Home Klassieke Oudheid Antieke wijsbegeerte in een notendop
Klassieke Oudheid

Antieke wijsbegeerte in een notendop

De antieke wijsgeren legden de fundamenten waarop de hedendaagse bouwwerken van de logica, kenleer, antropologie, ethiek en politieke filosofie steunen. Maar wie waren die antieke filosofen eigenlijk? Classicus Piet Gerbrandy legt uit: aristocratische optimisten - machtsdenkers die geloofden in de maakbaarheid van een ideale samenleving.

Door Piet Gerbrandy op 19 november 2012

Antieke wijsbegeerte in een notendop
08-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Wie met oog voor details om zich heen kijkt, kan gemakkelijk overweldigd worden door een gevoel van machteloosheid: hoe is het mogelijk in deze chaotische baaierd van dingen, gebeurtenissen, verschijnselen en gedachten enige orde aan te brengen? Staan de verschijnselen met elkaar in verband, valt er in de werkelijkheid een verborgen structuur te ontdekken? Alle denkers uit de oudheid hebben geprobeerd de wereld hanteerbaar te maken door haar te vereenvoudigen. De Ionische natuurfilosofen herleidden de verschijnselen tot een oerstof. Het is niet helemaal duidelijk of zij deze oerstof ook nog aanwezig achtten in de materie om ons heen, of dat zij haar uitsluitend als beginpunt en misschien ook als eindpunt beschouwden. Herakleitos zag de structuur van de werkelijkheid belichaamd in het element vuur, Empedokles nam naast vuur nog drie andere elementen aan, de atomisten meenden dat alles in principe viel terug te voeren op ondeelbare deeltjes zonder specifieke eigenschappen.

Tot het uiterste in deze vereenvoudiging ging Parmenides, die ervan overtuigd was dat er in feite maar één ding bestond: het zijnde. Alle verscheidenheid, alle verandering berust op een defect van onze zintuigen, want iets anders dan het ene, tijdloze, compacte zijnde kan volgens Parmenides niet bestaan, aangenomen dat het niet-zijnde, dat voor alle beweging verantwoordelijk gesteld moet worden, niet bestaat.

Plato onderkende het probleem van zijn voorgangers, maar zijn benadering was anders. Voor hem zijn het de abstracte begrippen, die hij vormen of ideeën noemt, waarmee de veelheid van verschijnselen geordend kan worden. In deze ideeën brengt hij ook een hiërarchie aan die de wereld overzichtelijk maakt. Helemaal bovenaan in die rangorde staat de Idee van het Goede, die als een zon alles onder zich doet ontstaan en zichtbaar maakt. Het is deze idee die bij Plotinos de gedaante van het Ene aanneemt en door Boëthius en andere christelijke denkers God wordt genoemd.

Ook Aristoteles trachtte structuur aan te brengen, maar zijn methode was eerder logisch dan metafysisch gericht. Toch wijkt hij in dat opzicht niet wezenlijk af van Parmenides, Plato en de Neoplatonisten. Vrijwel alle denkers in de oudheid gaan, vaak zonder zich af te vragen of dat wel geoorloofd is, ervan uit dat verschijnselen die logisch met elkaar samenhangen, ook in werkelijkheid uit elkaar moeten voortkomen. Er heerst een strikte parallellie tussen logica en ontologie. Als je in de taal onderscheid kunt maken tussen het zijnde en het niet-zijnde, betekent dat automatisch dat ook in werkelijkheid het ene wel, en het andere niet bestaat, vindt Parmenides. Dat alle tafels logisch te herleiden zijn tot één abstract begrip `tafel’, betekent voor Plato dat die ene Tafel in werkelijkheid de echte is en dat de tafel waaraan u dit boek leest daarvan slechts een flauwe afschaduwing moet zijn. Dat de begippen `twee’ en `veel’ logisch gezien ook het begrip `één’ veronderstellen, houdt in dat ook de veelheid van verschijnselen om ons heen uit het Ene moet zijn voortgekomen, aldus Plotinos en Proklos.

Dit geloof in de logica, waarvan we het ontstaan kunnen volgen bij Parmenides en Plato, houdt ook verband met de enorme reputatie van het vak wiskunde. Pythagoras meende al dat de structuur van het heelal het beste in getalsverhoudingen kon worden uitgedrukt, een gedachte die Plato zeer aansprak, zoals blijkt uit zijn Timaios. Dat we dit geloof ook heden ten dage nog aanhangen, blijkt uit het feit dat geen wetenschapsman het in zijn hoofd zal halen iets te beweren zonder er cijfers bij te gebruiken. Theoretische natuurkunde is voor het grootste deel een mathematische aangelegenheid, maar ook politici denken voornamelijk in cijfers. Wat niet telbaar is lijkt domweg niet te bestaan.

Aristoteles slaagde er als eerste in de logica als een samenhangend geheel te beschrijven, iets wat ook de Stoa gedaan heeft. Dat deze logica in de late oudheid aangewend kon worden om het bestaan van totaal ongrijpbare fenomenen als goden, demonen en engelen te bewijzen, zou Parmenides niet hebben kunnen dromen. Sextus Empiricus, daarentegen, gebruikte de logica om aan te tonen dat je niets kunt aantonen.

Toen de wereld vereenvoudigd was en men had besloten dat het wezen ervan niet in de verschijnselen zelf te vinden was, deed zich een nieuw probleem voor. Ongemerkt bleek er een discrepantie te zijn ontstaan tussen wat we zien en wat we denken. Als het zijnde één en ondeelbaar is, waarom nemen we dan een veelheid waar?

Als het wezen van de dingen onvergankelijk is, waarom zien we dan alles veranderen? En als de een beweert dat beweging ondenkbaar is, terwijl de ander beweging juist als het wezenskenmerk van de werkelijkheid beschouwt, hoe kunnen we dan ooit iets zinnigs over de wereld zeggen? Langzaam maar zeker ontdekte men het complex van problemen dat wij tegenwoordig epistemologie noemen. Parmenides zag zich zijns ondanks genoodzaakt een beschrijving te geven van de wereld zoals ze zich aan ons voordoet, Plato moest verklaren hoe de tweederangswereld om ons heen er gekomen was, Empedokles en de atomisten bogen zich over de vraag hoe waarneming tot stand kwam. Gorgias stelde enigszins badinerend vast dat er niets was en dat we, als er iets zou zijn, dat niet zouden kunnen kennen en als we dat wel konden, dat het dan onmogelijk was er iets over te zeggen. Gorgias’ betoog vond een warm onthaal bij Pyrrhon en Sextus Empiricus, aan wie we de overlevering ervan te danken hebben.

Toen er een discrepantie was geconstateerd tussen denken en waarnemen, stond ineens de vraag naar de aard van de mens zelf in het middelpunt van de belangstelling. Waar houdt het lichaam op en begint de ziel? Wat is dat eigenlijk, de ziel? Vrijwel iedereen was het erover eens dat ziel en lichaam twee verschillende entiteiten waren. Pythagoras ging zover te beweren dat de ziel in het lichaam opgesloten zat als in een gevangenis of een grafzerk, een gedachte die we zowel bij Plato als bij Epiktetos en Marcus Aurelius zien terugkomen. Deze visie op de ziel heeft verregaande implicaties voor de betekenis van de dood, eveneens een vaak behandeld onderwerp.  

Goden

Wie het over de dood heeft, moet een standpunt innemen tegenover de traditionele opvattingen over het hiernamaals, en daarmee ook tegenover de godsdienst. Sinds de allervroegste tijden werd er een strikt onderscheid gemaakt tussen mensen en goden, al werd soms ook verondersteld dat er tussenvormen waren. Het belangrijkste verschil tussen beide groeperingen bestond hierin, dat goden onsterfelijk waren en mensen niet. Hoe kon dat? En als mensen ook een vorm van onsterfelijkheid deelachtig konden worden, bracht dat hen dan niet in de buurt van de goden? Zou de ziel niet een goddelijk element in de mens zijn? En gesteld dat de mens uit louter atomen bestaat, zou dat dan niet ook voor de goden moeten gelden?

Hoe abstracter het denken over de ziel en de structuur van het heelal werd, des te abstracter werden ook de goden. Xenophanes, een voorganger van Parmenides, had al forse kritiek op het traditionele godsbeeld. Toch kon men maar moeilijk afscheid van hen nemen. Empedokles geeft Aphrodite een plaats in zijn wereldbeeld, Plato noemt de Olympische goden vaak. Zelfs Epikouros, in wiens universum goden eigenlijk geen enkele functie meer hebben, schaft ze niet af – een inconsequentie waarop zijn aanhangers terecht werden aangesproken door de Skepsis. De Stoa beschouwde haar Logos als een god. De Platoonse vormen krijgen bij Plotinos en Proklos goddelijke trekken, christenen zagen er geen been in hun God met het Ene te vereenzelvigen. Alles duidt erop dat ook onverschrokken denkers niet buiten religie kunnen.

Gegeven het bestaan van goddelijke krachten, betekent dat dan ook dat deze de wereld sturen? Een belangrijke vraag is die naar toeval en voorzienigheid, goddelijke sturing en eigen verantwoordelijkheid van de mens. Vooral Stoïci en Epicureeërs hebben zich daarmee beziggehouden. Daarmee bevinden we ons meteen op het terrein van de ethiek. Hoe abstracter, des te beter, meenden veel denkers. Dit betekende automatisch dat het zijnde, de vormen, de logos en het Ene als goed werden beschouwd, hetgeen uiteraard impliceerde dat ook de wereld, die uit die meer abstracte instantie was voortgekomen of erdoor werd bestuurd, in principe goed was. De antieke mens was een optimist. Het kwaad werd niet ontkend, maar veelal toegeschreven aan het lichaam of aan de materie.

Aangezien de meeste denkers mannelijke aristocraten waren, keken zij neer op lichamelijke arbeid en speelden de begrippen macht en beheersing een grote rol in hun ethische opvattingen. Een leider is beter dan een slaaf, een man beter dan een vrouw, de ziel staat boven het lichaam, het intellect dient het driftleven te onderwerpen. Geluk, of liever: een geslaagd leven (`eudaimonia’ in het Grieks) stond gelijk aan maatschappelijk succes en het verwezenlijken van intellectuele ambities. Plato, Aristoteles en Epikouros besteden veel aandacht aan vriendschap. Voor Plato is erotiek zelfs een van de middelen om met de hogere wereld van de ideeën in contact te komen. Hoe dan ook, wie zichzelf in de hand houdt en helder nadenkt, kan geen slecht mens zijn. Die opvatting vinden we bij Sokrates, Plato, Aristoteles, Stoa en Epikouros. Ook in dat opzicht hadden optimisten de overhand.

Daarmee hangt een volgend punt samen. Als het gedrag van de mens in principe voor verandering – en dus voor verbetering – vatbaar is, zou dit ook moeten gelden voor de maatschappij als geheel. Bij Plato treffen we voor het eerst een volledig maakbare samenleving aan. Dat juist een aristocraat als Plato, die had gezien hoe een redeloze democratische volksmassa zijn dierbare leermeester Sokrates ter dood veroordeelde, zich voorstelde hoe hij de ideale staat zou inrichten, is niet verwonderlijk. Evenmin wekt het verbazing dat hij het liefst filosofen aan het hoofd van de staat zag. Maar het is wel fascinerend om te lezen hoe hij consequent een analogie tussen de ziel en de staat hanteert: zoals het verstand de emoties en driften moet beheersen, moet de filosoof de werkende klasse in bedwang houden.

De meer pragmatisch ingestelde Aristoteles liet eerst inventariseren hoe staten in de rest van de wereld werden bestuurd, alvorens zich over de ideale samenleving uit te laten. Vond Epikouros dat je je beter verre van politiek kon houden, Stoïcijnen aanvaardden graag verantwoordelijkheid. Cicero, zelf een gemankeerd staatsman, liet zich bij het ontwerpen van zijn ideale res publica inspireren door Platoonse en Stoïsche gedachten. Marcus Aurelius trachtte als keizer zijn strenge opvattingen in de praktijk toe te passen. Ook Seneca had dat geprobeerd, maar hij bleek uiteindelijk niet opgewassen tegen de onhandelbare hartstochten van zijn pupil Nero.  

Spot

Hadden veel filosofen kritiek op de wijze waarop hun samenleving was ingericht en op de mannen die er de dienst uitmaakten, op hun beurt waren de filosofen zelf vaak het mikpunt van spot, verguizing en haat. Sokrates, luis in de pels van Athene bij uitstek, werd gedood, na eerst door Aristophanes belachelijk te zijn gemaakt. Tijdens het bewind van Nero werd menige senator met een Stoïsche levensovertuiging tot zelfmoord gedwongen. Boëthius werd ter dood veroordeeld en keizer Justinianus joeg de filosofen van de Akademie Athene uit. In al deze gevallen ging het om een conflict tussen macht en intellect, tussen zwaard en pen.

De eerlijkheid gebiedt op te merken, dat er ook altijd figuren zijn geweest die door hun optreden de naam van de filosofie door het slijk haalden. Vooral Seneca waarschuwt tegen langharige charlatans die zich slecht kleden en niet wassen en zich door onmaatschappelijk gedrag gehaat maken. Navolgers van Diogenes zullen door vergelijkbaar gedrag de scheldnaam `cynici’ hebben gekregen: `kunikos’ betekent `honds’. Serieuzer was de kritiek die Plato op sofisten had: het zouden geldwolven zijn die hun pretenties niet konden waarmaken. Op hun beurt werden Plato en zijn volgelingen door Loukianos als hypocriete zedenmeesters te kijk gezet. En Seneca, die meermalen opriep tot een sober bestaan, was een van de rijkste mannen van zijn tijd.

Dit is een voorpublicatie uit een bloemlezing van teksten uit de klassieke oudheid, De mens is een dier dat kan denken. Het boek verschijnt in oktober en is het tweede deel in een reeks bloemlezingen, waarin eerder Het licht der rede verscheen. Uitg. Contact, Amsterdam 2001, 608 blz., fl. 99,50 / bef 1950.