Home William James: de corridor van het hotel

William James: de corridor van het hotel

Door Marc van den Bossche op 16 augustus 2005

07-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Met filosofie kun je geen brood bakken, zei William James, maar ze kan wel onze ziel met moed vervullen. James’ bekendste boek, Pragmatism, is bijna honderd jaar na verschijning in het Nederlands vertaald.
 

Toen hij het manuscript van zijn lezingenbundel over het pragmatisme bij de uitgever had ingeleverd, blaakte William James (1842-1910) van vertrouwen. Het pragmatisme zou zonder twijfel een weergaloos succes gaan kennen. Een beetje te vergelijken met de Protestantse revolutie, dacht James. Het boek in kwestie, Pragmatism, verscheen in 1907. Anders dan James veronderstelde heeft het pragmatisme slechts een lokaal succes gekend. En dan nog tijdelijk. Lange tijd gold die andere pragmatist, John Dewey (1859-1952), in de Verenigde Staten wel als de publieke filosoof bij uitstek. De man had een immense invloed op het denken over democratie en inspireerde hervormingen van het onderwijssysteem. Na de Tweede Wereldoorlog begon zijn ster te tanen. Of eigenlijk doofde ze helemaal. De mentaliteit van de Koude Oorlog verdroeg met name geen denken dat uitging van het mogelijke gelijk van de ander, of van tolerantie en pluraliteit. Pragmatisten houden echter van alle kleuren en proberen ze telkens opnieuw te combineren. De grote namen van het Amerikaanse pragmatisme droegen dit soort terminologie dan ook hoog in het vaandel: tolerantie, pluralisme, het einde van het Grote Gelijk of van de Ene Waarheid. Dat is ook wat hun denken dezer dagen zo oneigentijds maakt – de Bush-regering, om het meest zichtbare te noemen, ziet dingen zwart of wit.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De bundeling van lezingen waar William James zo hoopvol over deed, heeft nu – eindelijk – een Nederlandse vertaling gekregen. Nooit heeft het Amerikaanse pragmatisme hoge toppen gescheerd in Europese contreien. In de jaren negentig van de vorige eeuw is er wel een en ander vertaald van Richard Rorty, en ook Hilary Putnam kon enkele niet-Engelstalige uitgevers verleiden. Maar dat we deze hedendaagse nazaten van James en Dewey nu echt omarmd hebben, kan ternauwernood beweerd worden. Daar zijn wel enkele redenen voor te bedenken. Bijvoorbeeld dat die Amerikanen nogal wat pretenties van Europese filosofen onder de vloermat hebben geveegd.

Nochtans staat het Amerikaanse pragmatisme niet zo ver af van onze continentale traditie. Het kan gerust gezien worden als een mix van Britse en Duitse invloeden, die met veel zin voor vrijheid zijn gecombineerd. De afwezigheid van een eigen filosofische traditie, met een Plato, Descartes of Kant als vaandeldragers, liet dergelijke vrijheid makkelijker toe. Het kleurenpalet dat iemand als James ons biedt, bevat dan ook likjes verf die al te traceren zijn bij Socrates en Aristoteles. James noemt Socrates zondermeer een adept van de pragmatische methode. Ons aller filosofische aartsvader hield er namelijk van de dingen telkens vanuit andere perspectieven te bekijken. James vindt bovendien dat het pragmatisme bestaat uit een geheel van tendensen die al langer het rijk van de filosofie kleuren. 

Ziel
Hoe ziet nu een pragmatisch gekleurd filosofisch landschap er uit? Om te beginnen is filosofie oneindig veel meer dan een academische bezigheid van daartoe opgeleide professionals. Het belangrijkste aan mensen is hun filosofie, zegt James, en hoe die filosofie hun perspectief op de wereld bepaalt. Hedendaags Amerika zal het graag lezen: James noemt iemands filosofie van groter belang dan zijn of haar inkomsten. Filosofie is daarbij niet zomaar een zaak van techniek, van een gegoochel met een hermetisch jargon. Voor James gaat het om een soort van zintuig waarmee we ontwaren wat het leven echt te betekenen kan hebben. Deels leren we dat uit boeken, maar evengoed betreft het onze individuele kijk op wat de werkelijkheid doet met ons. Vandaar: filosofie is tegelijkertijd het meest sublieme en het meest triviale binnen het menselijke reilen en zeilen. Met filosofie kun je geen brood bakken, zegt James, maar ze kan wel onze ziel met moed vervullen.

Kijk: die laatste uitspraak doet het hem voor mij. Lees er boeken van hedendaagse (academische) filosofen uit onze contreien op na, vooral van diegenen die zich graag situeren in de voetsporen van Heidegger, Foucault, Lacan, Lyotard of Derrida. Trefwoorden: onzegbaarheid, onbeslisbaarheid, onbevredigbaarheid, onrepresentaarbaarheid, of toch termen die daarnaar refereren en die steevast iets te maken hebben met dingen die onmogelijk blijken. Vergeeft u mij de overdrijving, maar hedendaagse continentale denkers lijken een beeld van hopeloosheid te koesteren – ‘een principiële, doorgetheoretiseerde, filosofische hopeloosheid’, zegt Rorty in zijn laatste in het Nederlands vertaalde boekje, De voltooiing van Amerika.

Pragmatisten als James of Dewey houden niet van de dure woordspelletjes die worden gespeeld in Europa. Zelf ben ik helemaal door die continentale traditie gevormd, maar ik denk dat als een filosoof dezer dagen iets wil toevoegen aan het publieke debat, dat daar dan nog maar weinig te rapen valt. Wat doen pragmatisten dan wel anders?

Voor James gaat met de filosofie een empiristische attitude gepaard. Dat betekent dat je als filosoof niet naar louter verbale oplossingen zoekt of a priori redenen hanteert. Gefixeerde principes zijn er uit den boze, net als elke pretentie op absoluutheid. Nu zullen de meeste hedendaagse continentale collega’s uit genoemde traditie het hiermee wel eens zijn. Alleen zal een pragmatist à la James blijven knutselen en de vrees voor een onmogelijke dialoog vervangen door een koppig geloof in het vinden van werkzame oplossingen. De waarheid van ideeën, zegt James, is wat maakt dat ze werken. Die ideeën kunnen altijd opnieuw weerlegd worden door nieuwe feiten of door andere gedachten. Het pragmatisme is in die zin een methode van trial and error. Morgen kan er altijd iemand komen met een beter idee, schrijft ook Rorty ergens. De waarheid van een idee wordt door de pragmatist afgemeten aan de consequenties ervan: stel dat ik dit idee hanteer, wat levert dat dan op in de praktijk.

Zelf hou ik niet van het gebruik van het woordje ‘methode’. Dat doet me teveel denken aan wat de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer daarover zegt: methode is een weg die je telkens opnieuw kan herhalen en waarmee je dingen controleerbaar maakt. Dat is een uitstekende manier van doen in wetenschap en techniek, maar niet als het gaat om een existentiële of ethische vraagstelling. Liever zie ik het pragmatisme als een denkhouding, een basisattitude waarmee je naar de dingen toe stapt. Mooi is het beeld dat William James zelf overneemt van de Italiaan Papini: pragmatisme is als de gang in een hotel. ‘Diverse kamerdeuren geven toegang tot die gang. In de eerste kamer treft u iemand aan die druk bezig is een atheïstisch traktaat te schrijven; in de tweede ziet u iemand op zijn knieën bidden om kracht; in een derde kamer is een chemicus bezig de eigenschappen van een element te onderzoeken. In een vierde kamer denkt iemand een idealistische metafysica uit; in de vijfde kamer wordt de onmogelijkheid van de metafysica aangetoond. Echter, de corridor hebben zij allen gemeenschappelijk, en iedereen zal door die gang heen moeten wanneer ze hun kamers in of uit willen gaan’. Anything goes?, vraagt u zich nu af. Neen: het hotel kan wel een religieus geïnspireerd individu een plek geven naast een atheïst, of een liberaal naast een sociaal-democraat, maar dictators of fundamentalisten horen er niet thuis. Zwart en wit steken slecht af tegen de veelkleurige gang van het hotel.

Minder bescheiden
Hoe actueel kan dit denken nu zijn? The Range of Pragmatism, een recent verschenen bundel met elf artikelen die is samengesteld door de Amerikaanse filosoof Richard Shusterman, toont een brede waaier aan mogelijkheden. Dit boek laat zien hoe het pragmatisme in de eerste plaats een manier van denken is die zich richt op verandering en die wil beantwoorden aan telkens andere situaties. In die zin is het pragmatisme bescheidener dan de continentale filosofie, maar misschien net daarom ook in toenemende mate vruchtbaarder voor het omgaan met actuele thema’s binnen een geglobaliseerde en multiculturele samenleving. Een quasi modieus geworden thema als de levenskunst is overigens door en door pragmatistisch. Als William James het pragmatisme ergens omschrijft als een nieuwe naam voor een oude manier van denken, dan dacht hij ook aan de Oude Grieken die naar een harmonieus samengaan van lichaam en geest streefden. Dewey en nu ook Shusterman hebben het uitvoerig over een somatic education. Zelfcreatie heeft bij hen geestelijke én lichamelijke aspecten. Selfempowerment is een term waar Amerikaanse pragmatisten de neus niet voor ophalen. Op dat vlak zijn ze dan weer iets minder bescheiden dan de transatlantische collega’s: het pragmatisme stelt zich zondermeer het nastreven van een beter leven tot doel. Dewey noemt dat meliorism, een moeilijk te vertalen begrip dat een middenweg wil aanduiden tussen naïef optimisme en een handelingsremmend pessimisme.

De elf opstellen in het door Shusterman geredigeerde boek hebben mij de volgende definitie laten bedenken: pragmatisme is een belichaamde, kritisch melioristische en sociaal geëngageerde manier van leven. Die manier van leven is pluralistisch, humanistisch, flexibel en bescheiden. John Stuhr noemt in zijn artikel het pragmatisme ook nog expliciet zelfkritisch. In de hier gebundelde opstellen gaan de auteurs deze denkattitude na op het vlak van democratie, globaal burgerschap, identiteit, multiculturaliteit en justitie. Shusterman, die zelf met een vrouw van Japanse afkomst samenleeft, pakt dan weer verrassend uit met een essay waarin de overeenkomsten tussen het pragmatisme en Oosterse denkwijzen worden belicht.

Binnen het hedendaagse multiculturele debat in Nederland zou een pragmatistische denkhouding alvast andere perspectieven bieden. Larry Hickman pleit hier voor een zachte vorm van cultuurrelativisme. Pragmatisme huldigt voor hem het idee dat wat verschillende culturen als een goed leven zien, te rijk en te gevarieerd is om verstaan en beoordeeld te worden vanuit één principe of één set van principes. Dat van de Westerse Verlichting bijvoorbeeld. Vanuit pragmatistisch perspectief kan dit echter niet als een tekortkoming worden gezien van het Westerse denken, maar wel als een gevolg van de rijkdom aan menselijke ervaringen. De pragmatist hoopt die uiteenlopende ervaringen elkaar te kunnen laten versterken. Hoop en bereidheid tot verandering zijn dan ook sleutelbegrippen binnen het pragmatisme. De kamers van het hotel zijn wellicht nooit op slot.