Home Psyche Op de divan bij Lacan
Psyche

Op de divan bij Lacan

Een authentiek ‘ik’ bestaat niet, zei de Franse psychiater Jacques Lacan. Identiteit ligt verankerd in gemeenschappelijke zaken als taal, geschiedenis en sociale codes. Beroemd werd hij door zijn lezingen – en de ultrakorte sessies op zijn divan.

Door Annette van der Elst op 24 december 2020

Jacques Lacan psycho analyticus illustratie Hajo de Reijger beeld Hajo de Reijger
Cover van 01-2021
01-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

De flamboyante Franse denker Jacques Lacan (1901-1981) was in de tweede helft van de twintigste eeuw een fenomeen. Vanaf de jaren vijftig begon hij, vaak gehuld in een opzichtige bontjas, in Parijs lezingen te geven die beroemd werden. Zijn schoonzoon en tamelijk fanatieke schatbewaarder, Jacques Alain Miller, tekende deze ‘semi­naries’ op – Lacan zelf schreef nauwelijks. Hij gaf ze in overvolle zalen waar tout Paris aanwezig wilde zijn.

En daar bleef het niet bij, ook wilde ‘iedereen’ bij Lacan in analyse. Nog steeds verschijnen er regelmatig getuigenissen van voormalige patiënten die op Lacans divan hebben mogen liggen en vertellen over zijn nogal ongebruikelijke methode, waaronder ook de zogeheten séances courtes: na vijf minuten stond je weer buiten.

Talloze biografieën zijn er over Lacan geschreven, evenals aardig wat venijnige kritieken, die hem afdoen als een charlatan. Maar kennen we die persoon Lacan daarmee wel? Getuige de grimmige ruzie tussen zijn twee dochters over zijn begrafenis – sober seculier of somptueus katholiek – was zelfs zijn opvatting over religie niet eenduidig.

Dat Jacques Lacan als persoon en als denker niet eenvoudig te plaatsen is, kan volgens zijn eigen theorie bijna niet anders: de mens, iedere mens, is ondoorgrondelijk, luidt een van zijn basisideeën. Lacan verzette zich tegen de gedachte dat er zoiets is als een authentiek, onvervalst en uniek ik of ego dat diep in ons schuil zou gaan. Dat is een fictie, aldus Lacan. Ga je terug naar de etymologie, dan zie je dat het woord ‘identiteit’ naar het Latijnse identitas verwijst, dat ‘gelijkheid’ of ‘hetzelfde’ betekent. Zo bezien verwijst identiteit dus niet naar een verborgen uniek zelf, maar juist naar een gemeenschappelijk noemer, naar de groep waar je deel van uitmaakt. Lacan heeft het over de ‘symbolische orde’: het geheel aan wetten, normen, regels, sociale codes en sociale instituties, en vooral ook: de taal.
Deze orde noemt hij ook wel ‘de Ander’ – niet te verwarren met een concrete andere persoon.

Imaginair zelfbeeld

Die concrete andere persoon draagt wel de symbolische orde uit, stelde Lacan. Een kind krijgt via ouders de taal aan­gereikt, maar ook de wetten en sociale codes van de groep waartoe het behoort, en verwerft zo een identiteit. En omdat wij altijd tot meerdere groepen behoren – familie, werk, het land waarin we wonen – dragen we ook altijd meerdere identiteiten met ons mee. Identiteit ligt zo verankerd in de geschiedenis – in je familieverhaal, de taal die je spreekt, in de verhalen die hun sporen hebben nagelaten.

Via die symbolische orde verwerven we ook wat in de psychologie ‘affect­regulering’ heet. Door de taal die we aangereikt krijgen, leren we allerlei verbrokkelde en onbestemde sensaties (‘affecten’) te benoemen. Ze worden ‘gevoelens’ die we vervolgens in een narratief kunnen plaatsen en zo kunnen verbinden met gebeurtenissen en mensen in het heden en ons verleden.

De identiteit die je via de symbolische orde krijgt, staat tegenover een idee van identiteit als een vermeende eenheid. Lacan heeft het bij dat laatste over een ‘imaginaire positie’. Hij verwijst naar het moment waarop de moeder een klein kind voor de spiegel houdt en zegt: ‘Kijk, dat ben jij.’ Dit zelfbeeld als een totaalbeeld is imaginair, want het kind ervaart zichzelf nog als geheel verbrokkeld en vooral onmachtig. Bovendien komt dit zelfbeeld van buiten: het is de moeder die het voorhoudt.

Deze imaginaire positie is er volgens Lacan een van een fictieve almacht en volledigheid. Ze brengt ons in een ‘duele relatie’, waarbij de een de spiegel is van de ander, een relatie die behalve door almacht en volledigheid ook gekenmerkt wordt door afgunst, rivaliteit en wedijver. Deze spiegelende relatie kan volgens Lacan alleen doorbroken worden door de symbolische orde, zoals de taal. Die voert het tekort, de onvolkomenheid en de beperktheid in.

Niet alleen worden we ‘beïnvloed’ door de (structuur) van de taal, we zijn er ook van afhankelijk. Wij zijn, aldus Lacan, om die reden geen natuur-, maar cultuurwezens. De mens is wat hij noemt een parlêtre (een samenvoeging van parler en être): een door taal bepaald wezen. Volgens Lacan schieten we als biologisch wezen tekort: we kunnen niet terugvallen op natuurlijke gedragspatronen. We zijn aangewezen op externe sturing. En die komt van de cultuur, die helpt het biologische tekort te compenseren. Waar het dier is afgestemd op de omgeving, is de mens dat niet. Hij is wezenlijk vervreemd en ‘opengebroken’.

Betekenis

We worden volgens Lacan dus gedragen door de taal. Lacan put hierbij uitgebreid uit het werk van de Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure en dat van de Franse cultureel antropoloog Claude Levi-Strauss, voor wie hij groot ontzag had. Kort gezegd komt het inzicht van Saussure (1857-1913) erop neer dat betekenis niet ligt in de verwijzing naar de buitenwereld, maar naar een concept: het woord ‘boom’ verwijst naar het concept ‘boom’, niet naar een boom in de buitenwereld. Bovendien is het concrete woord ‘boom’ volstrekt willekeurig; het kan ook arbre zijn of tree of ‘blabla’. De verbinding aan het concept geeft het teken betekenis.

 De mens, iedere mens, is ondoorgrondelijk, luidt een van zijn basisideeën

Lacan radicaliseerde deze notie. Dat leidde tot de stelling dat niet de mens – Lacan had het liever over ‘het subject’ – zich in de taal uitdrukt, maar dat de taal zich uitdrukt in en via het subject. Dat betekent in zekere zin ‘de dood van de auteur’, zoals Roland Barthes schreef. Barthes, land- en tijdgenoot van Lacan, is bekend van zijn semiologische studies van alledaagse producten en de populaire cultuur, zoals rode wijn en biefstuk, Hollywood-films en auto­modellen van het Franse merk Citroën. Hij beroept zich expliciet op le docteur Lacan en concludeert in navolging van hem dat het symbool voortkomt uit de noodzaak voortdurend te verwijzen naar ‘het niets van het ik dat ik ben.’

Lacan grijpt in zijn werk terug op grote denkers, onder wie Immanuel Kant. Maar het meest diepgaand is hij beïnvloed door Sigmund Freud. Freud was een revolutionaire denker, betoogt Lacan. Wie diens Traumdeutung aandachtig bestudeert, stelt hij, ziet dat het onbewuste gestructureerd is als een taal. Het enige wat we moeten doen, houdt Lacan zijn publiek van psychiaters en psychoanalytici voor, is Freud goed lezen.

Toch wijkt hij in één opzicht openlijk af van zijn leer­meester, en dat is bij het thema psychoses. Waar Freud een behandeling hiervoor nog als onmogelijk ziet, omdat de psychose een aandoening van het brein zou kunnen zijn, ontwikkelde Lacan juist wel een uitgebreide behandeling, waarbij hij sterk leunt op filosofen en literatuur, en dan vooral op de Ierse schrijver James Joyce.

Lacan ziet de psychose niet als een gevolg van een lichamelijk of neurologisch probleem, hoewel niet uitgesloten is dat biologische factoren een rol spelen, zoals bij alle psychische problemen. Hij ziet de psychose als een radicale verwerping van de fundamenten van de symbolische orde, waardoor de taal haar structurerende functie verliest. De wereld wordt betekenisloos en tegelijkertijd ervaren als een almachtige ‘Ander’. De relatie is dan een loutere machtsrelatie, waarbinnen geen ruimte is voor relativering.

De waan is vanuit dit perspectief niet het probleem van de psychose, maar juist een door de psychoticus gebruikt middel om nog enige controle te krijgen over de wereld. De kern van de psychose is een gebrek aan vertrouwen in de ander. De lacaniaanse aanpak bestaat eruit dit vertrouwen waar mogelijk te herstellen.

Erfenis

‘Wanneer je lang genoeg dood bent, word je in de studieboeken in drie regels samengevat. Maar als het om mij gaat, ben ik niet zo zeker in welk studieboek ik terecht zal komen,’ zei Lacan aan het einde van zijn leven in een lezing die postuum is verschenen in Mon Enseignement (2005). Hij kreeg gelijk: Lacans intellectuele erfenis is breed terug te vinden in onder meer de filosofie, literatuurwetenschappen, vrouwenstudies, theologie, en uiteraard in de psychiatrie en psychoanalyse — het eigenlijke vakgebied van Lacan.

Lacan geniet nog steeds wereldfaam, hoewel hij Nederland nooit helemaal heeft weten te veroveren; zelfs door Nederlandse psychiaters en psychoanalytici wordt hij maar mondjesmaat gelezen. Ga je evenwel in zuidelijke richting een tiental kilometers de grens over, dan kun je deelnemen aan diverse studiekringen die het denken en de psychoanalytische praktijk van Lacan onderwijzen, bestuderen en voortzetten. In vooral Frans- en Spaanstalige landen zijn de psychiatrie en psychoanalyse diep doordrongen van de lacaniaanse zienswijze en praktijkvoering.

In de VS zijn de literatuur- en cultuurwetenschappen sterk beïnvloed door Lacans denken. Overigens is het gedachtegoed via deze weg ook weer Nederland binnengeslopen. In Aziatische landen wordt Lacan gewaardeerd én herkend vanwege de overeenkomst tussen zijn psychoanalytische inzichten en bijvoorbeeld zenboeddhisme, waarin niet de ‘volheid’ van betekenis, maar juist de leegte centraal staat. En natuurlijk is de twintigste- en eenentwintigste-eeuwse filosofie ingrijpend beïnvloed door Lacan. Denk aan filosofen als Jacques Derrida, Alain Badiou en Slavoj Žižek.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.