Home Identiteit Je echte zelf bestaat niet
Identiteit

Je echte zelf bestaat niet

Door Marnix Verplancke op 26 augustus 2026

Acteur Timothée Chalamet deelt handtekeningen uit op het filmfestival van Venetië, 2022 je echte zelf
Acteur Timothée Chalamet deelt handtekeningen uit op het filmfestival van Venetië, 2022. beeld Alamy
Filosofie Magazine Waarom willen we iemand zijn Miriam Rasch
09-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine

Drie denkers prikken de illusie door van het authentieke zelf. ‘Het zelf moet niet ontdekt, maar ontworpen worden.’

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

‘De antropoloog Clifford Geertz schreef dat mensen op Bali lang geen voornaam hadden, maar gewoon “de tweede zoon van die of die familie” werden genoemd. En dat was voldoende. Ze leefden in een hechte gemeenschap die hun identiteit grotendeels, zo niet volledig bepaalde. Als ik mijn hele leven in dezelfde wijk van Amsterdam had doorgebracht, dan had ik ook “Batja, dochter van Lien en Albert, de mensen op de hoek daar” kunnen zijn. Maar zo zag mijn leven er niet uit. Veel van ons gaan weg om te studeren en elders te werken.’

Volgens de Leuvense hoogleraar sociale en culturele psychologie Batja Mesquita, auteur van De emoties tussen ons (2022), is het idee dat we een authentiek zelf hebben een vrij recent fenomeen, typisch voor de westerse middenklasse. De nadruk op karaktereigenschappen, op dingen die vanbinnen zitten en die bepalen wie we zijn, ontstaat pas wanneer je mensen weghaalt uit hun omgeving, meent ze. Dan voelen mensen de behoefte om zich te identificeren ten opzichte van anderen en krijgen ze het idee dat ze een authentiek zelf bezitten, iets aangeborens en consistents dat de grond van hun bestaan uitmaakt.

‘Tast je grenzen niet alleen af maar overschrijd ze stelselmatig’

‘Je zult me nooit betrappen op het gebruik van de term “authentiek ik”,’ gaat Mesquita verder, ‘omdat ik niet weet wat dat precies is. Ons ik is het resultaat van een lang proces. We hebben onze geschiedenis, ervaringen die meebepalen wie we worden. We zijn deel van een relatie, een gezin, een sociaal-economische klasse, een land en een cultuur, en groeien op als jongen, meisje of non-binair persoon. Dat samenspel van ervaringen is uniek en daardoor worden we unieke mensen, maar ik weet niet wat daar “authentiek” aan is. Als ik andere ervaringen had gehad, had ik iemand anders kunnen worden. Ook voor emoties vind ik het woord “authentiek” trouwens misplaatst. De liefde die ik voel voor mijn kinderen is uniek. Niemand voelt die precies op dezelfde manier, maar vrijwel iedere andere ouder voelt ook ouderliefde en die zal toch dicht bij de mijne in de buurt komen.’

‘In het Westen worden assertiviteit en woede vaak gezien als authentieke emoties waaraan je ruimte moet geven,’ vervolgt Mesquita, ‘maar dat is zeker niet overal zo.’ Als je je woede toont, kom je voor jezelf op, je weet waar je recht op hebt. ‘Dat waarderen we in het Westen, maar in veel andere culturen wordt boosheid als een verwoestende emotie gezien. Bijvoorbeeld in het boeddhisme, waar woede laat zien dat je gehecht bent aan het wereldse. In culturen waar individuele rechten minder plaats innemen, wordt boosheid ook minder gewaardeerd. In veel niet-westerse culturen neemt schaamte daarentegen een belangrijke plaats in. Het is daar geen prettige emotie, maar wel een moreel juiste: schaamte betekent dat je erkent dat je tegen de normen bent ingegaan en daar iets aan wilt doen. Schaamte maakt je tot een fatsoenlijk mens en is een eerste stap richting re-integratie. Hier in het Westen is het goed als je zelfverzekerd en onafhankelijk van andere mensen bent, juist niet schaamtebewust dus.’

Schaamtecursus

Dat er in het Westen assertiviteitscursussen bestaan, maar geen schaamtecursussen, laat zien dat onze ‘authentieke emoties’ eigenlijk sterk cultureel bepaald zijn. Tegelijkertijd spoort de omgeving ons aan om ons authentieke zelf te onderzoeken en te ontwikkelen. Maar kunnen we daarin authentiek zijn of conformeren we ons in die zoektocht naar authenticiteit juist aan maatschappelijke wensen en verplichtingen? Het is een vraag waar Michel Foucault (1926-1984) zich over boog, aldus Michiel Leezenberg, Foucaultkenner en filosoof verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

‘Ook Foucault meende dat er van een authentiek ik geen sprake kan zijn,’ aldus Leezenberg. ‘Authenticiteit hangt samen met een moderne opvatting van het individu en van morele deugden. Het gaat uit van iets wat in jezelf zit en van jezelf is, en wat uitgedrukt moet worden in je gedrag en je taal. Bij Jean-Jacques Rousseau tref je het idee aan dat de mens van nature puur en nobel is en dat de maatschappij daar allemaal troep overheen gooit. Het komt er dan op aan je van die troep te ontdoen. Foucault moest niets hebben van dat soort redeneringen. Wat we voor de menselijke natuur aanzien, schreef hij, is het product van kennis en daarmee van macht.’

Foucault was een kind van zijn tijd, en de tijd was die van de seksuele revolutie. In het in 1976 verschenen eerste deel van zijn Geschiedenis van de seksualiteit bespreekt hij het idee dat ons diepe, authentieke zelf naar buiten zal komen als we maar genoeg praten over onze seksuele verlangens. Onze seksuele natuur zou een soort authentieke kern zijn, die bevrijd moet worden van de burgerlijke moraal. ‘Foucault gaf daar een radicale kritiek op,’ vertelt Leezenberg, ‘namelijk dat die schijnbare bevrijding van het authentieke zelf in feite neerkomt op een nieuwe vorm van machtsuitoefening. Mensen worden dan op basis van hun seksuele verlangens en gedrag ingedeeld als normaal en abnormaal.’

Dat ‘normaliteitsdenken’ is trouwens weer helemaal in, zegt Leezenberg. ‘Mannen in de manosfeer verspreiden het idee dat vrouwen door mannen gedomineerd willen worden. En sommige vrouwen onderschrijven dat door tradwife te worden. Dat is een terugkeer naar oudere gendernormen en interessant genoeg wordt die terugkeer bepleit in naam van een menselijke natuur. Op YouTube staat een kort filmpje waarin Judith Butler perfect duidelijk maakt waar dit allemaal om draait. Butler vertelt over een jongen die op een manier loopt die door andere jongens als verwijfd wordt beschouwd. Op een dag komen ze hem tegen op een brug. In de ruzie die ontstaat, wordt hij over de reling naar beneden gegooid en sterft hij. Butlers vraag is: welke angst zit er achter die gendernormen waardoor een jongen dood moet alleen omdat hij op een bepaalde manier loopt? Het verhaal maakt duidelijk dat authenticiteitsdenken, bijvoorbeeld in de vorm van “echte” mannelijkheid, soms met geweld wordt opgelegd.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Michel Foucault spreekt tijdens een demonstratie. beeld ANP/Raymond Depardon

Jezelf ontwerpen

In plaats van het zelf te ontdekken, koos Foucault ervoor om het zelf te ontwerpen. In de jaren zeventig identificeerde hij zich sterk met de ecologische en de feministische beweging. Hij toonde hoe onderwijs, medische zorg en de economie met staatsmacht verbonden zijn en hoe je je tegen die machtseffecten kunt wapenen. ‘Foucault had een permanente achterdocht tegen elke vorm van macht en opgelegde identiteit,’ zegt Leezenberg. ‘Hij vond dat je die macht zichtbaar moest maken, zodat je die kunt bekritiseren en kunt aantonen dat die historisch veranderlijk is. Wat betreft je persoonlijke leven vond hij dat je je eigen situatie moet onderzoeken, moet nagaan welke identiteit je wordt opgelegd en je moet afvragen of je dat wel wil. Blijf zoeken naar nieuwe mogelijkheden en nieuwe ervaringen, spoorde Foucault aan. Tast je grenzen niet alleen af, maar overschrijd ze stelselmatig. En dit zonder vaste regels te volgen of een utopie na te streven.’

Even tussendoor …

Meer lezen over Foucault en andere grote denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

Dat adagium volgde Foucault zelf ook, vertelt Leezenberg. En dat blijkt uit het voorwoord van De archeologie van het weten, waarin de Franse denker schreef: ‘Laat het aan de politie en de overheid over om te zorgen dat onze papieren in orde zijn. Die proberen onze identiteit vast te leggen. Maar bespaar me hun mentaliteit als ik aan het schrijven ben. Ik schrijf niet om een bepaalde identiteit uit te drukken, ik schrijf juist om mijn identiteit te veranderen en geen gezicht meer te hebben.’ ‘Het idee dat het zelf niet iets authentieks is dat ontdekt moet worden,’ zegt Leezenberg, ‘maar iets dat we onophoudelijk kunnen en moeten veranderen, vind ik erg inspirerend.’

Onbewust

Is er dan niets in ons wat helemaal van onszelf is, al is het maar onbewust? Ook voor de psychoanalyse, die zich op het onbewuste richt, lijkt het authentieke zelf een problematische fictie te zijn. Zo stelde grondlegger Sigmund Freud (1856-1939) dat onze psyche drie lagen bevat: het onbewuste Es, de bron van onze biologische driften en verdrongen verlangens, het Über-Ich of het door de buitenwereld opgelegde geweten, en het Ich, het bewustzijn dat de eisen van de eerste twee met elkaar en de buitenwereld in overeenstemming probeert te brengen.

‘De psychoanalyse heeft zich sinds Freud in verschillende richtingen ontwikkeld,’ vult filosoof, psycholoog en psychoanalyticus Arthur Eaton het beeld aan. ‘Waardoor analytici elkaar weleens tegenspreken. Maar als er iets is waar iedereen het over eens is, is het dat er geen authentiek ik bestaat. Sommige delen van ons ik hebben we aangereikt gekregen van onze omgeving, andere komen diep vanuit ons onbewuste, en soms is het evenwicht tussen beide zoek. Veel mensen gaan in psychoanalyse omdat ze zich overmatig aanpassen aan de eisen van de buitenwereld, waardoor waarachtiger stukken van het zelf naar de achtergrond verdwijnen. Je ziet dat sommige mensen er goed in zijn om zich als een kameleon aan te passen aan de verlangens van anderen, maar gelukkig worden ze daar niet van. Het is dan aan de analyticus om het evenwicht te herstellen, daarbij beseffend dat het onbewuste nooit echt gekend kan worden. Soms toont het onbewuste zich, bijvoorbeeld in versprekingen of dromen. Wie is de dromer die de droom droomt, drukte James Grotstein het mooi uit. Ik ben in een droom aanwezig, maar wie is dan het ik achter het ik dat de droom droomt? Dat is het onbewuste: dat is niet direct kenbaar, maar wel via wat het achterlaat in onze geest.’

Waar mensen ten tijde van Freud gebukt gingen onder een strenge maatschappelijke moraal, merkt Eaton in zijn praktijk dat ze tegenwoordig vooral last hebben van irreële ideaalbeelden waaraan ze willen voldoen. De richting is anders, maar de last vaak even zwaar, merkt de analyticus op, en het doel is in beide gevallen hetzelfde. ‘Sommige mensen gaan in therapie omdat ze uit elkaar liggen en weer heel gemaakt moeten worden, anderen zijn juist te heel, te vast en hebben behoefte aan verlossing. In beide gevallen komt het erop aan een beetje meer te worden wie je bent, aldus Jung. Freud drukte het anders uit: kunnen werken en kunnen liefhebben, daar moeten we aan werken. Het komt erop neer te aanvaarden dat je als mens altijd verdeeld zult zijn en dat je met de onoplosbare tegenstellingen binnenin jezelf moet leren leven.’

Loginmenu afsluiten