Home Waanzin Hoe Foucault zich door de waanzin liet verleiden
Waanzin

Hoe Foucault zich door de waanzin liet verleiden

Door Emily Eakin op 26 oktober 2026

Michel Foucault woke muurschildering
beeld Thierry Ehrmann / Flickr
Filosofie Magazine twijfel Is twijfelen een vorm van vrijheid?
11-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine

De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) wilde de waanzin een stem geven, schrijft journalist Emily Eakin.

Michel Foucault was pas vierendertig toen Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw, zijn proefschrift in de filosofie, in 1961 verscheen. Als oudste zoon van een vooraanstaand chirurg in Poitiers was hij zo’n vroegrijpe mafkees van de Parijse elite-universiteit École normale supérieure: de op vier na beste bij het toelatingsexamen in 1946 en bezeten van Nietzsche, Sade, waanzin en de dood. Aan de muren van zijn slaapzaal hing hij gravures van Goya van mannen die in de oorlog verminkt waren geraakt en door waanideeën werden gekweld. Zijn bijnaam op school was Fuchs – Duits voor vos. Een zelfingenomen en twistzieke einzelgänger, soms op het onbeschofte af, gerespecteerd om zijn ontzagwekkende intelligentie en arbeidsethos, maar ook door velen gehaat. Sommige medestudenten dachten dat hij gek was.

Lees dit artikel verder

Voor € 6,99 per maand lees én beluister je dit artikel en alle andere online artikelen van Filosofie Magazine.

Word abonnee Al abonnee? Inloggen

Emily Eakin is een Amerikaanse journalist en cultuurcriticus. Ze studeerde literatuur aan Harvard en aan de École normale supérieure in Parijs en werkt als redacteur bij The New York Times Book Review.

Tijdens zijn tweede jaar aan de École normale deed hij een zelfmoordpoging, wat zijn vader ertoe aanzette hem in het psychiatrische ziekenhuis Sainte-Anne te laten onderzoeken. Bij Foucaults terugkeer liet de schoolarts hem opnemen in de ziekenboeg. Er volgden nog meer zelfmoordpogingen. ‘Hij was door dit idee geobsedeerd,’ zei een vriend. (Later sprak hij vaak positief over zelfdoding; in een artikel uit 1979 ging hij zelfs zo ver dat hij zich ‘zelfmoordfestivals’ en ‘zelfmoordorgieën’ voorstelde en noemde dood door zelfmoord ‘een grenzeloos genoegen’.) In het voorjaar van 1950 werd hij opnieuw in de ziekenboeg opgenomen. Toen hij zakte voor zijn agrégation, zijn lesbevoegdheid, vreesde Foucaults mentor Louis Althusser het ergste en vroeg aan een van zijn jaargenoten om een oogje in het zeil te houden.

Het jaar daarop slaagde Foucault voor het examen en hij werd op uitnodiging van Althusser docent psychologie aan de École. Hij had een enorme passie voor zijn baan en was een fascinerende spreker, die aan één stuk door oreerde terwijl hij over het podium liep. Bijna nooit hoefde hij zijn aantekeningen te raadplegen. ‘Ik was zoals velen onder de indruk van zijn eloquentie,’ herinnerde de slechts vier jaar jongere Derrida zich, die als student aan de École Foucaults colleges volgde. ‘Zijn welsprekendheid, gezag en genialiteit waren indrukwekkend.’

De daaropvolgende jaren bracht Foucault regelmatig bezoeken aan het Sainte-Anne, als docent die zijn studenten meenam om de patiënten te observeren, maar ook als onbetaalde stagiair die leerde de hersengolven van patiënten op een EEG te lezen. ‘Ik stond heel dicht bij de patiënten en voelde me niet echt anders dan zij,’ zei hij jaren later. Een tijdlang bezocht hij ook wekelijks een ziekenhuis dat verbonden was aan het Franse gevangenissysteem, waar hij hielp met de intake van patiënten, wat de kiem legde voor een levenslange fascinatie voor detentie.

Daarnaast woonde Foucault de colleges van Lacan bij toen die nog maar net lesgaf aan het Sainte-Anne. Maar hij bracht verreweg de meeste tijd door – volgens een schatting het overgrote deel van zijn volwassen leven – in de Bibliothèque Nationale, waar hij onderzoek deed voor een beknopt boek met theorieën over psychische aandoeningen. Waanzin en zelfdoding, naast sadomasochistische seks en later geestverruimende drugs, werden blijvende fixaties.

Wat op vooruitgang lijkt, blijkt een nieuwe vorm van dwang en controle

Dit waren ‘grenservaringen’, gevaarlijk en verleidelijk, die de belofte in zich hielden van een soort transcendentie van lacaniaanse jouissance: de mogelijkheid om een glimp op te vangen van wat Foucault in zijn voorwoord van Geschiedenis van de waanzin ‘die onbereikbare primitieve zuiverheid’ noemt. Foucault gebruikte vaak dergelijke taal in zijn geschriften, waarbij hij hintte op vage, mysterieuze bestaansgebieden die als gevolg van onderdrukking door de staatsmacht weinig sporen nalieten in historische bronnen. Hij was een gretig lezer met een schijnbaar encyclopedische kennis van klassieke literatuur en kunst. Tegelijkertijd ging zijn interesse vooral uit naar het grotere plaatje, naar de onbewuste patronen die volgens hem onder het chaotische oppervlak van de geschiedenis schuilgingen. Hij identificeerde vooral negatieve patronen. Geschiedenis was volgens hem een verraderlijke reeks van beperkingen die werden opgelegd in naam van de rede en vooruitgang. Wat op vooruitgang in menselijke vrijheid en tolerantie leek, bleek in Foucaults analyses bijna altijd het tegenovergestelde: nieuwe vormen van dwang en controle.

Ontoelaatbaar

Toen een Amerikaanse collega hem jaren later vroeg of er een ‘bijzondere gebeurtenis’ in zijn leven was geweest die zijn latere onderzoek had beïnvloed, noemde Foucault een ontmoeting met de directeur van de École vlak na zijn aankomst: ‘De rector wilde weten of er iets vreemds aan mij was. Toen ik hem vertelde over mijn homoseksualiteit, antwoordde hij met een geschokte blik dat dergelijk gedrag niet normaal was en beslist onacceptabel voor de reputatie van de school. Hij zei dat ik hervormd moest worden, dat ik zou worden opgesloten, onderzocht en behandeld door een reeks van specialisten: artsen, docenten, psychologen, psychiaters, enzovoort. Op dat moment begreep ik direct hoe het systeem werkt. Ik werd de belangrijkste drijfveer van onze maatschappij gewaar: normalisatie.’

Bijna al Foucaults boeken zijn variaties op dit inzicht: onderzoek naar hoe macht menselijke lichamen organiseert en classificeert in een poging controle over ze te houden of ze te ‘normaliseren’. Homoseksualiteit werd in Frankrijk gedecriminaliseerd tijdens de Franse Revolutie, maar een wet uit 1960 die homoseksuelen strafbaar stelde vanwege ’tegennatuurlijke’ openbare onzedelijkheid bleef tot 1980 van kracht. Eind jaren zestig kreeg Foucault bijna een hoge functie in het Franse ministerie van Onderwijs toebedeeld, maar hij werd op het laatste moment afgewezen uit angst dat zijn seksuele identiteit een publiek schandaal zou veroorzaken. Net als Bataille, die hij prees voor het uitwerken van een taal van overschrijding – van ‘de grenservaringen’ die ‘zeggen wat niet gezegd kan worden’ – maakte Foucault van zijn fascinatie voor het sociaal ontoelaatbare een wetenschappelijke roeping.

In 1955 werd hij aangesteld als directeur van het Maison de France aan de Universiteit van Uppsala in Zweden. De universiteit was de oudste van Zweden en een van de meest prestigieuze, maar de omliggende stad was somber en koud, zonder veel afleiding. Foucault stortte zich op zijn directietaken, gaf Franse taal en literatuur aan studenten, ontving gastdocenten (Roland Barthes kwam twee keer langs), voerde Franse theaterstukken op en vertoonde Franse films. Hij kwam erachter dat de universiteit een belangrijk historisch archief van de geneeskunde huisvestte: duizenden documenten vanaf de zestiende tot de vroegtwintigste eeuw. Al snel kreeg zijn proefschrift vorm.

Foucault maakte af en toe een uitstapje naar Parijs in zijn witte Jaguar. Hij hield van autorijden en reed heel hard. Foucaults biograaf David Macey noemde Foucault ‘een van de weinige Franse filosofen met enige bekwaamheid aan het stuur’. Maar los van een sporadisch tripje naar het buitenland, bracht hij het grootste deel van de volgende drie jaar door in Zweden, waar hij zich opsloot in de bibliotheek. Elke dag om tien uur ’s ochtends zat hij daar. Je ziet hem zo voor je: dat iconische eivormige hoofd, nog slechts wat dun haar, zijn doordringende blauwe ogen achter een montuurloze bril. Hij buigt zich over een zeldzaam boek, maakt vijf of zes uur lang aan één stuk door aantekeningen. ’s Avonds gaat hij in zijn appartement in het Maison de France door met schrijven en terwijl de pagina’s zich opstapelen luistert hij naar opnames van Bach of Mozart; zijn onderzoek over waanzin in het klassieke tijdperk schreef hij op muziek uit die periode.

Hij werkte onophoudelijk door. ‘Hij ziet er niet goed uit,’ meldde een inspecteur in 1956 bij het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Ik heb de indruk dat meneer Foucault zichzelf overwerkt en niet de nodige rust neemt.’ Het jaar daarop meldt een andere controleur: ‘Er is reden tot vrees dat hij zich, als slachtoffer van zijn succes en zijn constante beschikbaarheid, letterlijk dood zal werken.’

Na drie jaar in Uppsala bracht Foucault nog een jaar door in Warschau, waar hij soortgelijke taken uitvoerde voor een gloednieuw Frans cultureel centrum, totdat hij betrapt werd op een affaire met een informant van de Poolse geheime politie en op staande voet werd ontslagen. Hij werd teruggestuurd naar Parijs en ging naar huis met een manuscript van meer dan negenhonderd pagina’s, waarvan hij het laatste deel in Polen bij kaarslicht had geschreven.

Het boek was uiteindelijk een ingekorte versie van dat manuscript, maar het bleef een massieve pil en ging gebukt onder de enorme hoeveelheid onderzoek en het statige proza van de auteur. Het was doorspekt met indringende beeldspraak en stond vol cirkelredeneringen en herhalingen. Op het onbegrijpelijke af was het genuanceerd en soms tegenstrijdig. Foucault beschreef het als een ‘archeologie’ van de waanzin ‘voordat die in kennis wordt gevangen’, termen die zijn carrière later zouden karakteriseren. Voor een wetenschappelijk werk was het boek ongekend levendig, vol met gekreun en gemurmel (weer zo’n typische Foucault-term) van de gekken wier vage stempels op de geschiedenis hij uit de schaduwen had opgegraven. Maar het zat zo vol met barokke stijlfiguren dat wat hij had opgegraven weer onder bombast dreigde te worden begraven. Hoewel de commissie van vooraanstaande filosofen hem cum laude liet afstuderen, verweten ze hem in hun officiële rapport de ‘neiging verder te gaan dan de feiten’ met het doel ‘een “effect” te creëren’. Foucault gaf later tegenover een vriend die hem complimenteerde met de schoonheid van zijn proza toe: ‘Als ik dit boek vandaag weer moest schrijven, dan zou ik minder retorisch zijn.’

Narrenschip

Toch moesten zelfs de mopperaars toegeven dat het een origineel boek was. Door de status van de krankzinnige in de Europese cultuur te traceren via koninklijke bevelen, logboeken van inrichtingen, rechtszaken, medische verhandelingen, filosofische traktaten, schilderijen en literatuur, poneerde Foucault een verbluffende theorie: waanzin kende geen objectieve werkelijkheid. Het was door mensen uitgevonden onder verschillende omstandigheden en de betekenis ervan was in de loop der tijd radicaal veranderd. In de middeleeuwen namen de gekken van Europa een onduidelijke positie in, tegelijkertijd gemeden en gevreesd als bronnen van duistere openbaring – de ‘nietigheid die het leven zelf is’, de naderende apocalyps. Sommigen mochten over het platteland zwerven of aan de randen van de stad wonen, schreef Foucault. Anderen werden naar zee gestuurd en voeren door de havens van Europa op een ‘narrenschip’, dat beroemd werd door de schilderkunst van Jheronimus Bosch.

Geleidelijk aan kreeg waanzin echter een mildere representatie: minder bovenaards, menselijker. Voor de humanisten van de renaissance zoals Erasmus, de auteur van de satirische verhandeling Lof der zotheid (1511), was gekte geen kanaal voor eschatologische of goddelijke waarheden, maar eerder voor aardsere lessen. Erasmus zag waanzin in ons vermogen tot zelfmisleiding, overmoedigheid, pedanterie en andere alledaagse morele tekortkomingen. Kort gezegd: waanzin was redeloosheid – de tegenhanger van rede. Foucault formuleerde het als een soort tweedeling: ‘Elk is een maat voor de ander, en in deze wederzijdse verwijzing verwerpt het een het ander maar is er ook logisch afhankelijk van.’

Menselijk of buitenaards, de gek bevond zich op de culturele drempel, in gesprek met de rede maar verbannen naar de marges van de samenleving, naar wat Foucault in nog zo’n tweedeling ‘het binnenste van het buitenste of omgekeerd’ noemde. Voor Foucault, een zeer visueel ingestelde schrijver, die het gebruik van metaforen niet kon laten, was de waanzinnige gek van de renaissance een archetypisch liminaal figuur, die ‘de simpele scheiding tussen daglicht en duister, licht en schaduw, dromen en waken, de waarheid van de zon en de kracht van middernacht’ belichaamde. Een dergelijk clair-obscur is een van Foucaults belangrijkste karakteristieken; zijn werk zit vol met dageraden en schemeringen, bliksemschichten en halfschaduw – de visuele tegenhangers van zijn liefde voor paradoxen en tegenstellingen, van zijn Batailleachtige hang naar samenkomende extremen, van zijn structuralistische neiging om de wereld te bezien door een bril van binaire tegenstellingen.

Foucaults boek beschrijft een enorme verschuiving: wanneer in Europa de Verlichting begint – Foucaults ‘klassieke tijd’ – scheiden de wegen van waanzin en rede. Waanzin verplaatst zich volgens hem van het schip naar het ziekenhuis, dat eigenlijk een gevangenis is. Gekken worden voortaan opgesloten en vergeten. Die gebeurtenis is het hoogtepunt van het boek en Foucault geeft precies aan wanneer dit gebeurde: tussen 1656, toen in Parijs het Hôpital Général werd gesticht om de armen en gestoorden op te sluiten, en 1794, midden in de Franse Revolutie, toen de hervormingsgezinde arts Philippe Pinel de gekken in het Bicêtre-gesticht van hun ketenen ontdeed en zo een nieuw tijdperk inluidde waarin waanzin wordt beschouwd als een medisch probleem – als een ziekte van de geest. Foucault noemt deze periode ‘het Grote Opsluiten’ en hij komt met een aantal feiten om deze bewering te staven: in de zeventiende eeuw werd een op de honderd inwoners van Parijs opgesloten in een huis van bewaring en een op de tien mensen die naar het armenhuis, het Hôpital Général, werden gestuurd was ‘gestoord, dementerend, zonderling, of iemand die behoorlijk gek gemaakt was’.

Maar Foucaults kroongetuige, de expert met wie hij zijn hoofdstuk over het Grote Opsluiten begint, is Descartes. Hij citeert uit de eerste Meditatie van de filosoof, waarin Descartes de mogelijkheid overweegt en meteen ook weer verwerpt dat hij om de tuin geleid wordt omdat hij gek is. ‘Men kan niet aannemen dat men gek is, zelfs niet in gedachten,’ schrijft Foucault, de logica van Descartes parafraserend. ‘Want waanzin is nu juist een toestand die denken onmogelijk maakt.’ Voor Foucault is Descartes’ bewijs doorslaggevend: de rede heeft gezegevierd en ‘de waanzin is verbannen’. Hoewel een méns nog steeds gek kan worden, kan het dénken, als de soevereine handeling uitgevoerd door iemand die de waarheid zoekt, niet langer zonder rede zijn. Er is een nieuwe scheidslijn verschenen, die de ervaring die de renaissance zo vertrouwd was – redeloze rede of redelijke redeloosheid – onmogelijk maakt.

Hiermee hebben we de essentie van Foucaults betoog te pakken. Zijn doel, zo verklaart hij in het oorspronkelijke voorwoord, ‘is om dat moment van verbanning te bepalen, de gebeurtenis waardoor Rede en Waanzin uit elkaar vallen, als dingen die elkaar voortaan vreemd zijn, doof voor elke vorm van uitwisseling, bijna dood voor elkaar’. Het bewijs van Descartes is die gebeurtenis. Tegen de tijd dat de gevangenen in Bicêtre van hun ketenen worden ontdaan, honderdvijftig jaar later, zal de waanzin allang van de rede zijn gescheiden. Vanaf dat moment, zegt Foucault, heeft waanzin geen eigen stem meer; hij zal vooral bestaan als ‘de taal van de psychiatrie, die een monoloog is van de rede óver de waanzin’.

De enige uitzonderingen op deze regel zijn een handvol avant-gardeschrijvers en -kunstenaars, onder wie Nietzsche, Van Gogh, de Duitse dichter Friedrich Hölderlin en de Franse toneelschrijver Antonin Artaud – van wie bekend is dat ze allemaal aan een geestesziekte leden. Hun werk, zo stelt Foucault, is doordrongen van een soort lyrische onredelijkheid. Zoals hij uitlegde bij de verdediging van zijn proefschrift: ‘Om over waanzin te spreken, moet je het talent van een dichter hebben.’ Waarop een bewonderende professor in de examencommissie antwoordde: ‘Maar u, meneer, u hébt dat talent.’

Dit is een bewerkt fragment uit Mijn leven in theorie van Emily Eakin, dat op 26 augustus 2026 is verschenen bij Athenaeum.

Mijn leven in theorie. Over moderne Franse filosofen
Emily Eakin
vert. Marlies Weyergang, Hilje Papma, Arwin van der Zwan en Annemie de Vries

Athenaeum
512 blz.
€ 34,99

Loginmenu afsluiten