Home John Gray: ‘Pessimistisch? Ik?’

John Gray: ‘Pessimistisch? Ik?’

Door Patrick van IJzendoorn op 27 november 2012

03-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Zijn naïeve geloof in grote ideologische projecten is een van de grootste valkuilen van de mens, stelt de Engelse filosoof John Gray . ‘De Europese Unie stimuleert juist radicale vormen van nationalisme, zelfs in uw Nederland.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een redelijk dier? Nee, zo zou filosoof John Gray de mens toch niet willen noemen. ‘Nee, eerder een dier dat de unieke gave bezit de juiste redenen te vinden om in blind vertrouwen te handelen’, lacht de 59-jarige politiek-filosoof in zijn werkkamer van de London School of Economics. Dat blinde vertrouwen, vooral in grote ideologische verhalen, heeft volgens hem tot op de dag van vandaag geleid tot veel bloedvergieten. Zijn eigen verhaal is een pleidooi voor bescheidenheid, geïnspireerd op het gedachtengoed van de man op de zwart-witfoto’s die schuin boven zijn bureau hangen: Isaiah Berlin. Tijdens ons interview zal de naam van deze filosoof – die tien jaar geleden overleed – bij wie Gray op Oxford colleges volgde, regelmatig vallen. Vooral wanneer hij het heeft over de ideologieën waarin de mens telkens weer verstrikt raakt – als een ezel die zich blijft stoten aan dezelfde steen. Gray wordt door zijn critici vaak afgeschilderd als pessimist. Een Engelse journalist vatte Grays denken in drie woorden samen: ‘We zijn verdoemd.’

Prozac voor denkers

Vooral zijn boek Strohonden; gedachten over mensen en andere dieren – de titel verwijst naar Lao Tse’s uitspraak: ‘Hemel en aarde zijn meedogenloos, en behandelen de schepselen als strohonden’ – werd gezien als een schriftelijke cursus ‘pessimisme voor gevorderden’, terwijl Gray zijn lezerspubliek slechts duidelijk had willen maken dat wetenschappelijke vooruitgang niet automatisch samengaat met morele vooruitgang. Dat geloof in een lineaire vooruitgang op moreel gebied noemt hij ‘Prozac voor de denkende klasse’, maar een pessimist vindt hij zichzelf niet. Gray: ‘Pessimistisch? Ik vind Strohonden helemaal niet pessimistisch, en veel van mijn lezers vinden dat evenmin. Ik ontving reacties van mensen die me laten weten dat ze opgelucht waren, dat mijn boek hen had bevrijd van valse hoop.’

Veel van deze ‘hoop’ komt voort uit het Europese Denken, de titel van de leerstoel die Gray bekleedt. Op de binnenkant van zijn kantoordeur hangt boven de Apple-kaart van Europa de Magna Carta, de Britse versie van een grondwet. Dit document schiep de voorwaarden voor een staat die met vallen en opstaan – met een glorieuze revolutie en zeeslagen – groeide en vormkreeg. Deze ontwikkeling vormt een interessant contrast met het project van de Europese Unie, waar Gray als euroscepticus weinig mee op heeft. Voor hem is dit een ondemocratisch project, gemodelleerd naar de Verenigde Staten. ‘Het is niet te verenigen met de vele verschillende tradities, waarden en nationale instituties van de deelnemende landen. Erger nog, het stimuleert juist radicale vormen van nationalisme, zelfs in uw Nederland.’

One-size-fits-all

De enige traditie waarin de EU volgens hem staat, is de traditie van grote projecten die sinds de Verlichting uit het ‘Europese gedachtengoed’ zijn voortgekomen. Ze zijn allemaal terug te vinden in het oeuvre van Gray, dat leest als een provocerende waarschuwing tegen politiek-filosofische tunnelvisies. Er komen uiteenlopende pogingen langs om een heilstaat te realiseren: van het socialisme, de neoliberale strategie, het nationaalsocialisme tot en met de radicale missie van Al-Qaïda, die voortvloeit uit het werk van Sayyid Qutb, de Egyptische filosoof die volgens Gray modern was zonder het zelf te beseffen en erfgenaam is van de Europese anarchisten. De schurken in Grays universum zijn de denkers die te veel verwachten van het verstand van de mens (Socrates, Descartes, Kant), met veel retoriek het einde van de geschiedenis aankondigen (Hegel, Fukuyama), de nieuwe mens welkom heetten (Nietzsche), de sociale vooruitgang proberen te kwantificeren (de positivisten) of degenen die overkoepelende juridische constructies bedenken (Rawls, Dworkin).

Idealistische projectmanagers

Voor Gray zijn het vormen van een one-size-fits-all filosofie. ‘Ze hebben met elkaar gemeen dat ze geen rekening houden met lokale tradities en, op microniveau, met verschillende behoeften, waarden en verwachtingen van individuen. Speciale aandacht schenkt hij aan het jongste vooruitgangsproject, het neoconservatieve Project van de New American Century (het PNAC). Met hun streven naar een wereldwijde democratische revolutie en miskenning van andere culturen staan deze idealistische projectmanagers volgens Gray niet in de conservatieve, maar regelrecht in de trotskistische traditie. ‘Dat is niet verwonderlijk, gezien de linkse achtergrond van veel neocons’, lacht Gray spottend. ‘Ze koesteren een verwrongen beeld van de Verlichting als een van oorsprong liberaal-democratische beweging. Daarbij sluiten ze hun ogen voor de weinig liberale terreur die besloten ligt in haar logica. Uiteindelijk gaat het scheppen van een nieuwe wereld altijd gepaard met het breken met tradities, met zuiveringen, kortom, met bloedvergieten. Er is veel geweld nodig om een geweldloze maatschappij te creëren. Het is ironisch dat zelfs Markies de Condorcet, de wiskundige en filosoof die heilig geloofde in de perfecte wereld, werd gedood tijdens de Franse revolutie.’

De mislukking van het neoconservatieve project in Afghanistan en Irak is zeker niet de eerste keer dat de export van Europese, Verlichte waarden naar andere werelddelen vooral gepaard gaat met mislukking en geweld. Gray: ‘Dat democratie redelijk succesvol is in het Westen, betekent nog niet dat het overal ter wereld werkt, zoals de politieke missionarissen denken. Het is allemaal al eens prachtig omschreven door Joseph Conrad die in Heart of Darkness laat zien dat aan imperialistische ondernemingen, goedbedoeld of niet, altijd een crimineel luchtje hangt.’ Gray noemt het ironisch dat het totalitaire Irak van Saddam zelf, afgezien van Israël (een ander Europees project), de enige op modernistische leest geschoeide staat was in het Midden-Oosten. Gray refereert ook aan het China van Mao. ‘Baseerde hij zich soms op Confucius of Lao-Tse? Nee, zijn revolutie vloeide voort uit Europees gedachtengoed. En waar komen de ideeën van de Rode Khmer en het Lichtend Pad vandaan? Verdedigers van de Verlichting roepen dat de projecten in Rusland, Peru of China door plaatselijke tradities is ondermijnd. Dat riekt naar mijn idee naar racisme.’
 

Fanatisme

Dat er binnen de neoconservatieve beweging zowel ruimte is voor religieuze fundamentalisten, vooral aan Amerikaanse zijde, en voor Verlichtingsfundamentalisten aan Europese zijde (onder anderen Hirsi Ali) is volgens Gray iets nieuws, maar niet verrassend, omdat beide denkwijzen eenzelfde denkpatroon hebben. Volgens hem werden revolutionaire bewegingen als het Jacobijnisme en het communisme gevoed door seculiere versies van de apocalyptische mythe uit het christendom. ‘Waar christenen geloofden in een betere wereld in het hiernamaals, daar wilden de “seculiere” revolutionairen het paradijs reeds op aarde bewerkstelligen’, legt Gray uit. De herrijzenis van het religieus fanatisme – niet alleen in islamitische landen, maar ook in Polen, de Verenigde Staten en, op polderniveau, in Nederland – is het onderwerp van zijn boek Black Mass; Apocalyptic Religion and the Death of Utopia, dat binnenkort verschijnt. Hierin beargumenteert hij dat nu het seculiere utopisme, het geloof in de grote humanistische verhalen, op de terugweg is. Tegelijkertijd doemen apocalyptische vormen van geloofsbelevenis op, compleet met verlossingsgedachte, als belangrijke krachten in de wereldwijde politiek en in het verlengde daarvan: oorlog.

‘Maar,’ nuanceert hij, ‘begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet tegen de Verlichting. Daar kun je niet tegen zijn, maar ik wil alleen de donkere kanten, de gevaren ervan aangeven wanneer men de beginselen te radicaal interpreteert.’ Daardoor wordt immers de menselijke maat uit het oog verloren. Veranderingen binnen een maatschappij moeten in de visie van Gray niet van bovenaf worden opgelegd, maar door de mensen zelf worden bewerkstelligd, afhankelijk van tijd en plaats. Gray pleit voor een gezonde dosis scepticisme aangaande het menselijke verstand en de haalbaarheid van al te grote ambities. Hij treft deze terughoudendheid aan bij denkers als Michel de Montaigne, David Hume, Sigmund Freud en met name de eerder genoemde Isaiah Berlin, die als vaste gast in zijn werk fungeert.
 
Berlins denken, waarin de afkeer van de grote verhalen een cruciale rol speelt, vormde de basis voor Grays concept van de ‘modus vivendi’: de plurale samenleving waarin niet wordt gestreefd naar het ‘ideaal’ van de consensus, maar waarin burgers met verschillende ideeën erin slagen om redelijk vreedzaam samen te leven. ‘Iets tolereren waar je het niet mee eens bent, sterker nog: waar je een hekel aan hebt, dát is een grote kunst van het leven in de hedendaagse maatschappij, een kunst waar mensen steeds slechter in lijken te zijn’, constateert Gray spijtig. ‘In Engeland is het al een paar keer voorgekomen dat theatervoorstellingen niet doorgaan uit angst voor aanslagen, dat schrijvers moeten overgaan tot zelfcensuur. Ik vraag me af of een film als Monty Pythons Life of Brian vandaag de dag gemaakt zou kunnen worden. Wie durft het te financieren?’
Is het pluralisme van Gray verglijkbaar met dat van de Amerikaanse pluralisten, zoals de progressieve politicologen David Truman en Robert Dahl, uit de jaren vijftig en zestig? Gray reageert afwijzend. ‘Zij waren vooral geïnteresseerd in een pluralisme van groepen, wat volgens hen het beste tot uiting kwam in een liberale democratie. Mijn pluralisme gaat over waarden op groeps- en vooral individueel niveau. Dat dit pluralisme universele waarden erkent en bepaalde regimes afwijst, impliceert niet dat pluralisme het beste tot zijn recht komt in een liberale democratie.’ Hij waakt er echter voor om te worden uitgemaakt voor een postmoderne cultuurrelativist. ‘Er zijn zaken die niet ter discussie dienen te staan. Genocide en marteling bijvoorbeeld, mogen nergens ter wereld voorkomen. Ja, en natuurlijk is vrede beter dan oorlog, en vrijheid beter dan slavernij. Daar is iedereen het over eens. Maar over het algemeen moet een overheid terughoudend zijn met zaken verbieden, in de illusie problemen voor eens en altijd op te lossen. Dat geeft valse hoop.’

Morele conflicten

Wat moet de mens doen, wanneer hij, op advies van Gray, zijn utopische wereldbeeld heeft laten varen? ‘Allereerst het idee van perfectie loslaten. We zullen nooit in een perfecte wereld leven. En we moeten het niet willen ook. It would be quite horrible. Het kwaad is inherent aan het bestaan, onuitroeibaar. De neoconservatieven geloven dit niet, daarom schrijven zij boeken met absurde titels als An End to Evil. Neem het terrorisme. Dat heeft, in verschillende vormen, altijd bestaan en het zal nooit verdwijnen. We kunnen het hooguit terugdringen, totdat het een randverschijnsel wordt. Dat kan lang duren en vereist veel geduld. Men moet het vooral niet als een vorm van oorlog beschouwen, maar als een gewone misdaad. Het heeft dertig jaar geduurd eer de IRA tot beheersbare proporties was teruggebracht. Met het wereldwijde Al-Qaïda zal het waarschijnlijk langer duren. Natuurlijk kan het kwaad voor enige tijd worden onderdrukt, kan men doen alsof het niet bestaat, maar uiteindelijk komt het toch bovendrijven – Freud heeft het beschreven in zijn theorie over het onbewuste. Uiteindelijk gaat het erom om te leren leven met kwaad. Dat vereist een moedige, stoïcijnse, beschaafde, bescheiden en volwassen houding. En een beetje geluk. De mens heeft zijn lot immers niet helemaal in eigen hand.’

Gray beseft dat hij het tij niet mee heeft. ‘Stoïcisme en gelatenheid worden dezer dagen gelijk gesteld aan fatalisme. Elk ongeluk, elke tegenslag moet een oorzaak hebben die moet worden opgespoord of iemand die er verantwoordelijk voor kan worden gehouden en financieel kan bloeden. Tolerantie is helaas ingeruild voor legalisme. Meer dan ooit heerst de overtuiging dat pech niet bestaat. Mensen proberen voortdurend hun gelijk te halen, liefst via de rechter.’ Dit wordt gevoed door tal van geformaliseerde grondrechten, die in sommige gevallen met elkaar in strijd zijn. Gray: ‘Zo staat de vrijheid van meningsuiting soms haaks op het recht om te worden gevrijwaard van haatzaaierij, en de vrijheid van vereniging met het recht niet te worden gediscrimineerd. Het probleem is dat mensen verschillend denken over het goede leven, en dus ook de uiteenlopende grondrechten verschillend opvatten. Deze rechten zijn erop gericht een vreedzame samenleving te bevorderen, maar ze zetten morele conflicten juist op scherp, en zorgen voor onoverbrugbare kloven.’
 

‘Old fashioned tolerance’

Sporen van de modus vivendi die hem voor ogen staat, waar wijsheid belangrijker is dan kennis, zegt Gray aan te treffen in Nederland, dat voor hem van oudsher als een filosofisch voorland dient. Hij bewondert de tolerante houding op terreinen als softdrugs, abortus, euthanasie, maar ook de nieuwste vormen van watermanagement waarbij water aan de zee wordt teruggegeven. Het woord ‘gedoogbeleid’ kent hij niet, maar het concept spreekt hem aan. Maar, zegt hij: ‘ook in Nederland zijn steeds meer politici en denkers van liberale huize op emotionele wijze doorgeschoten naar de andere kant. Door het opkomende islamfundamentalisme zijn ze in paniek geraakt, en hebben ze zowel moed als geduld verloren. Opeens bleek de kijk van de liberalen op de menselijke ontwikkeling die zou leiden tot een liberaal paradijs, niet te kloppen. Religie bleek nog steeds aantrekkingskracht te hebben. Liberale waarden bleken niet door iedereen te worden gedeeld.’

In wezen is het niet Gray, maar zijn het de teleurgestelde liberale dromers die de hoop op de rationeel, volwassen handelende mens hebben opgegeven. Volgens Gray kan een pluriforme samenleving alleen functioneren wanneer mensen op een rationele, pragmatische en ingetogen manier kunnen omgaan met botsende belangen. De term ‘old fashioned tolerance’ klinkt als een mantra diverse keren tijdens het interview. Gray: ‘Zeker in deze tijden van globalisering, waar verschillende waardestelsels steeds meer in aanraking met elkaar komen, is tolerantie van wezensbelang. De multiculturele samenleving is geen hoger streven of ideaal, maar een realiteit. We kunnen er niet onderuit en moeten er het beste van maken. Er zijn in het verleden fouten gemaakt, temeer omdat het een doel op zich werd, een ideologie – de zoveelste.’
Een denker die ons een weg op eind kan helpen, volgens Gray, is Thomas Hobbes, op zijn eigen manier ook een liberaal. ‘Hij leefde in een tijd van godsdienstoorlogen, en zag de destructieve potentie van een heilig geloof in een overtuiging, al dan niet religieus van aard. Dat geloof kan niet worden gereguleerd, maar in naam van een vreedzame samenleving dient de expressie ervan op ingetogen wijze plaats te vinden. Spinoza was dezelfde mening toegedaan. Het gaat er niet om wie gelijk heeft, de waarheid in pacht heeft, maar om samen te leven zonder elkaar af te maken. Consensus is helemaal niet nodig, als burgers maar de kunst verstaan om te leven met dissensus, onenigheid. Dit zal niet gemakkelijk zijn, maar er is geen alternatief.’

John Gray

John. N. Gray (1948) is eén van de meest prominente Britse politieke denkers van dit moment. Hij is verbonden als hoogleraar European Thought aan zowel de London School of Economics als het Jesus College in Oxford, en studeerde filosofie aan de Exeter College in Oxford. Gray keert zich tegen de gedachte dat de Verlichting enkel voor vooruitgang heeft gezorgd. Hij stelt daarentegen dat de ideeën uit de Verlichting de basis bieden voor terreur, omdat ze uitgaan van de mogelijkheid om de wereld opnieuw in te richten. Dit ‘Verlichtingsfundamentalisme’, dat in de ogen van Gray meer dan welke religie ook, de kiem is van het grote kwaad.

In het Nederlands verschenen van hem, bij uitgeverij Ambo, Vals ochtendlicht: De keerzijde van de Globalisering (2004), Al-Qaida en de moderne tijd (2003), Strohonden: Gedachten over mensen en andere dieren (2002).