupin, die geen moment vergeet om zijn bovenmatig getrainde zintuigen op zijn omgeving te richten. Daar ligt het fundament van zijn denken.
Abstractie kan alleen met geweld realiteit worden
Zodra die omgeving uit zicht raakt – de botsende fruitverkopers en losliggende straatstenen – steekt een gevaarlijk denken de kop op. Dat beroemt zich alleen nog op zichzelf, koestert zijn eigen werking als een narcist zijn opgeblazen ego. Het volgt zijn eigen spoor. Je ziet dat in het bovenmenselijke schoolvoorbeeld van analytisch denken van onze tijd: AI. De chatbot heeft overal een antwoord op en kan je willekeurig welke stelling helpen verdedigen. De wereld hoeft zich niet eens te voegen naar de woordenbrij, want zij speelt er op voorhand geen rol in. Dan geef ik toch de voorkeur aan complexe en stroperige taal om een even complexe en stroperige werkelijkheid mee te beschrijven.
Complotdenken
Wanneer logische argumentatie op de wereld wordt geprojecteerd, voert de finale stap naar het complot. Soms denk ik dat dat dé vraag van de filosofie is: waar gaat denken over in complotdenken? Anders gezegd: hoe toets je filosofische uitspraken? Zeker, allereerst op argumentatie, maar dat is niet voldoende. Complotten zijn vergevorderde argumentaties, voortkomend uit (zogenoemde) twijfels en vragen en berustend op patronen en lijnen. Een en al abstractie, hoe concreet de inhoud ervan ook is. Het complot verwart spoor met bestemming. Op de niche forums die de natuurlijke habitat zijn van complotten – even obscuur als het academische tijdschrift – is dat niet zo erg. Maar wordt het complot terug de wereld in gebracht, dan blijkt dat de abstractie alleen met geweld realiteit kan worden. Complotten, en hun argumentaties, hangen bij nader inzien met pleisters en ducttape aan elkaar.
De onderzoeker Jan-Willem van Prooijen stelt dan ook dat complotdenkers helemaal niet goed kunnen nadenken maar juist goedgelovig zijn, hoe sterk ze ook het tegendeel beweren. De meeste complotdenkers zijn vooral complotgelovigen. Complottheoretici bouwen argumentatieve luchtkastelen en de gelovigen lopen goedgemutst de drempel over. Ze laten zich daarbij voorstaan op hun intuïtie, die zij de plaats in laten nemen van argumentatie. Nu zijn ze losgezongen van zowel de logica als de realiteit. Hun zelfvertrouwen is opgeblazen tot narcistische proporties, met hulp van de denkers die overal wel een argument bij kunnen verzinnen. (Waarom klinkt dit als een beschrijving van de auteur van de post tegen continentale filosofie?)
Toch lijkt ook C. Auguste Dupin een sterk ontwikkelde intuïtie te bezitten. Hij laat zien dat je zonder intuïtie het risico loopt te missen wat zich onder je neus bevindt. Te veel argumentatie houdt je weg van de soort intuïtieve intelligentie die je op het spoor zet van een ‘misschien’. Het punt is dat deze intuïtie – die juist aan erosie door complotten en chatbots onderhevig is – net als het denken zelf gevoed moet worden, wil ze niet louter virtueel zijn.
Tegenover het virtuele staat niet het analoge, maar precies de zintuiglijkheid, stelt Pascal Chabot. Denken zonder zintuigen is virtueel, of het nu analytisch, complotterig of intuïtief is. Het verliest zich in zichzelf. Wil de filosofie zich daarvoor hoeden, dan moet ze zich naar de wereld wenden. Denken blijkt struikelen over een straatsteen en zien dat je allang in een spoor loopt. Misschien.
