Home Praktische filosofie ‘Maakt een misdaad je per definitie een slecht mens?’
Praktische filosofie

‘Maakt een misdaad je per definitie een slecht mens?’

Door Djuna Spreksel op 24 april 2026

filosoof Sabine Wassenberg schreef een boek over ex-gedetineerde jongeren
beeld Martijn Gijsbertsen
Filosofie Magazine Kun je vrijheid kiezen? het existentialisme van Simone de Beauvoir
05-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Filosoof Sabine Wassenberg sprak met ex-gedetineerde jongeren over straf, wraak en vrijheid, en leerde: spijt is niet noodzakelijk.

Toen Sabine Wassenberg (1981) begon met filosoferen met ex-gedetineerde jongeren, had ze de nodige vooroordelen over deze groep. ‘Deze jonge mensen hebben de wet overtreden en zijn dus gevaarlijke criminelen. Of: ze hebben al eens toegeslagen, dus misschien doen ze dat opnieuw als ze met mij praten.

Maar in de praktijk hielden die vooroordelen geen stand. Ze hebben iets fout gedaan. Dat heb ik ook weleens. Het verschil is dat zij een misdaad pleegden waarvoor ze zijn gestraft. Verder zijn het mensen, net zoals jij en ik. Maar ze zijn vaak ook deel van een sociaaleconomische groep die het moeilijk heeft. De meesten stromen door vanuit de jeugdzorg en zijn opgegroeid met armoede en geweld.’

Dit artikel gaat verder voor abonnees

Lees dit artikel en 5000+ andere, vanaf €4,99 per maand. Nieuwe artikelen ook te beluisteren.

Word abonnee > Al abonnee? Inloggen

De gesprekken die Wassenberg voerde over thema’s als goed en kwaad, identiteit en lotsbestemming vormen de basis voor Veroordeeld. Een filosofisch perspectief op het straffen van jongeren (2025). In dit boek, waarin ook perspectieven van professionals uit het strafrecht zijn opgenomen, stelt Wassenberg dat jeugddetentie schadelijk en onrechtvaardig is. Het huidige strafsysteem is volgens haar gebaseerd op de illusies van vergelding en vrije wil, en is bovendien niet effectief. In plaats van jongeren op te sluiten, zouden we vanuit compassie met de daders op zoek moeten gaan naar ethische alternatieven.

Sabine Wassenberg (1981) is filosoof. Ze filosofeert met kinderen op scholen en geeft over kinderfilosofie ook trainingen aan docenten. Ze schreef meerdere boeken, waaronder het educatieve Kinderlogica. Filosoferen op een multiculturele school (2017) en het filosofische kinderboek De zoon van de gazelle (2022). Ook maakte zij meerdere edities van Het Onwijs Grote Filosofie Doeboek. Haar boek Veroordeeld verscheen in 2025.

Die grondhouding schemert door in de manier waarop Wassenberg, die ook kinderfilosoof en trainer voor filosofische gespreksbegeleiding is, de gesprekken met de jongeren aanvliegt. ‘Ik benader ze “gewoon” als mensen met interessante gedachten over uiteenlopende zaken. Alleen op die manier kun je trouwens een filosofisch gesprek voeren, want zo’n gesprek gaat niet over je eigen emoties en ervaringen. Je abstraheert die naar filosofische vragen, waar geen eenduidig antwoord op te geven is en waarover je allemaal verschillend kunt denken.’

Tegelijkertijd gaan de filosofische gesprekken over concrete onderwerpen waar de jongeren mee te maken hebben. Hoe pak je dat aan?
‘Stel je voor, je wilt het hebben over straf. Ik begin dan niet over iemands individuele strafmaatregel, maar over de vraag: waarom straffen we? Vind je dat rechtvaardig of niet? Een ander voorbeeld: jongeren die in detentie zitten, hebben een delict gepleegd. Maakt dat ze slechte mensen? Het gaat er dan niet om om die specifieke vraag te beantwoorden. In dit geval nam ik een foto van een schattige baby mee. Kijk eens, zei ik: is deze baby goed of slecht? De gedachten daarover liepen uiteen: de ene jongere dacht dat een baby de puurste vorm van goedheid is, omdat die nog niet bezoedeld is door het leven. De ander dacht juist dat baby’s slecht en onaangepast zijn en pas door hun opvoeding en socialisatie goed worden.

In feite ging dat gesprek over een klassiek vraagstuk, dat vaak wordt opgehangen aan de filosofen Jean-Jacques Rousseau en Thomas Hobbes. Rousseau dacht dat de mens van nature goed is: als de mens nog niet met cultuur te maken heeft gehad, is hij op zijn best en doet hij geen vlieg kwaad. Hobbes stelde juist dat de mens voor de mens een wolf is; onze ware natuur is kwaadaardig.’

Waarom is een justitiële jeugdinrichting een goede plek om te filosoferen?
‘Filosoferen is Bildung. Het is de vaardigheid om jezelf te ontwikkelen dankzij denkvermogen, wijsheid en het verzamelen van meningen. Je moet ook op je eigen denken kunnen reflecteren. Jonge mensen in de gevangenis zitten met existentiële vraagstukken, zoals: wat doe ik hier? Wat geeft mijn leven zin? Geloof ik nog in God? De omgeving herkent niet altijd dat er achter persoonlijke vragen filosofische vragen schuilgaan. Dat zie ik ook bij kinderen. Meestal stellen ze geen feitenvraag die een antwoord behoeft, maar zijn ze nieuwsgierig naar het bestaan. Door je gesprekspartner snel een antwoord te bieden, wordt die nieuwsgierigheid geblokkeerd.’

Hoe kun je het denken bij jonge mensen dan wel activeren?
‘Door vragen te blijven stellen, of bijvoorbeeld door ze over een stelling te laten stemmen met groene, oranje en rode kaartjes. Je hebt in een groep altijd jongeren die teruggetrokken zijn in hun eigen gedachten, die zich nog niet echt verhouden tot de vraag. Door ze een kaartje omhoog te laten houden, gaan ze nadenken: waarom heb ik voor deze kleur gekozen? Het denken volgt dan op de fysieke handeling.’

Tekst loopt door onder afbeelding

In hoeverre verschilt filosoferen met ex-gedetineerden van gesprekken met andere jongeren?
‘Inhoudelijk is het gesprek niet wezenlijk anders, maar ik voelde wel dat onze levens verschillen. Ik ben een witte, geprivilegieerde vrouw met weinig kennis van de straat. Dat zorgt ervoor dat bepaalde onderwerpen spannend zijn om te bespreken. Toen we een gesprek hadden over identiteit, stelde ik iemand de vraag: had je liever wit willen zijn? Dat is vanuit mijn positie risicovol. Maar het pakte goed uit: er was een stilzwijgend begrip dat we beiden weten hoe de kaarten in de samenleving geschud zijn. Dan ontstaat er een open, veilige ruimte om tóch over die vraag na te denken.’

Is uw blik op jeugddetentie veranderd door wat jongeren in het gesprek inbrachten?
‘Ja, we hadden het over schuld en schaamte toen een van hen zei: als ik niet had willen doen wat ik deed, had ik het niet gedaan. Dus waarom zou ik er spijt van hebben? Er is mij van alles geflikt waarvoor niemand heeft vastgezeten. Ik heb wel gevangengezeten, maar dat betekent nog niet dat ik spijt heb.

Dat vond ik interessant, want het strafsysteem is wel op dat idee gebouwd. We straffen omwille van vergelding, veiligheid, afschrikking en inkeer; we gaan ervan uit dat de dader een les trekt. Simone Weil noemde dit “de innerlijke rechtbank in de ziel”: door de straf zal de dader zijn eigen misdaden berechten en veroordelen, en die vergeven met behulp van genade. Als dat inderdaad gebeurt, is dat mooi, maar in veel gevallen is dat binnen het huidige strafrechtsysteem niet realistisch.’

‘Wie een misdaad begaat, heeft op een alarmknop gedrukt’

Hoe zou je inkeer wel kunnen bewerkstelligen?
‘Je hebt met open wonden te maken. Het gaat vaak om getraumatiseerde pubers, die in conflict zijn met ouders, school en vrienden op straat. Je moet eerst houvast bieden en iemand helpen om een sterke persoonlijkheid op te bouwen, bijvoorbeeld door mentorschap. Het is belangrijk dat ze iemand hebben die ze kunnen vertrouwen, die altijd blijft, die door hun schild heen kan breken. Als dat allemaal goed zit, zou je kunnen vragen: wat vind je terugkijkend van wat je hebt gedaan? Ben je nog steeds van mening dat het een kwestie van verdiende loon was? Als dat het geval is, is dat ook prima. Het doel zou niet moeten zijn dat iemand spijt heeft, maar dat diegene niet nog een keer de fout in gaat.’

Waarom wilde u een boek schrijven over het straffen van jongeren?
‘Omdat ik geloof dat we in het strafrecht helemaal verkeerd tegen daders aankijken. Dat is geen nieuw inzicht; de gevangenisabolitionist Clara Wichmann stelde al dat de doelstellingen van detentie niet voldoende zijn voor de schade die ze berokkent. Misdaden gebeuren door de grote sociaaleconomische ongelijkheid en ander onrecht in de samenleving, zoals discriminatie. Het is eigenlijk vreemd dat we alleen de mensen straffen die binnen die context een verkeerde keuze maken, in plaats van naar de context te kijken.

Het strafsysteem is gebaseerd op het idee van de vrije wil. Als we iets presteren, is dat onze eigen verdienste; als we iets verkeerds doen, is dat onze eigen schuld. Het is lastig om óm die vrije wil heen te denken. Ook de ex-gedetineerde jongeren met wie ik filosofeerde, geloofden vaak in de vrije wil. Maar er zijn ook filosofen die de vrije wil een mythe noemen. Laat je het idee van de vrije wil los, dan ga je ervan uit dat we noch op onze aangeboren eigenschappen, noch op onze opvoeding invloed hebben. Hoe je geworden bent, is niet je eigen verdienste en ook niet je eigen schuld. Je blik op de samenleving, en dus ook op detentie, wordt dan meer solidair. Maar voor de meeste mensen is het idee dat er geen vrije wil bestaat een brug te ver. Dat komt ook omdat velen wel grip over hun leven ervaren.’

En omdat de vraag rijst: wat maakt ons nog verantwoordelijk voor onze daden, als er geen vrije wil is?
‘Ja, je wil graag in de vrije wil geloven omdat we ons dan verantwoordelijk zullen gedragen. Maar er is een onderscheid tussen het feit dat iemand iets heeft gedaan en daar de consequenties van onder ogen moet zien, en het idee dat diegene daar de volledige schuld voor draagt en dus gestraft moet worden. Wanneer je in de goot bent beland, zat er blijkbaar niet veel mee in je leven en kon je niet terugvallen op allerlei privileges.’

Er worden ook misdaden gepleegd door jonge mensen met privileges. Denk aan misstanden bij studentenverenigingen waar aspirant-leden soms zijn mishandeld, in een enkel geval tot de dood erop volgde. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Wat er dreigt, is dat “veelbelovende studenten” meer compassie krijgen dan “hangjongeren” die dealen of geweld gebruiken. Wat mij betreft moeten beide groepen op evenveel compassie kunnen rekenen, omdat iedereen dat verdient. Misschien hebben deze studenten wel allerlei schadelijke denkbeelden opgedrongen gekregen, bijvoorbeeld dat ze keihard moeten presteren.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Hoe verklaart u dat er ook mensen zijn die een moeilijke jeugd juist hebben weten om te zetten in het tegendeel?
‘Blijkbaar hadden zij de kracht in hun genen om de situatie te keren: mijn vader tergt me tot in mijn botten, maar ik ga toch studeren. Misschien is dat aangeboren of is die beslissing door de omstandigheden goed uitgevallen. De lastige vraag is: hoe kun je de kracht vinden om iets aan je situatie te veranderen als je die nog niet hebt?’

Hoe zou een alternatief voor jeugddetentie eruit kunnen zien, dat niet gericht is op schuld en vergelding?
‘We moeten ons richten op resocialisatie in de samenleving. Je kunt iemand tijdelijk van de straat halen om diegene te isoleren. Maar doe dat niet alleen om ervoor te zorgen dat die stopt met drugs dealen, maar ook om iemand een time-out te geven. Dat isoleren hoeft geen pijn te doen of als een straf te voelen. Het gaat erom dat je erkent dat iemand door een misdaad te begaan in feite op een alarmknop heeft gedrukt en hulp nodig heeft. Dat betekent dat je zo iemand niet in een groep zet met tien anderen met soortgelijke problemen. Klinieken waar de nadruk niet ligt op straf maar op persoonlijke groei, het liefste in de natuur, lijken mij constructiever.’

Loginmenu afsluiten