Om de geest te begrijpen kijken we te veel van buitenaf, zegt Mark Solms. ‘Niet ons brein, maar wat we ervaren, maakt wie we zijn.’
‘De meest fundamentele eigenschap van de menselijke geest,’ zegt psychoanalyticus Mark Solms al aan het begin van ons gesprek, ‘is dat die subjectief is.’ De geest is de manier waarop iemand ís. Je kunt dat niet vastpakken of waarnemen, maar alleen ervaren. Bovendien kun je alleen je eigen geest ervaren. En dat is een groot probleem voor de wetenschap, die de geest op objectieve wijze wil kunnen onderzoeken. De academische psychologie heeft om die reden subjectiviteit uitgesloten, om zo alleen observeerbare verschijnselen te bestuderen zoals gedrag, de anatomie van het brein, chemische processen in het zenuwstelsel en hersenfuncties zoals geheugen, cognitie of waarneming. ‘Maar dat is onjuist,’ zegt Solms. ‘Psychische ervaringen als liefde, vrees, vreugde, verdriet, pijn en frustratie zijn deel van de realiteit. Die kunnen we niet reduceren tot de biologie van het brein of tot algemene empirische wetten over menselijk gedrag.’
Solms – die wordt onthaald als de ‘nieuwe Freud’ – heeft een tournee door Europa en de Verenigde Staten achter de rug over zijn nieuwste boek, The only cure. Freud and the neuroscience of mental healing (2026). Daarin betoogt hij net als Freud dat de menselijke geest niet uitsluitend kan worden begrepen in biologische termen, maar ook als subjectief verschijnsel, als ervaring, moet worden gezien.
Mark Solms (1961) is een Zuid-Afrikaanse neuropsycholoog en praktiserend psychoanalyticus. Hij is hoogleraar neuropsychologie aan de Universiteit van Kaapstad. Als een van de grondleggers van de neuropsychoanalyse probeert Solms de kloof tussen Freud en de moderne neurowetenschappen te overbruggen.
U bent zelf hoogleraar neuropsychologie. Dit vakgebied houdt zich bezig met de biologische grondslag van de psyche, dus met de anatomie van het brein en de chemische processen die daarin werkzaam zijn. Juist in dit vakgebied bestaat de tendens om psychische en emotionele verschijnselen te verklaren vanuit de fysiologie van het brein.
‘Dat klopt. Het woord “neuropsychologie” is een misplaatste term, want de nadruk ligt in dit vakgebied vooral op “neuro” en weinig op de psyche. Want waar is de psyche? Er is iets bijzonders aan de hand met de menselijke geest: het is het enige object in het ons bekende universum dat een idee heeft van zichzelf, dat ervaart dat het ervaart. Om de geest te begrijpen, moeten we deze subjectiviteit dus ook mee beschouwen.’
Wat u zegt, doet denken aan Spinoza. Hij dacht dat een gevoel, of affect zoals hij dat noemt, ook de ervaring van dat affect is. Dus je bent niet alleen blij, maar je hebt ook de ervaring dat je blij bent. Hij geloofde dat materie en geest twee aspecten van hetzelfde ding zijn.
‘Ik ben groot bewonderaar van Spinoza. Ruim driehonderdvijftig jaar geleden formuleerde hij al zijn theorie dat materie en geest geen gescheiden dingen zijn, maar twee uitingsvormen van hetzelfde ding. Dat is ook mijn positie: er zijn twee perspectieven om naar hetzelfde verschijnsel te kijken, net zoals ik op twee manieren mezelf kan ervaren. Als ik ‘s ochtends wakker word, ervaar ik dat ik wakker ben. En als ik vervolgens naar de badkamer strompel, zie ik mezelf in de spiegel. Zijn er dan twee Mark Solmsen? Nee, natuurlijk niet, maar er zijn wel twee aspecten. Er is er één dat je vanbuiten kan waarnemen als lichaam en één dat je ervaart van binnenuit. Zo kun je ook naar de geest kijken: die kun je zien als orgaan – van buitenaf – en als ervaring – van binnenuit. De fysiologie en de subjectieve ervaring zijn twee aspecten van de geest, die allebei even reëel zijn.’
Een ‘hardcore’ breinwetenschapper – en misschien ook wel het dominante vertoog binnen de wetenschap – zal zeggen dat gevoelens te herleiden zijn tot processen in het brein. Mentale en gedragsproblemen, zoals verslaving, ADHD, depressie, worden vaak op die manier geduid. Vanuit die visie is er uiteindelijk slechts één invalshoek: die van de materie.
‘Wanneer je zegt dat een bepaald gevoel eigenlijk niet meer is dan een chemische staat van het brein, dan maak je daarmee een enorme sprong. Want hoe werkt die transformatie van chemie naar gevoel en naar de ervaring van dat gevoel dan? Waarom zijn die gevoelens er überhaupt? Wanneer je zegt dat gevoelens “eigenlijk” breinprocessen zijn, laat je weg wat er nu juist verklaard moet worden. Namelijk: waaruit bestaat die ervaring? Je ontkent dus de ervaring zelf en daarmee ook je eigen subjectiviteit. Je gaat voorbij aan het feit dat je die ervaringen hebt en dat die ervaringen op zichzelf genomen een effect hebben op jouw gedrag, je idee van je identiteit en je visie op de wereld. Die positie vind ik daarom absurd.’
En zo komt u uit bij Sigmund Freud, de grondlegger van de psychoanalyse. Hij begon als onderzoeker van het zenuwstelsel en besloot uiteindelijk ook om zich bezig te houden met de geest van binnenuit.
‘Freud zocht naar het grotere plaatje en wilde net als Spinoza de geest vanuit verschillende standpunten bestuderen, vanbuiten én vanbinnen. Over dat laatste zei hij dat hij de “geest in werking” wilde onderzoeken. Dat deed hij door in een specifieke context, in zijn behandelkamer, en op een specifieke manier te luisteren naar wat er op dat moment in de hoofden van zijn patiënten omging. Daarbij was het van belang dat de patiënt zoveel mogelijk vrij associeerde; hij moest zeggen wat er op dat moment in hem opkwam. Op basis van deze observaties formuleerde Freud, ruim een eeuw geleden, een mensbeeld dat nog altijd het meest diepgaande en adequate is. We zouden er goed aan doen om binnen de psychologie het werk van Freud serieuzer te nemen en weer op de leeslijst te zetten.’
Over welk mensbeeld heeft u het dan?
‘Grofweg gezegd zijn mensen, net als andere dieren, wezens met behoeften. Die behoeften hebben alles te maken met zelfbehoud en het overleven van de soort. Bevrediging van een behoefte – bijvoorbeeld eten als je honger hebt of seks hebben – geeft lust, het uitblijven van bevrediging geeft onlust. Dit lustprincipe is de drijvende kracht achter ons gedrag, stelde Freud. Maar hij zag dat een baby die de borst krijgt, ook nadat hij verzadigd is door blijft zuigen. Ook seks in engere zin, zo nam hij waar, bedrijven we niet louter om ons voort te planten, maar om onze lust te bevredigen. Zo verklaarde hij ook masturbatie, homoseksualiteit of seks met voorbehoedmiddelen. Wat de baby motiveert om te zuigen, wat mensen motiveert om seks te hebben, is de lust zelf. En dat is een verschuiving van een biologisch gegeven naar een psychologisch gegeven, van biologie naar psychologie. We worden niet direct gedreven door de behoefte op zichzelf, maar door een gevoel. Freud noemde die lustgevoelens seksueel.’
Daar bent u het niet helemaal mee eens, stelt u in uw boek.
‘Ik ben het eens met zijn globale idee dat plezier en welbevinden motiverend zijn en niet de biologische behoeften als zodanig. Als ik chocola eet, doe ik dat niet omdat ik honger heb, maar omdat ik het lekker vind. Waar ik het niet met Freud eens ben, is dat hij alle vormen van lust seksueel noemt. Dat is het voordeel van de toegenomen mogelijkheden die we nu hebben om het brein te onderzoeken. Plezierige gevoelens correleren met een veranderde chemische samenstelling van het brein, met een toename van neurotransmitters zoals dopamine, endorfine of serotonine. Wat we nu weten, is dat er verschillende soorten plezier en lust zijn die corresponderen met verschillende typen neurotransmitters en andere circuits in het brein. Bij een gevoel van overwinning komen andere neurotransmitters vrij dan bij een gevoel van ontspanning. En dat betekent ook dat we niet door één soort lust worden gedreven, maar door meerdere. Dat een baby zuigt aan de borst heeft bijvoorbeeld niet alleen met voeding, maar ook met hechting te maken. Voor een kind is het belangrijk om zich veilig te voelen en daar komen allerlei gevoelens van hechting, van liefde, uit voort. Dat is waar psychoanalytici na Freud, onder wie John Bowlby en Donald Winnicott, zich mee bezighielden. Onze hechting aan anderen heeft te maken met wat ons een gevoel van veiligheid geeft.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Een belangrijk aspect van psychoanalytische theorie is het idee van het onbewuste. U verbindt dat aan hedendaagse inzichten in de werking van het geheugen.
‘Freud zag dat dingen die we geleerd hebben, maar waarvan we geen besef hebben dat we die geleerd hebben, ons enorm beïnvloeden. Dat is wat hij het onbewuste noemde. Freud verbond dit met zijn ideeën over de werking van het geheugen en veronderstelde dat er meerdere geheugensystemen zijn. Hij onderscheidde er ten minste drie: sommige herinneringen zijn bewust, sommige zijn onbewust maar kunnen bewust gemaakt worden en sommige herinneringen blijven onbewust. Dat komt overeen met hoe we nu naar het geheugen kijken. Het eerste komt overeen met wat we nu het kortetermijngeheugen noemen, het tweede met het declaratieve geheugen, waarmee je herinneringen kunt “ophalen”, en ten slotte is er het non-declaratieve geheugen. Daarmee kun je herinneringen niet ophalen, maar deze zijn wel van invloed op je gedrag, zonder dat je je daar bewust van bent.’
Kunt u van dat laatste een voorbeeld geven?
‘Neem je hechtingsstijl, dus de manier waarop je je in relaties gedraagt; of je nabijheid kunt toelaten en conflicten kunt aangaan zonder angstig te worden. Daarbij zie je dat de kindertijd een lange schaduw over het leven werpt, want dat is een kritische periode in de ontwikkeling van ons emotionele leven. Wat daarin gebeurde, kunnen we vaak niet ophalen, niet tot bewustzijn brengen. Freud noemde dat “de infantiele amnesie”. Wetenschappelijk onderzoek toont inderdaad aan dat het geheugensysteem geleidelijk op gang komt. Het declaratieve geheugensysteem is eenvoudigweg nog niet rijp. Daarom is het onmogelijk om je je eigen babytijd te herinneren.’
Dat brengt ons bij psychotherapie. Problemen in relaties hebben vaak te maken met aangeleerd gedrag uit de kindertijd. Oplossingen, zoals vermijding, die toen misschien zinvol waren, kunnen nu blokkerend werken. U schrijft dat psychoanalyse de beste resultaten geeft bij zulke problemen, beter dan antidepressiva en populaire cognitieve psychotherapieën.
‘Uit allerlei meta-onderzoek blijkt dat antidepressiva maar heel matig helpen tegen depressie en angstklachten. Als je stopt met die middelen, komen de klachten bovendien weer terug, want je pakt het symptoom aan en niet de oorzaak. Theorieën over tekorten aan serotonine zijn ‘kak’, zoals we dat in het Afrikaans zeggen, bullshit. Uit onderzoek blijkt helemaal niet dat de hoeveelheid serotonine of het vermogen om serotonine in het brein op te nemen bij mensen met een depressie lager of anders is. Waarom ze dan toch worden voorgeschreven? Natuurlijk vanwege de grote marketingbudgetten van fabrikanten, maar ook omdat patiënten, zorgverleners en zorgverzekeraars hopen op een snelle oplossing. Maar wat zich over een lange tijd heeft ontwikkeld, verander je niet in een korte periode. De cognitieve therapieën hebben wel een beter effect, maar ook lang niet zo goed als de psychoanalytische “talking cure”, omdat het onbewuste aangeleerde gedrag niet aangesproken wordt. Dat gedrag toont zich in de herhaling, in de relatie die je aangaat met de analyticus, die niet wegloopt als je je onmogelijk gedraagt. Daardoor kun je je bewust worden van je gedrag. De psychoanalytische therapie werkt als een soort heropvoeding – een vorm van liefde – waarin je als volwassene leert om op een andere manier om te gaan met je gevoelens en behoeften. En dat vraagt om een lange adem, maar leidt wel tot de beste resultaten, die blijvend zijn en na de kuur nog doorgaan.’
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie en de psyche? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Pre-order: Filosofie scheurkalender 2027
- Elke dag wijzer met de wijsheid van een ander
- 365 dagen filosofische citaten: pakkend en grappig
- Inspirerende uitleg bij klassieke filosofen
Filosofie Magazine tijdelijk al vanaf 6,99 per maand
- Elke maand heldere analyses van scherpe denkers
- Lees & luister onbeperkt op filosofie.nl
- Op papier én digitaal, incl. archief in de app
U onderscheidt verschillende soorten behoeften, die tot verschillende gevoelens leiden. Een daarvan is de behoefte aan kennis, dus de vreugde die we ervaren als we bijvoorbeeld Spinoza lezen. Hoe werkt dat?
‘Spinoza zelf zei al dat een groter begrip van de wereld – van God, zoals hij dat noemde – een bron van grote vreugde is. We hebben de behoefte om te weten hoe de wereld in elkaar steekt. We noemen dat tegenwoordig “de epistemologische behoefte”, die uiteraard niet seksueel is. Het gaat om het verlangen te weten, dat zich uit in gevoelens van nieuwsgierigheid en aangetrokken worden door het onbekende. Iets niet weten kan frustrerend zijn, onduidelijkheid en onzekerheid zijn soms lastig te tolereren – iets wat trouwens ook voor wetenschappers geldt, die daarom niet zelden vasthouden aan onjuiste theorieën om een kenniskloof te vullen. Spinoza spreekt over de vreugde die we ervaren als we meer kennis en inzicht hebben in de wereld of in onszelf. Die ervaring van een groter begrip kan enorm betekenisvol zijn.’
The only cure. Freud and the neuroscience of mental healing
Mark Solms
Orion
336 blz.
€ 16,97
