Home Het einde van de grote Jean-Francois Lyotard

Het einde van de grote Jean-Francois Lyotard

Door Erno Eskens op 11 juni 2001

04-1998 Filosofie magazine Lees het magazine

Op 21 april 1998 overleed Jean-Francois Lyotard in Parijs. Een klein jaar voor zijn overlijden – Lyotard was toen al ernstig ziek – zocht Filosofie Magazine hem op voor een gesprek over de zin van het leven en het belang van kunst. De slotwoorden van een van de grootste denkers van deze eeuw.

Ik ben geen filosoof. Niemand is filosoof. Je kunt hooguit zeggen: sommige mensen proberen te filosoferen. Ik denk dat ik er een van ben.’ Het is voorjaar 1997, precies een jaar voordat de altijd rokende Jean-Francois Lyotard in Parijs overlijdt aan leukemie. De schrijver van La condition postmoderne en Le différend zit aan de werktafel in zijn zolderappartement in de Parijse binnenstad. Buiten schijnt de zon, binnen zit een vrolijke, af en toe grijs wegtrekkende man die steeds vermoeider oogt. ‘Kunnen we nu stoppen? Een laatste vraag misschien?’
In Algerije, waar hij filosofiedocent was op het Lyceum van Constantine, streed hij met woord en daad tegen het Franse kolonialisme. Terug in Frankrijk richtte hij zijn pijlen op het kapitalisme. Hij roerde zich van 1954 tot 1964 in een marxistische groepering rondom het tijdschrift Socialisme ou barbarie. Maar terwijl zijn collega’s als fellowtravellers naar Rusland trokken kwam Lyotard in 1966, twee jaar voor de linkse studentenrevoltes, met forse kritiek op de beweging voor de dag. De marxisten waren op sommige punten te stellig. Vooral hun volstrekt rationele kijk op de geschiedenis stuitte Lyotard tegen de borst.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In 1979 publiceerde Lyotard La condition postmoderne, een spraakmakend werk dat in het Nederlands is vertaald als Het postmoderne weten. Hoewel het als een tussendoortje was bedoeld, behoort het tot de invloedrijkste filosofieboeken van deze eeuw. Met enig gevoel voor profetie kondigt Lyotard ‘het einde van de grote verhalen’ aan. Hij kijkt verveeld als het boek ter sprake komt. ‘Iedereen doet alsof dat boek mijn hoofdwerk is.’ Het is met hem aan de haal gegaan. Maar in grote lijnen staat hij er nog steeds achter. ‘Vorige generaties hadden grote verhalen over emancipatie, vrijheid, volledige kennis en beheersing door de technologie in hun achterhoofd. Ik constateerde in dat boek een groot wantrouwen ten opzichte van die verhalen. Termen als “de algehele koers en richting van de geschiedenis” stuiten mij tegen de borst.’ Na deze bloedige eeuw kan niemand volhouden dat de geschiedenis ergens heengaat, dat er een continue vooruitgang in zit.

Hoewel hij het vooruitgangsgeloof definitief naar de prullenmand heeft verwezen, blijft Lyotard vasthouden aan de idealen van de Verlichting. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn voortaan geen verre einddoelen meer, je moet er hier en nu voor vechten. ‘We moeten zoveel mogelijk ingrijpen in de geschiedenis. Om iets te redden van de idealen: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid en uiteindelijk niets dan rechtvaardigheid. Als we merken dat er ergens mensen in het gedrang komen en gewond raken, moeten we in verzet komen.’

La condition postinoderne beschrijft ook een ‘postmoderne’ mens – zonder vertrouwen in grote verhalen: ‘Er is (..) niet werkelijk sprake van een levensdoel. Dat wordt aan ieders initiatief overgelaten. leder wordt naar zichzelf terugverwezen. En ieder weet dat dit zelfweinig om het lijf heeft.’ Het zelf heeft weinig om het lijf omdat de menselijke geest een raadselachtig, niet rationeel te vatten labyrint is. Wie er diep in doordringt, schreef Lyotard in Economie libidinale, merkt dat het wezen van de mens leeg is. Er staat niets of niemand aan het stuur van de geest. Ons diepste wezen is een gapend gat waar woorden en driften in steeds nieuwe constellaties omheen circuleren.

Stijl
Het ‘grote verhaal’ dat wij een substantieel wezen, een onvervreemdbaar ik of een denkcentrum hebben dat ‘zichzelf kan worden, blijkt onhoudbaar. Er is niets natuurlijks, niets vanzelfsprekends in de schijnbaar vanzelfsprekende loop van het leven. Ook in de privé-geschiedenis moeten we daarom zoveel mogelijk ingrijpen: ‘Om iets te redden van de idealen.’
Af en toe moet je daarom de roest van je bestaan schuren, meent Lyotard: ‘Maar dat is helemaal niet eenvoudig. Je kunt niet zomaar even een andere interpretatie van je bestaan omarmen. En er is bovendien ook helemaal geen reservoir aan zinvolle betekenissen voorhanden waar je makkelijk uit kunt putten. Je kunt hooguit openstaan voor betekenissen en mogelijkheden die zich aandienen. Dat is de kunst, om een soort nieuwsgierigheid te behouden naar de mogelijke invulling van de zin van het leven; om het antwoord steeds open te houden. Om je niet vast te leggen.’
‘Iedereen geeft het leven op zijn of haar eigen wijze vorm. Iedereen heeft wat dat betreft een stijl. Die stijl merk je als mensen iets maken: als ze zinnen vormen, producten maken, handelen. Iedereen doet dat, maar bijna niemand beseft het. Kunstenaars zijn wat dit betreft een uitzondering. Die doen het wel bewust. Ze ontwrichten doelbewust de bestaande stramienen om nieuwe betekenissen mogelijk te maken.’
‘Ik ben zelf eerst in de literatuur actief geweest. Schrijven is een vorm van verzet tegen de schijnbaar vanzelfsprekende gang van zaken. Ik schreef wat wij in Frankrijk een nouveau roman noemen. Maar het was in mijn ogen niet goed genoeg, dus ik heb het niet uitgegeven. Het ligt nog ergens. Vervolgens heb ik mijn plannen bijgesteld en ben ik gaan filosoferen. Je moet er harder bij nadenken, maar je bent bevrijd van het literaire keurslijf. Tijdens het filosoferen ontdekte ik dat de taal ontzettend veel mogelijkheden biedt. Daar wijs ik op. In die zin is filosoferen ook een verzetsdaad.’

In 1985 organiseerde Lyotard een grote tentoonstelling, Les Immateriaux, in Parijs. Met die tentoonstelling wilde hij duidelijk maken dat immateriële ideeën vaak veel reëler zijn dan fysiek aanwijsbare dingen. Parijs stond op zijn kop en het was dringen bij de ingang. Hij moet er nog om lachen als hij eraan denkt. ‘Als je een tentoonstelling bedenkt, ben je plotseling iemand. Dan komen ze je met de limo ophalen. Als eenvoudig filosoof zal je zoiets niet snel meemaken.’
Vooral het werk van de kunstenaars Adami, Arakawa en Buren boeit hem. Hij schreef er het rijk geïllustreerde Que peindre? over. ‘Wat gebeurt er als je naar een schilderij kijkt?’, vraagt hij, terwijl hij een blik werpt op een schilderij van Valerio Adami dat in zijn woonkamer hangt. ‘De Grieken en Romeinen dachten dat je dan een gevoel van schoonheid hebt. En ze dachten dat het schone ook altijd goed was. Dat vinden we nu niet meer. Het bekijken van zo’n schilderij is niet alleen maar prettig. Sommige kunstwerken wekken tegenstrijdige gevoelens op: pijn en plezier, vreugde en angst. Als dat gebeurt, heb je te maken met “sublieme kunst”. Die term komt uit de vierde eeuw, was eeuwenlang in onbruik, en dook in het werk van Immanuel Kant opnieuw op. Bij het sublieme komt er iets anders dan dat aangename gevoel van schoonheid om de hoek kijken. Je wordt geconfronteerd met iets wat je niet kunt plaatsen; een ambigue ervaring, controversieel in de zin dat het je tegelijkertijd afstoot en aantrekt.’

Filosofische dood
‘Vroeger hadden we dat soort ervaringen alleen bij het zien van overweldigende zaken. Een kathedraal bijvoorbeeld, zo’n groots ding dat een gevoel van extase en verheffing oproept en dat met zijn kerktoren naar de hemel wijst. Er is daarbij sprake van een soort angst voor de dood. En dan heb ik het natuurlijk over de dood in de filosofische zin van het woord. je mond valt open, je staat perplex, relaties met de ander vallen even weg, er is die plotselinge afwezigheid van taal, van visie, van gehoor, van zin, et cetera.’
‘Samuel Beckett heeft dat idee van het sublieme naar het dagelijks leven verplaatst. Als Beckett over iets simpels als “lopen” schrijft, dan wordt dat subliem. Zoiets heel vanzelfsprekends blijkt plotseling volstrekt wonderbaarlijk. Iedere stap vereist een ongelooflijke samenwerking van spieren, gewrichten, natuurkrachten – hoe de ene voet voor de andere komt.’
In het sublieme moment wordt het bestaan even ontdaan van vaste betekenissen, waardoor het mogelijk wordt om het van andere zin te voorzien. Ook de ‘verzetswerken’ van de Franse kunstenaar Daniel Buren verbreken op die manier de overheersing van het vastgeroeste verstand. Ze wijzen volgens Lyotard op alternatieve manieren om zin te geven aan het leven. ‘Neem dat werk ‘Les deux plateaux’ op de binnenplaats van het Cour d’honneur van het Palais Royal. Het bestaat uit een aantal zuilen van verschillende hoogtes. En het is subtiel geïntegreerd in de omgeving. Een serie zuilen midden in de binnentuin van een paleis. Parijzenaars vinden het een heel gewoon kunstwerk; ze zitten erop, ze spreken af bij de zuilen. Maar tegelijkertijd vervreemdt het, omdat die zuilen er volgens een patroon zijn neergezet. Dan herken je het: het is net de ruïne van een paleis. Het is de afwezigheid en het verval van een paleis, in een nog bestaand paleis. Dat is unheimisch, vreemd en verontrustend. Het grijpt je bij de strot; je ervaart het, er gebeurt iets, en moet het interpreteren. En dat maakt het zo bijzonder: dat het bestaan ons zo’n nieuwe kans geeft tot nadenken.’ ‘Als men denkt’, schrijft Lyotard in L’inhumain uit 1988, ‘accepteert men het voorval voor wat het is: “nog niet bepaald”. Er wordt geen vooroordeel over geveld en er wordt geen zekerheid aan ontleend.’ Die zekerheid hebben we niet nodig. je kunt prima leven in onzekerheid, dat biedt je de ruimte om je eigen bestaan in te vullen: ‘De zin van het leven? Hmm. Als slotvraag? Hmm. Je moet die vraag niet beantwoorden, denk ik. Je kunt dit beter openhouden, tot het eind. Op deze vraag is geen definitief antwoord mogelijk. Daarmee wil ik niet zeggen dat het leven zinloos is. Je moet er alleen steeds opnieuw een draai aan geven. Steeds opnieuw.’ Lachend: ‘De zin van het leven is het creëren van de zin van het leven, is het creëren van de zin van het leven, is het creëren van de zin van het leven.’

Lyotard overleed 21 april 1998 in Parijs. Hij werd 73jaar.

Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Teleac/NOT.
Veel van Lyotards werken verschenen in vertaling bij uitgeverij Kok Agora. Frans van Peperstraten publiceerde bij dezelfde uitgeverij Jean-Francois Lyotard; gebeurtenis en rechtvaordigheid, een goed overzichtswerk over de Franse filosoof (160 blz., f 29,90)

 


1924: Geboren in Versailles. Als jongeling neemt Lyotard de benen uit een seminarie. ‘Ik heb altijd monnik willen worden, maar ik hield te veel van vrouwen. Dus bleef alleen de filosofie over.’
1944: Als vrijwilliger bij de eerste-hulp helpt Lyotard Parijs bevrijden uit Duitse handen. Hij gaat filosofie studeren en specialiseert zich in het werk van de Franse psycholoog Pierre Janet.
1950: Verhuizing naar Algerije. ‘Ik wilde weg uit het Quartier Latin’, vertelt Lyotard in 1993 in Filosofie Magazine. ‘Dat was te beklemmend. En ik was gefascineerd door een andere cultuur.’ Hij wordt filosofiedocent op het Lycée in Constantine.
1952: Terug in Frankrijk verzet Lyotard zich tegen de repressie van de Franse regering ten opzichte van de Algerijnse vrijheidsstrijders.
1954: Lyotard promoveert bij Paul Ricoeur en treedt toe tot Socialisme ou Barbarie, een links-radicale groepering. ‘Ik geloofde niet dat deze beweging in een werkelijke revolutie zou resulteren, maar ik nam gewoon mijn verantwoordelijkheid; om te laten zien dat er iets niet in orde was.’
1968: Tijdens de studentenopstand gedraagt Lyotard, inmiddels hoogleraar aan de universiteit van Nanterre, zich als een militant, ’terwijl ik er diep in mijn hart niet in geloofde’.
1971: De verschijning van Discours, figure markeert Lyotards toenemende interesse voor taalfilosofie en voor Freud: ‘Het verlangen spreekt niet, maar doet de orde van het spreken geweld aan.’
1974: In een crisistoestand schrijft Lyotard Economie libidinale, naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijk boek, geschreven met een soort gemeen genoegen, volledig destructief.’
1979: Op aandringen van een Canadees instituut schrijft Lyotard La condition postmoderne; rapport sur Ie savoir, vertaald als Het postmodeme weten. Conclusie: ‘De consensus is een verouderde, en verdachte, waarde geworden. Rechtvaardigheid is dat niet. We moeten dus tot een idee en een praktijk van rechtvaardigheid komen die niet verbonden is met die van de consensus. (..) Een politiek tekent zich af waarin het verlangen naar rechtvaardigheid en naar het onbekende gelijkelijk gerespecteerd zullen worden.’
1983: Le différend is Lyotards hoofdwerk: een politiek-filosofisch vervolg op de taalfilosofie van Wittgenstein.
1985: In Parijs organiseert Lyotard een grote kunsttentoonstelling, Les Immateriaux. Bezoekers worden geconfronteerd met kunstmatige geuren die echter ruiken dan de echte geuren. ‘Men verwijt mij dat ik me terugtrek in de kunst, maar ik zou niet weten wat ik over politiek moet zeggen. Niets anders dan wat eik redelijk mens daarover te zeggen heeft: dat je geen oorlog moet voeren, moet proberen iedereen werk te geven en dus de werktijd over de gehele wereld moet verminderen.’
1986: Met L’enthousiasme; la critique kantienne de I’histoire herontdekt Lyotard de metafoor van Kant dat taal een eilandenrijk is. ‘Genres van discours zijn te vergelijken met eilanden in een archipel. Ik kan je aanspreken met een gedicht, een wetenschappelijke verhandeling, of bijvoorbeeld een gebed. En het is onmogelijk om de betekenis uit het ene genre naar het andere te vertalen.’
1988: L’inhumain beschrijft het computer- en informatietijdperk. In Le Monde vat Lyotard het samen: ‘Het staat vast dat de wetenschappelijke kennis in een proces van toenemende complexiteit is verwikkeld.’
1993: In Moralités postmodernes (Postmoderne fabels) staat Lyotard opnieuw stil bij ‘het systeem’: ‘Gezondheid is het zwijgen van de organen, zei René Leriche, de chirurg van het lijden. Het systeem brengt het lawaai tot zwijgen; in eik geval waakt het erover.’
1998: Op 21 april sterft Lyotard. Op begraafplaats Père Lachaise in Parijs houdt premier lospin een grafrede. Een boek over André Malraux is net verschenen, een boek over Augustinus blijft onaf op de schrijftafel liggen.