Home Roger Scruton: ‘Op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles’

Roger Scruton: ‘Op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles’

Door Florentijn van Rootselaar op 02 februari 2016

Roger Scruton: ‘Op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles’
Cover van 02-2016
02-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

‘We worden heel teder tegenover een wereld die op het punt van verdwijnen staat’, zegt Roger Scruton. Engelands meest conservatieve filosoof over het heilige in een goddeloze wereld.

Roger Scruton komt wat aarzelend aanlopen. Het eerste wat opvalt is zijn woeste haardos, tegenwoordig meer grijs dan rood gekleurd. Hij draagt een flodderig jasje; zijn brogues zijn ongepoetst – loopt hij met deze schoenen ook om zijn eeuwenoude boerderij in het Engelse Wiltshire? Tijdens dat rondje jaagt hij de kippen terug in het hok of hij verlaat het erf en brengt de jachtpaarden weg, in de verroeste trailer achter de Landrover – een pauze van de schrijfarbeid waar hij de meeste tijd aan besteedt.
Roger Scruton (1944) kennen we als conservatieve Oxford-professor: volgens Engelands meest elegische filosoof leven we in een tijd van verlies – van schoonheid, van menselijkheid en van liefde. Maar net zo goed bezingt hij wat gebleven is, al is dat niet altijd onomstreden: de jacht bijvoorbeeld, en de hem zo dierbare hagen rondom zijn boerderij en de kleine boerengemeenschap waarin hij leeft. Die volgen al sinds de elfde eeuw hetzelfde patroon, zo blijkt uit oude kaarten.

Wat is er in de kern verloren gegaan, wat moet bewaard blijven? Dat vertelt hij in de lobby van een Amsterdams hotel, waar hij samen met zijn vrouw verblijft vanwege zijn bijdrage aan een conferentie over de toekomst van de natuur. Alles komt neer, zo blijkt tijdens het gesprek, op de ‘ervaring van transcendentie’, het heilige – ‘dat wat zich niet laat definiëren’, zegt Scruton. In onze seculiere tijd blijkt er niet meer te zijn dan het hier en nu, dan het al te materiële. Het gevolg is volgens Scruton een gevoel van existentiële eenzaamheid. Daarom is er ook ‘in onze goddeloze tijd’ een verlangen naar verlossing, zo stelt hij in zijn nieuwe boek Eindeloos verlangen naar het heilige. En ja, die verlossing is ook nu mogelijk, denkt Scruton. Daar heb je geen God voor nodig.

Verwacht van Scruton geen gesomber over onze tijd. Eerder kiest hij voor de aanval, waarbij hij soms een bijna kinderlijk plezier toont in de provocatie. ‘In Engeland zijn mensen zich heel bewust van de natuur. Ze weten goed wat ze moeten beschermen. Hier in Nederland hebben jullie alles weggegooid en vervangen door walgelijke snelwegen. In esthetisch opzicht is jullie land de grootste nachtmerrie van Europa.’ Of neem die grijns als hij spreekt over Daniel Dennett, de bebaarde Amerikaanse filosoof die stelt dat mens en robot niet wezenlijk verschillen. ‘Bij Dennett bestaat de hele wereld uit robots met een baard.’

Maar de schimpscheuten zijn maar kleine erupties in een verhaal dat vooral een lofzang is op alles wat ons leven de moeite waard maakt. ‘Juist op het moment van dreigend verlies ervaren we de waarde van alles. Zoals Hegel al zei, vliegt de uil van Minerva pas in de schemering uit. Neem de natuur. Als we inzien hoezeer die wordt bedreigd, worden we er heel teder voor, zoals je tegenover je eigen kinderen bent. We zien in de wereld een groot verlangen om de natuur te beschermen. Of neem religie: zodra we die dreigen te verliezen, ontwikkelen we er een gevoel voor. En liefde gaat ons pas echt aan het hart als die ten einde dreigt te komen. Verlies en tederheid gaan samen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Sacraal
Transcendentie dus, dat is waar het om draait bij Scruton. Maar wat bedoelt hij nu precies met het woord dat zich niet laat omschrijven? ‘Transcendentie is dat waardoor alle mensen verlangen. Het is datgene waarnaar ze zich richten, de gedachte dat ze op de een of andere manier naar buiten kunnen. Het is een ander perspectief, een punt waar ze verenigd kunnen worden met het eeuwige en het sacrale.

Het verlangen daarnaar is eigen aan alle mensen, maar we hebben ons ervan afgewend. In de moderne wereld, waarin jegens religie scepsis overheerst, willen we er niet meer aan dat er zoiets is als het transcendente. Als we dat opgeven, geven we de helft op van wat ons tot mens maakt.

De vraag is of het transcendente nog steeds een aanwezigheid in je leven kan zijn, ook al kunnen we het niet theoretisch vatten. Ja, dat kan, zei Kant – dat was zijn grootste prestatie. Het is in diepe zin aanwezig in ons leven. In ons morele en esthetische leven. Kant wilde zelfs de christelijke religie reconstrueren op deze manier – een interessante onderneming, die ik deel. Dat boek [hij wijst naar Eindeloos verlangen naar het heilige, dat voor ons op tafel ligt] is een soort kantiaanse reflectie op de moderne conditie.’

Het blijft een lastig begrip, transcendentie. Zou u het nog wat preciezer kunnen omschrijven?
‘Het is precies dat wat je niet kunt beschrijven. Het idee is dat er een ander gezichtspunt op de wereld mogelijk is dan dat van ons beperkte schepselen, en in dat gezichtspunt wordt de hele wereld gerepresenteerd. Niet alleen de kleine delen die we verklaren in termen van elkaar, maar als een geheel. In die visie van het geheel kunnen wij mensen ook op een andere manier verschijnen, niet als een toevallig product van de geschiedenis, maar als iets noodzakelijks: we zijn gered van ons toevallige bestaan; we moeten bestaan, het is goed om te bestaan, zo is zelfs verlossing mogelijk.’

Een van de grootste bedreigingen voor dat gevoel van transcendentie, zegt Scruton, is de wetenschap: ‘Voor het idee van transcendentie is geen plaats in de wetenschap. Dat is zelfs de essentie van wetenschap. Wetenschap gaat over de verklaring van de empirische realiteit. En je verklaart dingen door de ene empirische realiteit aan de andere te relateren. De evolutietheorie is een uitbreiding daarvan. Die manier van argumenteren is immuun voor alle andere ideeën, maar die andere ideeën zijn niet leeg of nutteloos. De menselijke wereld is niet slechts een sluier over de fysieke realiteit, maar ook het centrum van betekenis waar we niet zonder kunnen.’

De wetenschap bedreigt volgens Scruton evenzeer het idee van de mens. ‘Jij en ik zijn personen. Personen handelen in vrijheid; ze nemen verantwoordelijkheid, ze gaan een relatie met elkaar aan, waarbij ze uitgaan van de vrijheid van de ander. In ons contact reiken we voorbij het fysieke naar het subject dat naar ons kijkt, waar we contact mee hebben. Als je mensen beschrijft vanuit het standpunt van de natuurwetenschap, zul je dat concept “persoon” niet gebruiken. Dat tart immers alle uitgangspunten van de wetenschap. De wetenschapper beschrijft de mens eerder als dier, een wezen dat gehoorzaam is aan wetten die we nog niet hebben ontdekt. In die beschrijving ontbreekt een cruciaal feit, namelijk dat we personen zijn die vrij handelen en verantwoordelijkheid nemen voor hun daden. Dat schema van beschrijven mag niet verdwijnen uit ons dagelijks leven, want zonder die dingen kunnen we niet leven.’

Toch vindt Scruton niet dat we de wetenschap helemaal moeten ontvluchten om de mens te begrijpen. De mens heeft geen aparte ziel naast zijn brein, er is niet een of ander onstoffelijke substantie waarin onze menselijkheid schuilt. Volgens hem is die fout ook gemaakt in de filosofie. ‘Ook bij Descartes zie je een verkeerd begrip van de mens: er is iets in mij, iets waardevols, zegt hij, de locus van alle puurheid. Dat noemt Descartes het subject. Zo maakt hij van een subject een ding dat je kunt waarnemen en kennen. Maar we zijn geen object in de wereld, we zijn de uiterste grens ervan. Bij Sartre is het subject dan ook een niets; je kunt het niet vangen, niet waarnemen. Als je je omdraait om te kijken, is het alweer verdwenen. Maar tegelijkertijd kent het geen onafhankelijk bestaan, in een of ander metafysisch rijk, buiten de materie. Wie we zijn, dat blijft een mysterie.’

Dat moet u toelichten.
‘We moeten op een andere manier naar de wereld kijken. We begrijpen de wereld op z’n minst op twee manieren: een wetenschappelijke en een menselijke. Neem muziek. Vanuit het wetenschappelijk standpunt zijn de noten slechts een sequentie van geluiden, maar vanuit menselijk perspectief is dat een melodie, een ritme – muziek dus. Die muziek is er, dat valt niet te ontkennen. Tegelijkertijd is er niet meer dan de noten zoals die door de wetenschap worden waargenomen. Op dezelfde manier ís de mens. Hij is materie, hij is niet meer dan materie, hij heeft geen onafhankelijk bestaande ziel – toch is hij niet te reduceren tot die materie, is hij niet overgeleverd aan haar wetten. Op die manier is de mens wel degelijk bezield, net zoals je de melodie hoort in een opeenvolging van noten.’

Een gevaar van de wetenschappelijk blik, zegt Scruton, is ook dat die ons gevoel van eenzaamheid versterkt, met als gevolg een wereld vol angstige mensen. ‘Angst is een centraal concept sinds Kierkegaard. Het is fundamenteel voor Heidegger en Sartre. Als we nadenken over ons leven, ervaren we soms een metafysische eenzaamheid. Ik ben alleen, ik ben zonder hulp; je voelt je soms een ding. Hoezeer ik ook van anderen hou, en hoezeer ze van mij houden, er is desondanks iets in me wat niet kan worden bereikt. Dan overvalt je plotseling een duistere melancholie. De wetenschappelijke visie versterkt dat gevoel van metafysische eenzaamheid; er is immers ook geen contact meer mogelijk met een hogere wereld buiten ons, en verlossing is er evenmin. We zitten opgesloten in onszelf. Die diepe melancholie voert je weer naar de filosofie…’

Hoezo? Biedt filosofie dan hulp, of zelfs troost?
‘Natuurlijk. In Boëthius’ befaamde Vertroosting van de filosofie troost Vrouwe Filosofie door de melancholici te verwijzen naar het transcendente. Naar de verlossende god die de wereld heel maakt.’

Maar we hadden net afscheid genomen van God. Dan kun je mensen toch niet meer verwijzen naar die hogere orde?
‘Dat is de grote vraag voor de moderne wereld. Veel schrijvers onderzoeken de poging om verlossing te vinden voor de menselijke conditie, een verlossing van de metafysische eenzaamheid. Ian McEwan schrijft daar bijvoorbeeld over, en dat doet hij heel goed. Ook al is hij een wetenschappelijk realist, die sterk is beïnvloed door Dawkins’ evolutionaire psychologie, toch denkt hij dat we in ons eigen beperkte leven iets kunnen vinden wat ons kan troosten en de angst kan wegnemen. Er is toch een weg naar buiten, een verbinding met iets hogers, van welke orde die dan ook is – zelfs bij hem.’

En wat vindt u? Is dat mogelijk?
‘Ja, uiteindelijk wel. Maar er is geen filosofische stelling van te maken. Je kunt het wel tonen in de vorm van fictie, of in een toneelstuk. In de negentiende eeuw spanden kunstenaars zich in om dat te doen in een kunstwerk – Baudelaire bijvoorbeeld met zijn Bloemen van het kwaad, en ook Wagner in onder meer Tristan en Isolde. Je gaat naar de uiterste grens van de vuile zaakjes waar we als mens mee bezig zijn, je staart uit in het oneindige, en plotseling wordt het allemaal betekenisvol.’

Dat klinkt…
‘Ja, je krijgt het gevoel, zelfs al kun je het niet verwoorden, dat er een visie van buiten mogelijk is. Zoals in een tragedie. Als je bijvoorbeeld dat grote gevoel van opluchting ervaart in een tragedie, juist op het moment dat de tragische held is gevallen. Dat zou ons wanhopig moeten maken, maar dat doet het niet. Even weten we: zo is het goed. Het lijden doet geen afbreuk aan het leven, maar is er juist de bestemming van. Dat inzicht verwerven we alleen door het beperkte leven te verlaten en ons te verheffen naar het transcendente perspectief. Dat zie je in de Griekse tragedies, Oresteia bijvoorbeeld, en Oedipus in Colonus en zo, maar ook in die van Shakespeare.
Het wordt duidelijk: God hebben we niet nodig. Natuurlijk, het concept van God dat wij monotheïsten hebben is precies dit transcendente perspectief. Er is iets wat ons observeert vanuit een ander punt, en ons beoordeelt. Als we juist zijn in zijn ogen, dan zijn we dat ook. En dat is een erg troostrijke visie. Die steunt mensen in hun leven, in relaties. Die geeft ze hoop.

Maar wat gebeurt er als die God ons is ontvallen? En als niemand die lege plek inneemt? De vraag is of je ondanks die leegte transcendentie kunt ervaren. Dat is wat Wagner probeerde. Hij introduceerde het transcendente perspectief bij gewone mensen – nu ja, gewoon zijn ze niet, niet zoals u en ik, buitengewoon eerder –, zonder te veronderstellen dat er een godheid is die de plek inneemt. Ik denk dat hij daarin slaagde.’
En dan, met een persoonlijker stem: ‘Wij intellectuelen leiden een moeilijk leven. We leven met het volle bewustzijn van die leegte, en we zijn niet in staat tot directe actie. We reiken voortdurend naar het transcendente, zonder noodzakelijk te geloven dat dat bestaat, zonder het geloof dat er een persoon is die dat belichaamt.’

Het transcendente is niet zomaar een abstract begrip in een filosofisch bouwwerk. Scruton verbindt er ook concrete handelingen aan, die hij ontleent aan religie. Zelfs voor bidden ziet hij nog een plek in een seculier leven. ‘Ook zonder geloof in God kunnen we bidden. Dan richten we ons tot het andere. We dragen allemaal een schuld met ons mee, een existentiële schuld waarvan we ons willen bevrijden. We willen weer zuiver worden, tenzij we tot de uitzonderlijke groep van wrede mensen behoren. We weten dat we fouten hebben gemaakt tegenover anderen, we weten dat we onze positie van vertrouwen hebben misbruikt; we hebben allemaal onze gebreken – en we willen dingen weer goed maken. En dingen goed maken betekent in essentie dat we ons richten tot dat andere punt, van waaruit ons leven weer heel kan worden, gezuiverd van schuld.’

Ik zou graag door u overtuigd raken, maar het valt me zwaar. Ik blijf erbij: die plek is leeg. Wat voor zin heeft om je daartoe te richten? Die God is door ons mensen gemaakt.
‘Dat zouden sommige mensen zeggen. Maar niet alles wat door ons is geschapen, is onwerkelijk. Amsterdam is gemaakt door mensen, maar het is wel een heel echte plaats. En uw bestaan als persoon is afhankelijk van de reacties op u. Je bent geen onafhankelijk persoon, maar een artefact, gemaakt door anderen. Tegelijkertijd ben je een persoon. Naar analogie daarvan kun je zeggen dat we het transcendente misschien als mens maken, maar dat het daardoor niet minder werkelijk is. Het is een mystieke visie, zeker, maar iedereen kan het op sommige momenten voelen in zijn leven.’

U zegt ook dat ons louter toevallige leven vanuit dat transcendente perspectief noodzakelijk kan worden. Maar hebben we daarvoor geen aparte instantie – God bijvoorbeeld – nodig die ons leven noodzakelijk verklaart?
‘Tegelijkertijd ervaren we dat we niet zomaar overgeleverd zijn aan het lot, dat we in vrijheid kunnen kiezen, bijvoorbeeld. Dat is de visie van Kant, voor wie ik grote bewondering koester. Ja, het leven kan noodzakelijk en betekenisvol worden, het product van eigen keuzes, ook zonder zo’n hogere instantie.’

En hoe ziet die transcendentie eruit in uw eigen leven?
‘Ach, weet u, ik zit aan mijn bureau, en dat is genoeg. En af en toe maak ik een ommetje om de boerderij.’
Serieuzer: ‘En natuurlijk… Er is kunst, muziek, relaties met familie, het alledaagse leven. Van anderen houden, vergeven, vergiffenis ontvangen – dat is fundamenteel.’