Home IJzeren Lijst IJzeren Lijst 5. Meditaties van René Descartes
IJzeren Lijst

IJzeren Lijst 5. Meditaties van René Descartes

Door Alexandra van Ditmars op 26 augustus 2014

IJzeren Lijst 5. Meditaties van René Descartes

‘Ik denk, dus ik ben’. Dankzij deze woorden werd de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) een van de meest geciteerde filosofen. Hij kwam tot deze conclusie in zijn Meditaties (1641), waarmee hij op nummer vijf van de IJzeren Lijst staat. In het werk vraagt Descartes zich af hoe er een fundament te vinden valt voor betrouwbare kennis. Om dat punt te vinden beoefent hij de omgekeerde weg: hij begint eerst maar eens aan alles te twijfelen.

Toen Descartes in 1639 aan zijn Meditaties begon woonde hij al zo’n tien jaar in Nederland, waar hij de meeste van zijn ideeën ontwikkelde. Hij begint zijn Meditaties met het voornemen dat hij voor één keer in zijn leven ‘zijn geloofsovertuigingen zou zuiveren van alles wat twijfelachtig is’. Het was hem opgevallen dat veel dingen die hij zeker dacht te weten, later toch niet zo zeker bleken te zijn. Daarom besluit hij alles welbewust in twijfel te trekken, om vervolgens te kijken wat er nog overblijft.

De nadruk bij deze sceptische methode ligt op het rationalisme, waarbij zintuiglijke kennis als onbetrouwbaar wordt gezien, en enkel verstandelijk denken ware kennis kan opleveren. Waar het in de Renaissance nog heel gebruikelijk was de wereld emoties, doelmatigheden en intelligentie toe te schrijven, ‘mechaniseert’ Descartes met zijn filosofie juist het wereldbeeld. Hij stelt dat je door middel van het stap voor stap ontleden van kennis tot zekere uitspraken kan komen – een methode die wij nu wetenschappelijk noemen. Hierdoor wordt Descartes vaak gezien als vader van de moderne wijsbegeerte en moderne wetenschap.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Descartes wil dat zijn fundamentele twijfel aan alle zekerheden grondig en systematisch gebeurt. In zes korte hoofdstukken zet hij helder uiteen waar hij aan twijfelt, welke gevolgen dit heeft, en op welke onbetwistbare kennis hij door deze twijfel stuit. De conclusies van zijn experiment zijn vanaf het begin duidelijk: de volledige titel van het werk luidt Meditaties over de eerste filosofie in welke het bestaan van God en de onsterfelijke ziel worden bewezen. Grote beloften dus, en Descartes pakt het dan ook radicaal aan: hij begint zijn Meditaties met het betwijfelen van het bestaan van alle materiële dingen.

Hallucinatie
Alle ideeën over onze buitenwereld zijn gebaseerd op informatie die we via onze zintuigen binnenkrijgen. Maar die zintuigen zijn helemaal niet te vertrouwen, stelt Descartes. Iedereen heeft bijvoorbeeld wel eens iets over het hoofd gezien of verkeerd verstaan. ‘Van de zintuigen heb ik gemerkt dat ze ons soms bedriegen en het is verstandig om nooit helemaal te vertrouwen op wat ons ook maar één keer heeft misleid,’ schrijft Descartes. Hij merkt op dat we ervan uitgaan dat de wereld de eigenschappen heeft die de meerderheid van de mensen eraan toekent. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hoe de mens kleuren ziet. Iemand die kleurenblind is ziet kleuren ‘verkeerd’, zoals de meeste mensen kleuren ervaren is ‘juist’. Maar waarom denken we dat eigenlijk? Dit brengt Descartes op de grondgedachte van zijn rationalisme: iedere waarneming kan op zinsbegoocheling berusten of een hallucinatie zijn; objecten kunnen niet betrouwbaar met de zintuigen worden waargenomen.

Vervolgens gaat Descartes nog een stap verder door zich af te vragen hoe we eigenlijk kunnen weten of we dromen of wakker zijn. Misschien is ons hele leven wel een droom, of erger nog: een illusie. Hierop volgt een van de beroemdste passages uit Descartes’ werk: de hypothese van de bedriegende geest. Descartes oppert de mogelijkheid dat onze hele wereld wordt gecreëerd door een kwade geest die allerlei illusies in ons plaatst. Hierdoor begint hij niet alleen aan het bestaan van de buitenwereld, maar ook aan het bestaan van zichzelf te twijfelen: ‘Ik neem aan dat de hemel, de lucht, de aarde, kleuren, vormen, geluiden, alles wat buiten mij is, uit niets anders bestaat dan uit droomspelletjes, waarmee hij mijn goedgelovigheid in de val lokt. Ik beschouw mijzelf alsof ik geen handen heb, geen ogen, geen vlees, geen bloed, geen enkel zintuig, maar dat ik ten onrechte meen dat ik dit alles heb’.

Wat blijft er in al deze onzekerheid nog over? Alle vastigheid lijkt onder Descartes’ voeten te zijn weggeslagen. Maar dan beseft hij zich dat ondanks dat hij niet weet of hij wordt bedrogen of niet, hij niet kan twijfelen aan het feit dat hij twijfelt. Dit betekent dat er iets moet bestaan dat twijfelt, en dat moet hij zelf zijn. Zo komt Descartes tot zijn conclusie ‘cogito ergo sum’: ik denk, dus ik ben. Het bestaan van de menselijke ziel – die hij gelijkstelt aan het bewustzijn – is voor hem hiermee bewezen. De ziel is uitsluitend een denkend, onstoffelijk ding – een res cogitans – zonder enige lichamelijkheid. Alle materiële dingen  – de res extensa – zijn in dit stadium van de meditaties nog onzeker.

Opmerkelijk is dat ‘cogito ergo sum’ helemaal niet letterlijk voorkomt in de Meditaties, al wordt dit werk wel vaak als bron ervan gegeven. Het citaat is in werkelijkheid afkomstig uit zijn andere filosofische hoofdwerk Over de methode (1637). De uitleg van deze uitspraak staat echter wel in zijn Meditaties: ‘Maar wat ben ik dan wel? Een denkend ding. Wat is dat? Dat is iets dat twijfelt, begrijpt, bevestigt, ontkent, wil en niet wil; en ook iets dat voorstellingen heeft en ervaart (…). Al zou ik altijd slapen en zelfs al zou degene die mij schiep mij zoveel mogelijk voor de gek houden, dan nog zijn al deze dingen niet minder waar dan het feit dat ik besta’.

God bestaat
Nadat Descartes ervan overtuigd is dat hij zelf bestaat, stuit hij op zijn tweede zekerheid: het bestaan van God. Descartes heeft niet zelf voor zijn bestaan gekozen, zo concludeert hij, dus moet er iets hogers zijn waar zijn bestaan van afhangt. Dit moet een perfect wezen zijn, en er is geen andere mogelijkheid dan dat dit God is. Descartes legt dit uit aan de hand van zijn ‘cirkelvoorbeeld’: iedereen kan zich een perfecte cirkel voorstellen, maar in de buitenwereld komen we nooit een perfecte cirkel tegen. Ondanks de imperfecties van de mens kunnen wij ons dus blijkbaar wel een voorstelling maken van perfectie. De enige verklaring hiervoor is – volgens Descartes – dat een perfect wezen ons hiermee begiftigd heeft: God moet deze perfecte voorstelling in de mens hebben geplaatst. Dat geldt niet alleen voor de cirkel, maar ook voor God zelf: de imperfecte mens kan zich alleen het bestaan van een perfecte God voorstellen omdat God die voorstelling zelf in de mens heeft geplaatst.

De mens maakt bij het inzien van het bestaan van God gebruik van zuivere cognitie: de waarneming met de geest. Dit is de waarneming waarmee Descartes eerder inzag dat hij bestaat omdat hij twijfelt. In tegenstelling tot de zintuiglijke waarneming ziet hij de zuivere cognitie als voldoende voorwaarde voor kennis. Onze cognitie van God behoort daartoe; we nemen God immers nooit in persoon waar, het gaat erom dat wij ons Hem voor kunnen stellen. Vanuit deze gedachte verwerpt Descartes vervolgens de hypothese van de boze geest: aangezien de schepper een perfect wezen moet zijn, zou er bij deze schepper nooit sprake zijn van zonden als bedrog.

Nu daar niet langer aan getwijfeld hoeft te worden, is het bestaan van de buitenwereld ook niet langer onzeker. God zou ons als perfect wezen namelijk nooit misleiden, dus onze werkelijkheid moet wel bestaan. Doordat het menselijk intellect echter eindig is, worden er soms door de mens verkeerde redenaties gemaakt: ons verlangen naar kennis is groter dan hetgeen we werkelijk kunnen begrijpen.

Van de sceptische houding die Descartes in het begin van het werk aanneemt blijft op het einde dus weinig over: gelukkig blijken er wel degelijk zekerheden te zijn in het menselijk bestaan. Voordat Descartes zijn Meditaties liet publiceren stuurde hij het werk naar verschillende wetenschappers. Hij publiceerde het vervolgens inclusief hun bezwaren, en met zijn reacties daarop. Het werk werd ontzettend populair, en bleef dat. Ondanks de vele eeuwen die zijn verstreken is de boodschap ervan nog steeds duidelijk: hou je redeneringen zuiver en geloof alleen wat je zelf helder hebt ingezien.