Home Een kleine geschiedenis van de ziel

Een kleine geschiedenis van de ziel

Door Carolien van Welij op 28 februari 2018

Een kleine geschiedenis van de ziel
Cover van 03-2018
03-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Is de ziel ons diepste gevoel of een rationeel zelf? Grote denkers en schrijvers over de kern van de mens.​
 

Homerus (800-750 v.Chr.)

Wat gebeurt er met ons na de dood? Homerus’ begrip ‘psyche’ in de Ilias en de Odyssee is een antwoord op die vraag. Bij de dood scheiden lichaam (soma) en ziel (psyche) zich van elkaar. Psyche betekent ‘adem’ of ‘levensadem’ en kun je ook vertalen met ‘leven’. Bij de dood verlaat de psyche het lichaam als een uitademing. Deze ziel is een schaduwziel: een schaduw van het zelf, een soort dubbelganger van de overledene, die naar het dodenrijk van Hades reist. Voor Homerus hoort de ziel niet bij het leven, maar manifesteert die zich pas na de dood. 
Als Odysseus tijdens zijn reis de onderwereld binnenkomt, ontmoet hij de schaduw van zijn moeder. Hij probeert haar te omarmen, maar dat lukt niet. Zij vertelt hem dat bij de dood de pezen niet meer ‘het vlees en gebeente’ vasthouden: ‘zodra het leven de witte beenderen verlaat’ vliegt de ziel weg ‘als een droom en fladdert in ‘t rond.’
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Plato (427-ca. 347 v.Chr.)

Het lichaam is volgens Plato niet meer dan een graf of gevangenis voor de ziel. In zijn dualistische mensbeeld is de ziel de zetel van de rede. De ziel is verwant met de eeuwige, onveranderlijke ideeën uit de ideeënwereld. Plato’s ziel bestaat uit drie delen. Hoe die zich tot elkaar verhouden laat hij zien met zijn vergelijking van de twee gevleugelde paarden en de koetsier. Het zwarte paard staat voor de begeerte, die streeft naar lichamelijk genot en ons naar de aarde trekt. Het witte paard staat symbool voor de moed en de wilskracht en streeft naar boven, naar de ideeënwereld. De koetsier, de rede, moet met hulp van het witte paard het zwarte paard in toom zien te houden. Zo zal hij een glimp kunnen opvangen van de goddelijke wereld van de eeuwige ideeën. De dood is het geluk van de ziel: zodra de ziel bevrijd is van het lichaam kan ze terugkeren naar de volmaakte ideeënwereld. 
 

Aristoteles (384-322 v.Chr.)

‘Het is in elk opzicht uitermate moeilijk iets met zekerheid over de ziel te zeggen’, verzucht Aristoteles. Maar omdat de ziel het wezen van de mens bepaalt, is het belangrijk om te begrijpen wat die is. Aristoteles is geen dualist maar een monist. Voor Aristoteles is de natuur een eenheid: er is niet zoiets als een platoonse ideeënwereld. Die eenheid zie je ook terug in de mens: lichaam en ziel kunnen niet los van elkaar bestaan, ze zijn afhankelijk van elkaar. Niet alleen mensen hebben een ziel, maar ook planten en dieren. Voor Aristoteles is niet de vraag wat er na de dood met de ziel gebeurt, maar: hoe werkt de ziel in de levende mens? De ziel geeft de natuur leven en een vorm. De ziel maakt de mens tot een denkend wezen. Ieder individu vindt daarbij zijn eigen vorm, afhankelijk van zijn of haar mogelijkheden.
 

Dante Alighieri (1265-1321)

De goddelijke komedie (1300) vertelt de tocht van een ziel door de dodenrijken. In dit literaire werk zijn de ideeën over de ziel in de Middeleeuwen terug te vinden. Toen was de ziel onderwerp van geloof. De centrale kwestie was wat er na de dood met de ziel gebeurt: verlossing of eeuwige verdoemenis. In het eerste deel, ‘Inferno’, geeft Dante een beschrijving van de zielen die eeuwig lijden in de hel. De hel bestaat uit negen kringen, waarbij elke kring zijn eigen categorie zondaars heeft. Een tunnel leidt naar de Louteringsberg of het vagevuur, een tussenstation waar de ziel nog een kans krijgt om via belijdenis, berouw en boetedoening verlost te worden. De verloste zielen verblijven in het Paradijs. Het hiernamaals van Dante verschilt niet veel van het aardse bestaan: ‘Waar anders dan in onze eigen werkelijkheid heeft Dante de stof opgedaan voor zijn hel?’ stelde Schopenhauer vast.
 

Ibrahim al-Jili (1365-ca.1417)

De soefi’s zijn de mystici van de islam. Binnen het soefisme draait het om de vraag hoe de ziel haar bestemming en eenheid met God bereikt. Soefi Ibrahim al-Jili geeft een gedifferentieerd beeld van de ziel met vijf ontwikkelingsstadia. Het eerste deel is een dierlijke ziel die voor de aansturing van het lichaam zorgt. Het tweede deel is onderwerp van de hartstochten en neigt naar het kwade. De geïnspireerde ziel is het deel dat door God wordt geïnspireerd het goede te doen. Naast de reflectieve ziel die zich berouwvol tot God richt, is er de vijfde vredige ziel die in God rust vindt. Ole Martin Høystad wijst erop dat het soefisme de liefde cultiveert als de weg van de ziel naar die eenheid met God. Die nadruk op de liefde binnen het soefisme is voor een belangrijk deel te danken aan de islamitische mystica Rabia al-Basra (ca. 717-801). Zij benadrukt dat de liefde voor God een voorwaarde is voor eenwording. 
 

Descartes (1596-1650)

Zoekend naar zekerheid komt Descartes uit op een abstracte, denkende ziel. Om zekere kennis te bereiken twijfelt de Franse filosoof aan alles waarvan je niet zeker kunt zijn. Het enige wat overblijft is het twijfelen, en dus het denken. Zo komt hij tot zijn beroemde Cogito ergo sum, ‘Ik denk, dus ik ben’. Voor Descartes zijn het denkvermogen en het bewustzijn de ziel van de persoon. Deze rationele ziel is strikt gescheiden van het lichaam. De ziel is immaterieel, maar heeft wel een substantie: het is een denkend ding. Het lichaam is niet meer dan fysieke materie zoals de rest van de natuur. Deze dualistische scheiding van lichaam en ziel roept de vraag op hoe het zit met de wisselwerking tussen het denken en het lichaam. In zijn anatomische studies dacht Descartes de plek van de ziel gevonden te hebben: in de pijnappelklier in de hersenen. Deze klier zou de verbinding vormen tussen lichaam en ziel.
 

Hume (1711-1776)

Een paar weken voor zijn dood zou Hume op zijn ziekbed het idee van een leven na de dood benoemd hebben als een ‘zeer onverstandige veronderstelling’. Hume is een scepticus: hij is op zoek naar ‘zeker weten’, ook over de ziel. Anders dan Descartes gaat hij empirisch te werk. De zintuigen geven toegang tot de wereld: alles wat in het verstand is, is eerst in de zintuigen geweest. We zijn alleen zeker van onze percepties. Met dat uitgangspunt komt hij tot een begrip van de ziel als niet meer dan ‘een bundel of verzameling van verschillende percepties, die elkaar razendsnel opvolgen en zich in een voortdurende flux en beweging bevinden’. De ziel en het zelf zijn de som van veranderlijke waarnemingen. Zo’n ziel is geen eenheid. Toch ervaren we wel een eenheid, dankzij ons denkvermogen. Met onze verbeeldingskracht creëren we het idee van een zelf, een ziel. We verzinnen de illusie van de ziel, het zelf.
 

Freud (1856-1939)

Freud maakt de ziel onderwerp van therapie. De Weense psychiater gebruikt in zijn werk niet het woord ziel (Seele), maar het oorspronkelijk Griekse woord ‘psyche’. Wel kom je nog afleidingen tegen zoals seelisch en Seelenleben. Høystad laat zien dat Freud belangrijk is voor een nieuwe benadering van de ziel: van een religieus of filosofisch begrepen ziel naar een wetenschappelijke en ervaringsgerichte verklaring van de ziel. De ziel is een psyche geworden die behandeling nodig heeft vanwege de trauma’s, verdrongen wensen en conflicten. De driedeling van Plato verschijnt in een nieuwe vorm in de driedeling van de psyche bij Freud: het Es, het Ik en het superego. In het Es bevinden zich de oerdriften: seksualiteit en andere driften en instincten. Het superego staat voor het controlerende en straffende geweten en oefent druk uit op het Ik, de ik-identiteit. De psyche is complex: ze is iets irrationeels en emotioneels, maar ook iets cognitiefs. 
 

James Joyce (1882-1941)

‘Iedereen heeft ervan gehoord, weinig mensen hebben het gelezen’, schrijft Høystad over Ulysses (1922) van de Ierse schrijver James Joyce. Høystad neemt deze roman op in zijn geschiedenis van de ziel omdat die bewustzijn en de ziel van de moderne mens uitdrukt. Het verhaal beschrijft de omzwervingen van Leopold Bloom door Dublin op de dag dat hij bedrogen wordt door zijn vrouw Molly. De inhoud is een stream of consciousness, een ononderbroken stroom van bewustzijn: gedachten, herinneringen, reflecties, dromen en wensen. De monologen van onder anderen Bloom en Molly geven de lezer een blik op het zielenleven van de personages. Daarbij ontstaat een veranderlijk en caleidoscopisch beeld van de ziel. De titel is een verwijzing naar Odysseus uit de Odyssee van Homerus. Høystad laat zien dat Ulysses een innerlijke odyssee beschrijft: hoe Bloom na een dag zwerven weer thuis kan komen bij zijn vrouw met vrede in zijn ziel. 
 

Franz Kafka (1883-1924)

Geen enkele keer komt het woord ‘ziel’ expliciet voor in Het proces. Toch gaat deze roman volgens Høystad daar uiteindelijk wél over. Hoofdpersoon Josef K. wordt ‘zonder dat hij iets slechts had gedaan’ op een ochtend gearresteerd. Vergeefs probeert hij te achterhalen waarvoor hij wordt aangeklaagd en wie zijn rechters zijn. Eerst bepleit hij zijn onschuld, maar op den duur voelt hij schuld zonder te weten waarom. Hij aanvaardt het oordeel en werkt mee aan de uitvoering ervan. Met het begrip ‘ziel’ krijgen we volgens Høystad vat op de innerlijke leegte van de hoofdpersoon. De vormloze K. had niets slechts gedaan, maar misschien is dat nu juist zijn fout. K. heeft alleen routinematig en in het uiterlijke geleefd: hij ging plichtsgetrouw naar zijn werk, hield zich vooral met zijn eigen zaakjes bezig. Maar zijn leven bleef leeg: K. heeft zich niet willen openstellen voor zijn eigen innerlijk.