Home ‘Ik ben de wang, de hand die slaat!’

‘Ik ben de wang, de hand die slaat!’

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 26 november 2012

02-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Charles Baudelaire speelde het liefst zijn eigen beul. Volgens Jean-Paul Sartre was dat een wanhopige poging om een eigen essentie te ontwaren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ik ben het mes en ook de snede!
Ik ben de wang, de hand die slaat!
De beul en wie de pijn doorstaat,
Het rad en de gebroken leden!
 
De vampier die mijn hart aanvreet,
– Ik ben zo’n godverlatene
Gedoemd tot eeuwig schateren
Die van een glimlach niet meer weet!

 
Deze verzen komen uit het gedicht HeautontimoroumenosDe zelfkweller – van de negentiende-eeuwse Franse dichter Charles Baudelaire. Behalve door zijn poëzie, met de voor zijn tijd stuitende onderwerpen zoals kadavers, satanisme en de lesbische liefde, is Baudelaire vooral bekend geworden door zijn dandy-achtige levenshouding. Dagelijks besteedde hij uren aan zijn toilet; zijn haren verfde hij bij voorkeur groen. Hij had een afschuw van de natuur, en voelde zich in het smerige Parijse stadsleven prima op z’n gemak.

De twintigste-eeuwse filosoof Jean-Paul Sartre heeft zich in een monografie uit 1946 uitvoerig met zijn beroemde landgenoot beziggehouden. Het boek, dat de eenvoudige titel Baudelaire draagt, zit vol ambivalente gevoelens. Zo heeft Sartre grote bewondering voor de geestelijke luciditeit van de poëet, maar bekritiseert hij diens levenskeuzen. Deze kritiek formuleert hij aan de hand van zijn eigen, existentialistische levensfilosofie.
 
De kerngedachte van Sartres werk, dat in het naoorlogse Frankrijk immens populair werd, is dat de mens zichzelf maakt. In zijn filosofie maakt hij een onderscheid tussen twee vormen van bestaan: het zijn-op-zichzelf en het zijn-voor-zichzelf. Objecten, zoals tafels, theekopjes en lampen bestaan op zichzelf. Ze vallen samen met hun essentie en zijn simpelweg. In tegenstelling tot de dingen, bestaat de mens volgens Sartre voor zichzelf. Hij heeft geen vaste kern of essentie, en moet zichzelf dus constant scheppen door zijn handelingen. Daarbij heeft de mens de opdracht om zijn verantwoordelijkheid ten volle te nemen en zich aan alles wat zijn vrijheid beperkt, zoals God of andere verheven instanties, te ontworstelen. Sartre gelooft hartstochtelijk in de menselijke vrijheid. Een van zijn bekendste uitspraken luidt dan ook: ‘De mens is tot vrijheid veroordeeld.’ Hij moet keuzes maken en zijn leven vormgeven.

Omdat de mens geheel verantwoordelijk is voor zijn eigen leven, krijgt hij het leven dat hij verdient. Dat geldt ook voor Baudelaire. Hoewel de mens vrij is om zijn eigen bestaan vorm en zin te geven, maakt niet iedereen gebruik van deze vrijheid. Veel mensen zijn er bang voor. Ze geven hun verantwoordelijkheid uit handen. In Baudelaire gaat Sartre na in hoeverre de dichter van zijn vrijheid gebruik maakt en zo verantwoordelijkheid neemt.

In 1829 – Baudelaire was toen acht jaar oud,– hertrouwde zijn moeder met een militair: majoor Aupick. Kort daarna werd de jongen naar een strenge kostschool gestuurd. Deze gebeurtenissen maakten een abrupt einde aan de gelukkigste periode uit zijn leven, waarin hij als een twee-eenheid met zijn moeder leefde. Later schrijft hij in een emotionele brief aan haar: ‘Ik leefde al die tijd in jou. Je was er alleen voor mij. Je was tegelijk een idool en een kameraad.’

Op de kostschool wordt Baudelaire met een gruwelijke eenzaamheid geconfronteerd. Plotseling komt hij tot de pijnlijke ontdekking dat hij er helemaal alleen voor staat in het leven. Als reactie op zijn verbanning, kiest hij bewust voor de eenzaamheid. Sartre stelt dat de dichter uit een gekrenkte trots zijn isolement en anders-zijn helemaal voor zichzelf opeist: ‘Baudelaire voelt zich uniek en wil zich zo voelen, tot in het genieten van de uiterste eenzaamheid, tot in de verschrikking.’ Zijn levenshouding is dus narcistisch.

Deze eigenliefde – die we volgens Sartre in het hele leven van Baudelaire terug zien – neemt de vorm aan van zijn pogingen van zichzelf een object te maken en dat te bekijken door de ogen van anderen. Zijn dandyisme is een hiervan een uiting. Door de overdreven aandacht voor zijn uiterlijk en maniertjes probeert hij zichzelf te stileren tot een levend object. Zijn afkeer van de natuur sluit naadloos op zijn dandyisme aan. Het gaat hem namelijk niet om een directe ervaring van een mooie bloem of boom, maar alleen om hoe hij een object ervaart en deze ervaring stileert. In de gekunstelde stadsomgeving ziet hij zijn eigen drang tot stileren weerspiegeld.

Sartre stelt dat ’die narcistische levenshouding de oorzaak is van Baudelaire’s zoektocht naar zichzelf. De dichter onderzoekt zichzelf, zodat hij zijn essentie leert kennen, maar in plaats daarvan treft hij de grondsituatie van de mens aan, die wordt getekend door vrijheid, ongegrondheid en verlatenheid. Omdat de grondsituatie het lot van iedereen is, heeft Baudelaire zijn doel niet bereikt. Hij heeft zichzelf niet gevonden. Wat nu?

Persoonlijke moraal

Volgens Sartre heeft iemand die zijn grondsituatie ten diepste heeft ervaren, twee mogelijkheden: hij ontwikkelt een amorele onverschilligheid ten opzichte van het leven of hij moet zijn eigen normen en waarden uitvinden. Dit is een creatief proces. In eerste instantie kiest Baudelaire voor het laatste, door poëzie te schrijven. Op zo’n moment ervaart de dichter totale vrijheid. Tegelijkertijd valt helaas zijn singulariteit weg, omdat hij zich alleen met puur scheppen bezighoudt zonder zijn eigen normen en waarden te scheppen. Hij kan de ultieme keuze, uniek zijn door het creëren van een persoonlijke moraal, niet aan.

In plaats hiervan kiest Baudelaire ervoor om zijn uniciteit te doen gelden binnen de gevestigde orde door daartegen te rebelleren. Het belangrijkste voorbeeld hiervan zijn de choquerende gedichten uit zijn hoofdwerk Les Fleurs du Mal. Deze bundel stuitte op zoveel onbegrip, dat er een rechtszaak tegen de dichter werd aangespannen. Baudelaire heeft nooit moeite gedaan om zelf te procederen. Door de maatschappij over zich te laten oordelen, voelt Baudelaire zich in zijn bestaan bevestigd.

Graag speelt hij ook rechter over zichzelf. De regels ‘Ik ben het mes en ook de snede! / Ik ben de wang, de hand die slaat!’ uit Heautontimoroumenos, duiden dit masochistische element in Baudelaire’s narcisme aan. In de geestelijke zelfkwellingen waar zijn dagboeken en gedichten vol mee staan, speelt hij tegelijkertijd de rol van beul en slachtoffer. Zo probeert hij zijn eigen essentie waar te nemen. Sartre kan weinig respect opbrengen voor alle pogingen van de dichter. Deze zijn volgens hem bij voorbaat tot mislukken gedoemd, omdat de mens juist geen essentie heeft.

‘Baudelaire is de man die, terwijl hij de grondsituatie van de mens het diepst heeft ervaren, tevens het hartstochtelijkst heeft geprobeerd haar voor zich te verbergen’, concludeert Sartre somber in de monografie. Op elke pagina blijkt duidelijk dat hij zich enorm betrokken voelt bij Baudelaire, maar diens houding betreurt. Misschien ligt de wortel van Sartes enthousiasme in zijn eigen biografie. Als je de levens van de dichter en de filosoof met elkaar vergelijkt, kom je tal van overeenkomsten tegen: beiden hadden een sterke moederbinding, beiden waren narcistisch ingesteld. Sartres kritiek op Baudelaire is tegelijkertijd zelfkritiek en zijn portret van de dichter Baudelaire vormt ook een intiem zelfportret.