Jan Patocka (1907-1977) zette alledaagse zekerheden op losse schroeven. Zijn protest tegen opgelegde waarheden kostte hem het leven.
In 1934 viert Jan Patocka Kerstmis bij de familie Husserl in Freiburg. De fameuze filosoof Edmund Husserl is dan al vijfenzeventig jaar, maar de jonge Tsjechische denker (1907-1977) mag langskomen, ‘mits hij niet verpest is door filosofische training en geen oogkleppen op heeft’. Wat ook meehelpt, is dat Patocka uit Moravië komt, dezelfde landstreek waar Husserl geboren is. Op kerstavond geeft Husserl Patocka een houten lessenaar die hij vijftig jaar daarvoor zelf cadeau heeft gekregen van de Tsjechische filosoof Tomás Masaryk. Patocka is zeer vereerd: het voelt alsof hij met de lessenaar een filosofische traditie overhandigd krijgt.
In Patocka’s eigen terminologie zouden we die kerstavond kunnen omschrijven als ‘beweging van worteling’. Ieder mens moet zich wortelen in zijn omgeving, zo zal hij later schrijven. We worden geboren als totale nieuwkomers; zonder anderen die ons accepteren, redden we het niet. Patocka verwijst naar de Romeinse traditie van een kind aan de voeten van zijn vader leggen: door het kind op te pakken accepteert die het als zijn kind en verwelkomt hij het in de familie en in de wereld. Op dezelfde manier lijkt Patocka met zijn ontvangst bij Husserl te worden opgenomen in de wereld der filosofen. Hij erft een denktraditie.
Edmund Husserl, de eeuwige beginner
Zielloze machine
Van zijn eigen vader kreeg Patocka een fascinatie voor de Griekse oudheid mee en een talent voor taal. Josef Patocka is klassiek filoloog en leert Jan van jongs af aan Oudgrieks. De kleine ‘Jenda’, zoals zijn moeder Frantiska hem liefkozend noemt, ontwikkelt zich al snel tot een veellezer en -schrijver. Op zijn zesde loopt hij de hele dag rond met een notitieboekje om aantekeningen te maken en tot woede van zijn vader steelt Jan papieren van hem om op te schrijven. Later, als Jan net begonnen is met studeren, schrijft zijn vader aan zijn moeder: ‘Zorgen! Alsof ik er niet genoeg heb om Jenda, die ontembaar en roekeloos is. Houd hem in het oog en zorg ervoor dat hij geen filosofieboeken meeneemt als hij in het bos gaat wandelen.’
Patocka gaat op zijn achttiende studeren aan de Karelsuniversiteit in Praag. Aan de filosofiefaculteit is op dat moment de stroming van het logisch positivisme dominant: veel professoren houden zich bezig met het wetenschappelijk maken van de filosofie door zich te richten op zaken die waarneembaar en objectief te beschrijven zijn; voor ethiek en religie is geen plaats meer. Alleen iemand als Emanuel Rádl – ‘irritant en provocerend’ aldus Patocka, die naar hem opkijkt – beschouwt filosofie als onlosmakelijk verbonden met moraal en houdt zich wel bezig met politieke kwesties.
De waarheid is een levenslang onderzoek
Politiek is het land op dat moment in de ban van Tomás Masaryk (1850-1937), filosoof en eerste president van Tsjechoslowakije. Anders dan de logisch positivisten ziet Masaryk gevaar in de wetenschappelijke blik op de wereld. Hij analyseert hoe het kan dat zelfmoord meer voorkomt in westerse landen dan daarbuiten, zoals statistieken in die tijd laten zien. De reden daarvoor ligt volgens Masaryk in de opkomst van wetenschap en technologie. Daardoor zijn we de wereld als een zielloze machine gaan zien. God, goed en kwaad, en zingeving zijn uit onze wereld verdwenen, waardoor we ons verloren voelen. Om dat tegen te gaan streeft Masaryk naar eerherstel van religie en wil hij mensen opvoeden tot morele burgers die zorg dragen voor de samenleving.
Hoewel Patocka niet religieus is, deelt hij veel van Masaryks kritiek op de te wetenschappelijke blik op de werkelijkheid. Patocka studeert een jaar in Parijs aan de Sorbonne-universiteit, waar hij op een middag ‘met bonzend hart’ in de banken blijft zitten nadat zijn college is afgelopen. De volgende spreker in de zaal is namelijk Husserl (1859-1938), die zal spreken over zijn revolutionaire, nieuwe vorm van filosofie: de fenomenologie. Daarbij wordt niet gekeken naar de wereld als iets buiten onszelf, zoals in de moderne wetenschap, maar als een ‘leefwereld’: de werkelijkheid zoals wij die ervaren, gekleurd door onze waarden, vooroordelen, verlangens. Het is deze leefwereld die door technologie en wetenschap ondergesneeuwd raakt, vrezen Husserl en Patocka.
Tekst loopt door onder afbeelding

Socrates
In de jaren die volgen rijst Patocka’s filosofische ster. Hij studeert bij Martin Heidegger, richt de Filosofische Kring van Praag op, een soort discussieforum, en schrijft onder meer Prirozený svet jako filosofický problém (De natuurlijke wereld als een filosofisch probleem, 1936). Ondertussen slaat de sfeer in Europa om. In 1933 is Patocka in Berlijn als de Rijksdag in brand wordt gestoken, waarna Hitler de macht naar zich toetrekt. In 1937 sterft Masaryk en een jaar later ook Husserl, die neerslachtig was geworden door de duistere ontwikkelingen. Als de Duitsers aan het begin van de Tweede Wereldoorlog Tsjechoslowakije innemen, worden de universiteiten gesloten. Patocka gaat aan het werk als leraar op een middelbare school en later als tunnelarbeider.
In de oorlogsjaren blijft Patocka schrijven om het vuur van rede, tolerantie en menselijkheid brandende te houden. Terwijl de Jodenvervolging begint en zijn vrouw Helena op een gegeven moment tijdens een bombardement naar het ziekenhuis moet om van hun zoon Jan te bevallen, verdiept Patocka zich in het denken van Johann Gottfried Herder (1744-1803), die geloofde dat mensen door de juiste opvoeding Humanität konden ontwikkelen, een ethisch respect voor alle mensen. Na de oorlog begint Patocka weer met college geven. Studenten die tijdens de oorlogsjaren geen onderwijs hebben gehad, krijgen les in de klassieke Griekse filosofie. In de avonden valt vaak de stroom uit en worden kaarsen aangestoken. Patocka spreekt voorzichtig, ter plekke bedenkend wat hij wil zeggen, en de schaduwen van zijn vele handgebaren glijden over de wanden.
Met zijn colleges probeert Patocka niet alleen informatie over te brengen aan zijn studenten, maar ze ook innerlijk te transformeren. Filosofie draait voor hem om een diepere betekenis geven aan je leven en de kosmos, en daarvoor moeten de vanzelfsprekendheden van het alledaagse leven op losse schroeven worden gezet. Dat is onprettig, erkent hij, maar alleen door risico’s te nemen leert de mens ‘om zijn leven vanuit zijn eigen wortels te leven, vanuit zijn eigen grond’. Naast de beweging van worteling onderscheidt Patocka nog twee bewegingen: de beweging van voortbestaan en die van doorbraak. Filosofie gaat voor Patocka over die laatste beweging: een mens moet regelmatig losbreken uit de prettige zekerheid van tradities en overgeleverde normen, om zelf te bepalen wat hij van betekenis vindt. De stroom van dagelijkse gebeurtenissen – werken, eten koken, met vrienden afspreken – moet doorbroken worden, om tijd te maken voor reflectie en waarheid.
Deze reflectie op wat echt van waarde is, noemt Patocka in navolging van Plato ‘zorg voor de ziel’. ‘Zorg voor de ziel betekent dat waarheid niet voor eens en voor altijd gegeven is, niet slechts een kwestie van observeren en aannemen wat je observeert, maar een levenslang onderzoek.’ Het levende voorbeeld van zorg voor de ziel is Socrates. In zijn dialogen beschrijft Plato hoe Socrates de zekerheden van zijn stadsgenoten overhoop gooit en ze dwingt om zichzelf te onderzoeken, door vragen te stellen. Is er een orde in het universum? Hoe moeten we onze samenleving inrichten? Waar leef je voor? Maar anders dan Plato gelooft Patocka niet in definitieve antwoorden op die vragen. Het zoeken naar waarheid zonder te geloven in een hogere wereld waarin alle oplossingen te vinden zijn, noemt Patocka daarom ‘negatief platonisme’.
Repressie
Lang duurt Patocka’s werk aan de universiteit niet. Tsjechoslowakije is na de oorlog in Russische handen gevallen en langzaam neemt de communistische repressie toe. In 1950 wordt Patocka’s positie aan de universiteit onhoudbaar, mede omdat hij weigert zich aan te sluiten bij de communistische partij. Hij vertrekt en werkt als archivaris bij een instituut dat zich bezighoudt met het gedachtegoed van Masaryk. Maar bijna niets van wat hij schrijft mag worden gepubliceerd: zijn studies over deze Tsjechische denker en boeken als Negativní platonismus (Negatief platonisme, 1953) en Platón a Evropa (Plato en Europa, 1973) blijven veelal ongepubliceerd. Als in de jaren zestig de repressie even afneemt, kan hij een aantal jaar terugkeren, maar in 1972 wordt hij met vervroegd pensioen gestuurd.
Voor het communisme is de beweging van doorbraak bedreigend, realiseert Patocka zich, want die trekt waarheden in twijfel. In plaats daarvan richt het regime zich op de beweging van voortbestaan. Deze beweging staat bij Patocka voor onze inspanningen om onszelf in leven te houden en om handige spullen voor onszelf te ontwikkelen. Naast werken hoort ook ontspanning bij de beweging van voortbestaan. Na een lange dag werken ploffen we op de bank om tv te kijken en in het weekend worden we dronken. Zolang deze behoeften aan werk en ontspanning worden bevredigd, zo redeneren de communistische machthebbers, hebben mensen geen reden om te denken.
Idealen van de dag
Patocka geeft na zijn pensionering colleges bij studenten thuis. In 1975 schrijft hij zijn hoofdwerk Kacírské eseje o filosofii dejin (Ketterse essays in de filosofie van de geschiedenis) dat niet gepubliceerd kan worden, maar wel rondgaat onder zijn studenten. Daarin analyseert hij de Eerste Wereldoorlog. Soldaten werden naar het front gestuurd onder de vlag van positieve idealen zoals ‘vaderland’, ‘vooruitgang’ of ‘vrede’. Deze ‘idealen van de dag’, zoals Patocka ze noemt, beloven een oplossing voor alle ellende: als de oorlog gewonnen wordt, zijn wereldvrede en een vrij leven binnen handbereik. Zo willen de idealen van de dag een einde maken aan de problematische natuur van het menselijk bestaan.
In werkelijkheid valt het leven niet op te lossen. Niet de dag, maar de nacht is volgens Patocka het symbool voor het menselijk bestaan. De nacht staat voor de mogelijkheid dat de waarheden waarin je gelooft omvergeworpen worden, voor de worsteling die het menselijk leven is. Polemos, Oudgrieks voor oorlog of strijd, kenmerkt het leven, schrijft Patocka. Veel soldaten ontdekten aan het front ‘de nacht’. In doodsangst vroegen ze zich af: wat heeft het voortbestaan van het vaderland voor zin als ik zelf sneuvel? Er is geen glorieus ‘morgen’ voor de soldaat die ervoor gestorven is. Dode helden kunnen de lovende necrologieën in de kranten niet zelf lezen. De dood toont aan het front zijn ware gezicht als een absoluut einde.
Daarmee biedt de frontervaring verrassend genoeg een kans om de beweging van doorbraak te maken. Aan het front werden soldaten geschokt in hun geloof in hun idealen en ontdekten ze dat ze zelf moeten bepalen waarvoor ze willen leven en sterven. Die schok kan volgens Patocka voor een speciale band zorgen, zelfs tussen tegenstanders. Zo legden Duitse en Engelse soldaten tijdens de Kerstvrede in 1914 de wapens tijdelijk neer om samen kerstliedjes te zingen, cadeaus te geven en te voetballen. Ze begrepen, schrijft Patocka, ‘dat polemos niet iets eenzijdigs is, dat die niet verdeelt maar verbindt’, dat tegenstanders ‘in werkelijkheid bij elkaar horen in de gedeelde schok van het alledaagse’.
Patocka heeft grote verwachtingen van deze solidariteit tussen mensen wiens overtuigingen geschokt zijn. Die solidariteit kan ons helpen de vrijheid – ons vermogen om zelf te bepalen wat we van betekenis vinden – te hervinden. Prettig is het bestaan als ‘geschokte’ niet: je moet tegen de stroom in zwemmen en je verzetten tegen de maatschappelijke norm, die voorschrijft dat niet waarheid, maar carrière, status en bezit het hoogste goed zijn. De geschokte moet offers brengen, zonder te weten of die iets opleveren. Zijn kritiek op de heersende idealen is ‘een protest waarvoor betaald wordt met bloed dat niet stroomt, maar rot in gevangenissen, in afzondering, in weggegooide levensplannen en mogelijkheden’. Maar dat is nu de essentie van het ware offer, meent Patocka: een echt offer is een verlies waarvoor je niets terugkrijgt.
Tekst loopt door onder afbeelding

Rockmuziek
De Ketterse essays maken diepe indruk op Patocka’s leerlingen, die hun opleiding, carrière en bewegingsvrijheid opofferen omwille van hun politieke overtuigingen. Zelf zal Patocka zelfs zijn leven offeren. In 1976 wordt hij woordvoerder van een groep dissidenten die zich in een verklaring hard maken voor mensenrechten: Charta 77. Aanleiding is de arrestatie van leden van de protestband Plastic People of the Universe – wiens rockmuziek Patocka zelf overigens verafschuwt. In maart komt de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel naar Tsjechoslowakije en is hij als eerste buitenlandse minister bereid de dissidenten van Charta 77 te ontmoeten. Patocka spreekt kort met hem, ten overstaan van journalisten.
Even tussendoor …
Meer lezen over Jan Patocka en andere grote denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Niet lang daarna wordt Patocka opgepakt door de politie. Een urenlange verhoring veroorzaakt bij de negenenzestigjarige filosoof een hartaanval, waarna hij tien dagen later op 13 maart 1977 bezwijkt. Tijdens Patocka’s begrafenis zijn alle bloemen bij bloemisten in de wijde omtrek ‘toevallig’ op en stoppen de trams met rijden, zodat iedereen te voet moet komen. Een helikopter cirkelt over de begraafplaats om toespraken onverstaanbaar te maken. Patocka had zijn leven lang geschreven en lesgegeven, zegt mede-dissident Václav Havel later, die in 1989 de eerste president van het vrije Tsjechoslowakije zou worden. ‘Nu wilde hij met zijn leven bekrachtigen wat hij altijd theoretisch had onderwezen.’
Boeken

De solidariteit van de schok. Europa volgens Jan Patocka
Dennis de Gruijter
ISVW Uitgevers
224 blz.
Heretical essays in the philosophy of history
Jan Patocka
vert. Erazim Kohák
Open Court Publishing Co
200 blz.
€ 32,75

The natural world as a philosophical problem
Jan Patocka
vert. Erika Abrams
Northwestern University Press
240 blz.

