Home Rutger Bregman: ‘Mensen deugen!’

Rutger Bregman: ‘Mensen deugen!’

Door Maurice van Turnhout op 25 september 2019

Rutger Bregman: ‘Mensen deugen!’
Cover van 10-2019
10-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens historicus Rutger Bregman getuigt het van luiheid te geloven dat de mens van nature slecht is: dan hoef je ook niet na te denken over waar het kwaad in de wereld vandaan komt en wat je ertegen kunt doen.

Na zijn beruchte Stanford Prison Experiment van 1971 wist sociaal-psycholoog Philip Zimbardo het zeker: in ieder mens schuilt een sadist. Onder zijn vergrootglas ontpopten normale, gezonde studenten zich in een nagebouwde gevangenis tot wrede bewakers. Acht jaar eerder had collega Stanley Milgram al opzienbarende resultaten behaald met zijn ‘schokmachine’, waaruit bleek dat 65% van de proef­personen bereid zou zijn geweest om een wildvreemde te elektrocuteren.

‘Zes jaar geleden nam ik zulke verhalen nog klakkeloos voor waar aan’, bekent Rutger Bregman, ‘maar toen ik verder groef, bleken ze helemaal niet te kloppen. Zimbardo en Milgram moesten flink manipuleren om resultaten te krijgen die vooraf vaststonden.’

Bregman (1988, Renesse) zit in een café op een steenworp afstand van de redactie van De Corre­spondent, het onlinejournalistenplatform waarvoor hij sinds 2013 schrijft.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Beeld: Jessica Brouwer

In januari van dit jaar ging hij viral met een tirade op het World Economic Forum van Davos, gericht tegen de superrijken die belasting ontduiken. Daarna kreeg hij als Dutch historian 13 minuten zendtijd van de Amerikaanse Daily Show van Trevor Noah om te spreken over het basis­inkomen en participatieve democratie.

Zulke ideeën wekken argwaan, vertelt Bregman. Worden mensen niet aartslui van gratis geld? Kan je ze wel ver­trouwen om zichzelf te besturen? Als het erop aankomt, zijn mensen toch zelfzuchtig, wreed en door en door slécht?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Ik ontdekte,’ zegt Bregman, ‘dat veel van de utopische ideeën waar ik mee bezig ben één ding gemeen hebben: ze veronderstellen een ander mensbeeld dan we gewend zijn.’

De kern van Bregmans alternatieve mensbeeld is meteen ook de titel van zijn nieuwe boek: De meeste mensen deugen, dat op 3 september bij De Correspondent verscheen. Om dit mensbeeld te omarmen moest Bregman afrekenen met delen van zijn eerdere werk.

Zo huldigde hij in zijn boek De geschiedenis van de vooruitgang (2013) niet alleen de onderzoeken van Zimbardo en Milgram, maar ook een gangbare antropologische theorie over de mysterieuze beelden op Paaseiland. Plaatselijke stammen zouden alle bomen op het eiland hebben gekapt om aan de lopende band deze Moai te kunnen blijven bouwen, verziekten zo hun leefmilieu en slachtten elkaar uiteindelijk af. ‘Mensen zien dat Paaseiland-verhaal graag als een soort metafoor voor het huidige westerse consumentisme en de klimaatapocalyps. Maar ook dit verhaal bleek niet te kloppen. Na onderzoek van 469 schedels heeft een Amerikaanse antropoloog geen enkele aanwijzing gevonden voor grootschalige oorlogvoering. Ontbossing was er wel, maar die werd waarschijnlijk veroorzaakt door ratten.’

Wat het Paaseiland-verhaal gemeen heeft met het Stanford Prison Experiment en Milgrams schokmachine is dat het de ‘vernistheorie’ illustreert, een term van primatoloog Frans de Waal. Het idee dat mensen onder een dun vernislaagje beschaving eigenlijk een beestachtige, egoïstische en moordzuchtige inborst verbergen. Filosofen zoals Machiavelli en Nietzsche, kerkvaders zoals Augustinus, maar ook politici, journalisten, sociaal-psychologen en romanschrijvers hebben deze vernistheorie zo vaak herkauwd dat we nauwelijks nog beter weten.

Misschien wel de beruchtste vernistheoreticus is de zestiende-eeuwse Engelse filosoof Thomas Hobbes, die schreef dat mensen in hun ‘natuurstaat’ een oorlog voeren van ‘allen tegen allen’. Een idee dat Bregman graag wil ontkrachten: ‘Archeologen hebben duizenden grotschilderingen gevonden met de jacht, religieuze ceremonies en seks als onderwerpen, alle dingen die het leven beheersen. Als er echt een oorlog van allen tegen allen was, zou je verwachten dat iemand daar een keer een schilderijtje van maakt, toch? Nee hoor, niks gevonden!’

Bregman concludeert op basis van meerdere archeologische en antropologische bronnen: ‘Oorlog heeft een vrij recent begin. Gedurende 99% van de menselijke geschiedenis leefden wij in egalitaire samenlevingen van jager-verzamelaars. Van narcisten en machtswellustelingen moesten we niets hebben. Leiderschap was tijdelijk en gebaseerd op competenties. Bij onze verre voorvaderen is dus eerder sprake geweest van survival of the friendliest dan van survival of the fittest. Als je jezelf te hard op de borst klopte, kon je buitengesloten worden. Natuurlijk, voor de wil tot macht zoals Nietzsche die beschrijft, bestaat een oeroude evolutionair-psychologische basis. Maar wat zo uniek is aan de mens is dat wij het grootste deel van onze geschiedenis in staat zijn geweest die wil tot macht te onderdrukken.’

Waarom blijft de vernistheorie dan zo alom aanwezig?
‘Op de eerste plaats is het intellectuele luiheid. Wij worden al millennia geconfronteerd met de vraag waarom mensen soms slechte dingen doen. Als je die dingen verklaart vanuit een inherente slechtheid van de mens, is het probleem gemakkelijk opgelost. Al het goede in de wereld wordt dan uitgelegd als dat dunne laagje beschaving. Naast intellec­tuele luiheid is het ook nog eens praktische luiheid. Als je aanneemt dat de meeste mensen niet deugen, waarom zou je dan nog vechten voor een betere wereld? Dan kan je wel proberen om klimaatverandering te bestrijden, maar het gaat uiteindelijk toch nooit lukken, want de mens is nu eenmaal een plaag. En je kan je wel verzetten tegen belastingontduiking, maar uiteindelijk blijven we egoïsten die enkel aan hun eigen gewin denken. Zulke cynische argumenten komen machthebbers ook nog eens goed uit.’

Hoe dan?
‘Beweer maar eens het tegendeel. Als je zegt dat de meeste mensen deugen, betekent het ook dat je een bedrijf kan inrichten waarbij mensen zichzelf managen en je geen managers meer nodig hebt. Of kan je een democratie hebben waarin mensen zichzelf besturen en er aanzienlijk minder politici nodig zijn. Dan blijkt ineens dat de keizer geen kleren aanheeft. Wat is de enige politieke ideologie die een positiever mensbeeld aanhangt? Het anarchisme. Er bestaat geen politieke beweging die zo fel vervolgd is. Want het is radicaal, staatsgevaarlijk, gezagsondermijnend om uit te gaan van het goede in de mens.’

Mensen schamen zich voor hun goede daden, schrijft u. Waarom is dat?
‘Er heerst een sterke angst om te worden weggezet als heilig boontje. De Franse filosoof Tocqueville observeerde tijdens zijn reizen door Amerika in de negentiende eeuw dat hij nog nooit in een land was geweest waar mensen zo altruïstisch zijn, maar dat hij tegelijkertijd geen Amerikaan kon vinden die dat wilde toegeven. Amerikanen geloven graag in hun eigen zelfzuchtigheid. Een vergelijkbare paradox zie je in de Bergrede in de Bijbel. Enerzijds zegt Jezus: “Bid niet op de hoek van de straat, maar ga naar binnen, want alleen God hoeft je te horen.” Niet koketteren dus. Maar Jezus zegt ook: “Jullie zijn het Licht in de wereld, men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten.” Oftewel: als je niet voor je goedheid uitkomt, wordt het nooit wat. Die spanning tussen inspireren en koketteren is onoplosbaar, volgens mij. Ik heb regelmatig meegemaakt dat mensen over mij zeggen: wat die Bregman daar beweert, is inspirerend, maar hier stelt hij zich op als een arrogante kwal. Dat ligt heel dicht bij elkaar.’

De tegenpool van vernistheoreticus Hobbes was de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau. Hij veronderstelde dat de mens van nature goed is en door de beschaving is bedorven. U gaat een heel eind met Rousseau mee. Toch schrijft u ook dat de beschaving sinds de verlichting veel gezondheid, rijkdom en veiligheid heeft opgeleverd.
‘Rousseau leefde nog in een tijd waarin de meeste mensen arm, hongerig, ziek en ongelukkig waren. Hij wist niet dat er een industriële revolutie aan zat te komen die uiteindelijk tot een gigantische verhoging van het levenspeil zou leiden. Mij was jarenlang ingeprent dat Rousseau een naïeve romanticus was. Goeie pen, leuk om de geest te prikkelen, maar geen realist. Toen ik zijn Vertoog over de ongelijkheid naast de nieuwste archeologische en evolutionair-antropologische bevindingen legde, viel mijn mond open. Deze wetenschappers bevestigen Rousseaus theorie dat het mis ging met de mens toen we onze nomadische levensstijl opgaven en landbouw gingen bedrijven in nederzettingen. Toen gingen we leven op een manier waar ons lichaam en onze geest niet klaar voor waren, toen kwam er oorlog, slavernij, onderdrukking, economische ongelijkheid. Het is verbluffend dat Rousseau de geschiedenis is ingegaan als de naïeve romanticus en Hobbes als de zogenaamde realist. Uit de jongste wetenschappelijke bevindingen blijkt namelijk dat Hobbes er finaal naast zat, en Rousseau zat heel aardig in de richting.’

Toch zegt u niet – zoals Rousseau – dat de mens van nature goed is. U zegt: we hebben een goede en een slechte kant, die kun je allebei trainen.
‘Stel je bent rechtsbenig, dan is dat je goede been. Voor dat been heb je een natuurlijke voorkeur. Het voelt een beetje onnatuurlijk om op je slechte been te gaan staan. Maar ja, er zijn nu eenmaal ook situaties waarin we meer gebruik maken van dat slechte been.’

Maar dan gaat er dus een alarmpje in ons hoofd af?
‘Het voelt niet goed. Soldaten die zijn geconditioneerd om te doden komen bijna allemaal met posttraumatischestressstoornis terug uit een oorlog. Als we echt geëvolueerd zouden zijn tot killer apes, waarom keren we dan niet terug met een verzadigd gevoel nadat we andere mensen over de kling hebben gejaagd? Bij de meeste mensen zit die natuurlijke afkeer van geweld heel diep. Van de genocide in Rwanda in 1994 bestaat in het Westen een beeld van een hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen, waarbij mensen plotseling met machetes op elkaar in begonnen te hakken. In werkelijkheid was het een georkestreerd en complex historisch proces. De Rwandese samenleving is jarenlang vergiftigd met moderne multimediale propagandatechnieken. Uiteindelijk sloeg slechts 3% van de Hutu’s aan het moorden. Dat zeg ik niet om een gruwelijke geschiedenis te bagatelliseren, maar die geschiedenis is in ieder geval geen adequate ondersteuning van de vernistheorie.’

Tekst loopt door onder de afbeelding

U schrijft dat mensen vatbaar zijn voor verhalen. Het gemiddelde Netflix-aanbod schurkt inderdaad aan tegen de vernistheorie. Neem een serie als Black Mirror …
‘Of Game of Thrones, dat vinden veel mensen een illustratie van Machiavelli en dus politiek enorm realistisch. Terwijl die serie juist krankzinnig onrealistisch is, even afgezien van alle draken die erin voorkomen. In Game of Thrones schuiven mensen bijvoorbeeld met het grootste gemak zwaarden bij elkaar naar binnen. Maar door historisch en psychologisch onderzoek weten we dus dat mensen geweld extreem moeilijk vinden. Ze zijn ertoe in staat, maar dan moeten ze er wel toe aangezet worden, vaak met behulp van drugs, conditionering, brainwashing en technologische middelen die hen op afstand houden van hun ­slachtoffers. Bijna alle doden van de Eerste Wereldoorlog vielen bijvoorbeeld door artillerievuur. Hollywood-geweld is dus extreem onrealistisch, maar we kijken ernaar en denken: ja, dit is de ware natuur van de mens, zodra de pretentie van dat laagje beschaving eraf gaat, zijn we bloeddorstige wezens!’

Kent u dan geen voorbeelden van fictie waarin de deugende mens wordt belicht?
‘Ik vroeg mijn redacteur of ze vijf voorbeelden kende van romans die mijn mensbeeld verdedigen. Ze wist er niet één te noemen. Onlangs las ik Bonita Avenue van Peter Buwalda, en ik wilde voortdurend tegen die personages zeggen: práát nou eens gewoon met elkaar. Want dan zou het gaan van: “Oh, bedoelde je het zo, sorry! Biertje dan maar?” Klaar! Maar dat kan natuurlijk niet, dan stort die hele plot in elkaar. Onlangs was er een dodelijk saai seizoen van Temptation Island, mensen klaagden op Twitter dat er niet genoeg werd vreemdgegaan. Maar om als maker van reality-tv die hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen te krijgen moet je mensen actief tegen elkaar opzetten, bedriegen, misleiden. Als je mensen gewoon met rust laat op een onbewoond eiland, krijg je zoiets als het caravanprogramma We zijn er bijna van Omroep MAX. Dat is zo saai dat het bijna een soort mindfulness wordt om ernaar te kijken. Ik noem dat met een knipoog naar Hannah Arendt: de banaliteit van het goede.’

Over Arendt gesproken, u beweert dat haar hypothese over de banaliteit van het kwaad verkeerd begrepen is. Kunt u dat uitleggen?
‘Opvallend genoeg was Arendt juist een van de weinige filosofen in de westerse canon die ervan overtuigd was dat mensen van nature deugen. Mensen moeten zichzelf verleiden en misleiden met allerlei clichés om zich ervan te overtuigen dat het kwade toch goed kan zijn. Eichmann was dan ook geen gehoorzame bureaucraat, maar een overtuigde nazi, blijkt uit recent onderzoek. Arendt verweet hem vooral een bepaalde domheid, een onvermogen om zich in andermans perspectief te verplaatsen en een gretigheid om in zijn eigen verhaal te geloven.’

We zijn wat we geloven, schrijft u. Daarmee neemt u afstand van uw oude filosofische held Bertrand Russell, die vond dat we ons aan de feiten moeten houden en niet moeten geloven in zaken die ons toevallig goed uitkomen.
‘In mijn boek heb ik geprobeerd om Russells “will to doubt” en de “will to believe” van de Amerikaanse filosoof William James met elkaar te vervlechten. De scepsis van Russell is een belangrijk principe voor goed wetenschappelijk onderzoek, maar met alleen twijfel kom je er niet. Op een gegeven moment moet je de gok wagen, dan kan het waar worden wat je gelooft. Russell en James spreken elkaar niet echt tegen, ze spreken over verschillende domeinen. Je kunt in ufo’s geloven tot je een ons weegt, maar daarmee worden ze niet werkelijk. Hetzelfde geldt voor God. Maar je kan wel zeggen dat God op een metaforische manier gaat bestaan tussen mensen die allemaal in hem geloven. En er zijn ook zaken als liefde, vriendschap, een positiever mensbeeld, die worden gevoed in de realiteit door het feit dat mensen erin geloven.’

Bregman besluit zijn boek met ‘Tien Leefregels’. Zoals:
‘Heb je naaste lief, gelijk ook anderen hun naasten lief­hebben.’ En: ‘Probeer de ander te begrijpen, ook als je geen begrip hebt.’
‘Die tien regels verwijzen naar zowel Mozes als Jordan Peterson, de auteur van het zelfhulpboek 12 Rules for Life’, grinnikt Bregman. ‘Ze komen uit mijn notitieboekje, het zijn dingen waaraan ik mezelf wil blijven herinneren. Menselijk gedrag is bijvoorbeeld zo besmettelijk als de pest. Als je vandaag iets aardigs doet voor een vreemdeling, het kan al zijn dat je een sjaal opraapt die iemand verliest op het station … Zulke kleine effecten vibreren door de sociale werkelijkheid. Er is in ieder geval afdoende wetenschappelijk bewijs dat het zo werkt.’

Het wetenschappelijke debat over de aard van de mens is nog lang niet uitgeraasd, benadrukt Bregman. ‘Archeo­logie en antropologie zijn altijd sterk verbonden met de tijdgeest. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd de killer-ape-theorie populair, omdat mensen zich zo vreselijk misdragen hadden. Tegenwoordig bedienen veel verlichtings-fanatici zich van de vernistheorie. Vroeger was alles rot, schrijft bijvoorbeeld psycholoog Steven Pinker, tot er een paar witte mannen op het lumineuze idee kwamen om voortaan redelijk te zijn, dus de oplossing voor alles is om nog redelijker te worden. Pinker is ideologisch ­gemotiveerd om de vernistheorie aan te hangen en hij is uiterst creatief in het zoeken naar bewijzen daarbij.’
 
Bent u zelf ook niet aan het cherrypicken naar ­wetenschappelijke bewijzen voor het goede in de mens?
‘Ook ik pas een mensbeeld toe om te laten zien wat voor gevolgen dat kan hebben. Ik heb geleerd dat het intellectueel het eerlijkst is om transparant te zijn over mijn biases, en niet te doen alsof ik volledig objectief ben. Ik wil mijn agenda, mijn hoop en verwachtingen juist expliciet maken. Vervolgens nodig ik mensen uit daar zoveel mogelijk kritiek op te leveren. Wat ik vooral probeer, is het woord “realisme” te heroveren. Dat woord is bijna een synoniem voor cynisme en defaitisme geworden. Ik wil bewijzen dat het realistisch is om het goede aan te nemen in de ander en naïef om met wantrouwen door het leven te gaan.’