Home Historisch profiel: Alexis de Tocqueville

Historisch profiel: Alexis de Tocqueville

Door Pieter van den Blink op 26 april 2011

Cover van 04-2011
04-2011 Filosofie magazine Lees het magazine

Het gloednieuwe Amerika dat Alexis de Tocqueville in de negentiende eeuw beschreef, bestaat niet meer. Het democratisch ideaal is aangetast door de kloof tussen arm en rijk, constateert Pieter van den Blink, die voor een jaar in Californië verblijft.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De Amerikanen zijn het minst filosofische volk ter wereld, schreef Alexis de Tocqueville, want ze hebben geen belangstelling voor de grote denkers en geen eigen filosofische school. Tijdens de reis door de Verenigde Staten die hij in 1831 had gemaakt, had Tocqueville wel gezien dat de Amerikanen de neiging hebben om alles zelf te onderzoeken. En dus verzoende hij Amerika met de filosofie door te concluderen dat Amerika ‘een van de landen in de wereld [is] waar men de voorschriften van Descartes het minst bestudeert en het best volgt’. Het is slechts één van talloze aforistische beschouwingen die Tocqueville.’s Over de democratie in Amerika tot een klassieker maken.
Het boek, dat de weerslag vormt van zijn reis, verscheen in twee delen, in 1835 en 1840. Honderdzesenzeventig jaar na dato is er nu voor het eerst een integrale Nederlandse vertaling. Wat een verrijking, en heerlijk om te lezen! Al kan de lezer anno 2011 niet aan de conclusie ontkomen dat het Amerika dat Tocqueville beschrijft niet meer bestaat – zo het al ooit bestaan heeft. Dat de Verenigde Staten vele grote denkers en minstens één filosofische school – het pragmatisme – hebben voortgebracht, is daarvoor niet het enige argument.

Ware vrijheid
De titel Over de democratie in Amerika, hoe weids ook, dekt slechts ten dele de lading van dit boek, dat in wezen over gelijkheid tussen mensen gaat en onze kans om langs de weg van die gelijkheid de ware vrijheid te bereiken. Dat was de vraag die, in combinatie met de revolutie van 1830 in zijn vaderland, Tocqueville naar Amerika bracht. Om zijn carrière als jurist in overheidsdienst te kunnen voortzetten, was Tocqueville gedwongen trouw te zweren aan de Juli-monarchie. Dat bracht hem in een ongemakkelijke positie tegenover zijn aristocratische familie, die bekendstond als trouwe aanhanger van het afgezette Huis van Bourbon. De nieuwe koning, Charles X, noemde zich roi des Français; de Bourbons waren altijd roi de France. Een verblijf buitenslands was dus alleszins opportuun.
Een van de charmes van zijn boek is dat Tocqueville met dezelfde hartstocht waarmee hij de gelijkheid onderzoekt de lof zingt van de aristocratie. ‘Niets in de wereld heeft zulke standvastige opvattingen als een aristocratie. De massa van het volk kan worden verleid door zijn onwetendheid of zijn hartstochten; men kan de geest van een koning verrassen en hem in zijn plannen doen wankelen; en een koning is overigens niet onsterfelijk. Maar een aristocratisch korps is te talrijk om te worden ingepalmd, te gering in aantal om gemakkelijk te zwichten voor de roes van ondoordachte hartstochten. Een aristocratisch korps is een standvastig en verlicht man die niet sterft.’ Waarna hij de draad van zijn betoog weer oppakt dat de standsgelijkheid der mensen een ‘oerfeit’ is dat zich naarmate de tijd vordert steeds duidelijker zal openbaren. ‘De Amerikanen zijn onder een gelukkig gesternte geboren: hun voorouders hebben indertijd op de grond die de Amerikanen bewonen, de gelijkheid van stand en van het intellect ingevoerd, en daaruit moest op een mooie dag de democratische republiek opwellen als uit haar natuurlijke bron.’
Over de democratie in Amerika is een politicologische verhandeling, een reisverslag, een hypothese over de richting van de geschiedenis en een antropologisch onderzoek ineen. Het tweede deel verscheen vijf jaar na het eerste. Tocqueville zelf was inmiddels toegetreden tot het Franse parlement.
In deel twee blijft de auteur het ideaal van een waarlijk democratische samenleving evenzeer toegedaan, maar lijkt hij iets meer afstand te willen nemen van de gelijkheid als noodzakelijke en afdoende voorwaarde. ‘Zo zou ik, met de Verenigde Staten als voorbeeld, gemakkelijk kunnen bewijzen dat de natuur van het land, de herkomst van zijn bewoners, de religie van de eerste stichters, hun Verlichting en hun vroegere gewoonten, los van de democratie, een immense invloed op hun manier van denken en voelen hebben uitgeoefend, en dat nog altijd doen’, schrijft hij op de eerste bladzijden van deel twee. In dat deel richt Tocqueville zich meer op de gedragingen van de mensen in een democratische structuur dan op die structuur zelf, die hij in het eerste deel centraal stelde. Deel twee is dus een rijkere bron voor wie steun zoekt in de dagelijkse omgang met het Amerikaanse volk, dat in grote en kleine dingen zo volkomen anders is dan alle andere. Menige expat in de VS vindt hier een salonfähige verklaring voor de verbijstering die in het dagelijks leven soms zijn deel is. ‘Mensen die elke dag van de week gebruiken om fortuin te vergaren en de zondag om God te aanbidden, lenen zich niet voor de komische muze.’ Of: ‘Voor een Amerikaan verloopt het hele leven als een spel, een revolutie, een veldslag.’ Of: ‘Het volk dat zich zo laat meeslepen door het prestige van de roem is beslist het meest kille, meest berekenende, minst militaire en, als ik mij zo mag uitdrukken, het meest prozaïsche volk ter wereld.’ Zie je wel? Tocqueville zegt het ook.

Nieuwe wereld
Het Amerika dat Tocqueville bereisde, was een gloednieuwe wereld. De Verenigde Staten waren ontstaan op basis van een idee. ‘[De emigranten] waren niet door de nood gedwongen hun land te verlaten; zij lieten er een begerenswaardige sociale positie en gegarandeerde middelen van bestaan achter; zij vertrokken evenmin naar de Nieuwe Wereld om er hun positie te verbeteren of om er hun rijkdom te vergroten; zij braken met het zoete leven van het vaderland om te gehoorzamen aan een zuiver intellectuele behoefte; door zich bloot te stellen aan de onvermijdelijke ellende van de ballingschap, wilden zij een idee doen zegevieren’, schrijft Tocqueville. In zijn State of the Union dit jaar refereerde president Obama nog eens aan dat idee: ‘We are the first nation to be founded for the sake of an idea – the idea that each of us deserves the chance to shape our own destiny.’
En aan wat een zegetocht was dat idee bezig in het ochtendgloren van de nieuwe tijd, toen Tocqueville hier rondreisde. De nieuwe natie nam op allerlei terreinen (economisch, cultureel) een voorsprong, al had het dan nog geen filosofische school voortgebracht. Tocqueville was zelf ook jong (25 jaar toen hij zijn reis ondernam) en gretig om te zien, te ontdekken en te interpreteren. In Walt Whitman-achtige bewoordingen noteert hij: ‘De Amerikaan woont in een land van wonderen, om hem heen beweegt alles onophoudelijk en elke beweging lijkt vooruitgang.’
Jong was hij, maar zeker niet naïef of overrompeld door al die wonderen en bewegingen om hem heen. Over de democratie in Amerika is een ongemeen kritisch boek. Tocqueville wil ‘een vriend’ zijn voor de democratie, en juist daarom wijst hij op haar zwakke kanten. Zijn veroordeling van de ‘tirannie van de meerderheid’ is, helaas, tijdloos. ‘Wanneer een man of een partij in de Verenigde Staten onrecht wordt aangedaan, tot wie wilt u dat hij zich wendt? Tot de publieke opinie? Die wordt gevormd door de meerderheid. Tot de wetgevende macht? Die vertegenwoordigt de meerderheid en gehoorzaamt die blindelings. Tot de uitvoerende macht? Die wordt benoemd door de meerderheid en dient haar slaafs. Tot de gewapende macht? Dat is niets anders dan de meerderheid onder de wapens. Tot de jury? De jury, dat is de meerderheid, bekleed met het recht vonnissen te vellen.’
Hoe enthousiast of geschokt Tocqueville ook is over wat hij waarneemt, zijn pen blijft even scherp. ‘De overtuiging die de schrijver inspireert, verheft zijn taal’, schrijft hij over de getuigenissen van de pilgrims, maar het geldt evenzeer voor hemzelf. Professor Brown, die vorig jaar een Amerikaanse uitgave van Tocquevilles brieven bezorgde, vermoedt dat de fysieke ruimte die Tocqueville om zich heen ervoer hem een gevoel van ‘innerlijke ruimte en vrijheid’ gaf. De lezer van Tocquevilles boek zal, ook al is hij wars van zo’n zweverige formulering, hetzelfde ervaren. Maar wat belangrijker is: hij voelt een soort heimwee naar de Nieuwe Wereld, in de tijd dat het nieuwe er nog niet af was.

China
De Nieuwe Wereld bevindt zich tegenwoordig niet meer in de Verenigde Staten, maar een stuk oostelijker. Het aanzien van de Verenigde Staten in de wereld is dalende, en wie als buitenstaander in het land verblijft, merkt dat het zelfvertrouwen van het Amerikaanse volk ook naar beneden is gegaan. Een meerderheid van het Amerikaanse volk gelooft bijvoorbeeld dat Amerika in de productie van goederen al lang door China is voorbijgestreefd. Dat is op geen stukken na het geval, maar gevoelens werken sterker op de moraal dan feiten. In zijn State of the Union zei president Obama dat de Verenigde Staten nog steeds het land zijn waar de rest van de wereld naar opkijkt, en dat de Amerikanen nog steeds met geen enkel ander land zouden willen ruilen. Achter dat ‘nog steeds’ schuilt de vraag: hoe lang nog?
Zoals blijkt uit zijn idee dat de democratie in Amerika ‘op een mooie dag’ wel moest ‘opwellen’, had Tocqueville een soort teleologische opvatting van de geschiedenis, met de standsgelijkheid (égalité des conditions) als eindpunt – een end of history in Fukuyama’s betekenis van het woord. Hij had heldere visioenen over hoe de Verenigde Staten hun grondgebied, macht en productiviteit nog zouden vergroten (helaas ten koste van de indianen; ook dat voorzag Tocqueville), maar aan de essentie van de Amerikaanse samenleving zou niks meer veranderen. Hoe spijtig is het te moeten constateren dat hij zich daarin heeft vergist.
Toen Tocqueville hier rondreisde, was het blazoen van de glorieuze, rigoureuze democratie nog onbesmet. De macht van de Amerikaanse president, het Congress en de Supreme Court waren geregeld in checks and balances. De rechten van het volk vastgelegd in de Bill of Rights, waarvan de inkt amper droog was. De democratie was levend. Als we Tocqueville mogen geloven, ervoer elke Amerikaanse burger dat elke dag in elke vezel van zijn lijf.
Wat wij inmiddels kennen als de geschiedenis van dit land had het nog als open toekomst vóór zich. Qua oppervlakte, bevolking en wereldmacht was het land een fractie van wat het nu is. Maar de toekomst en de groei van de Verenigde Staten werden door Tocqueville voorzien, en bieden geen verklaring voor de discrepanties tussen Amerika toen en nu, die heden zo opvallen.

Capitol Hill
De Amerikaanse democratie is qua vorm en wezen veranderd. Het Witte Huis heeft geleidelijk veel meer macht naar zich toe getrokken ten opzichte van de departementen, terwijl het parlement op Capitol Hill een bureaucratie op zich is geworden. De regels voor het financieren van politieke campagnes zijn recentelijk versoepeld, waardoor ook buitenlandse bedrijven grote sommen geld kunnen investeren in kandidaten voor het openbaar bestuur. De invoering van het referendum en het volksinitiatief in de meeste staten heeft de representatieve democratie die Tocqueville onderzocht eveneens veranderd. Ja, zou Tocqueville zeggen, maar is het ideaal van vrijheid door gelijkheid ondanks deze ingrijpende veranderingen in de Amerikaanse democratie naderbij gekomen?
Te vrezen valt dat juist daar de grootste discrepantie zit. Hijzelf constateerde al – enigszins in tegenspraak met zijn bewering dat het Amerikaanse volk niet filosofisch was – dat ‘de Amerikanen het egoïsme als het ware hebben omgezet in een sociale en filosofische theorie’ (alsof hij Ayn Rand en haar ethics of egoïsm al uit de nevelen der toekomst zag opdoemen). Het grootste gevaar zit in de oude tegenstelling tussen have’s and have not’s. Niet de tirannie van de meerderheid, niet de obscure invloed van het grootkapitaal op de verkiezingen en zelfs niet de dubieuze resultaten van Amerika’s pogingen om democratie desnoods per bommenwerper te exporteren vormen de grootste bedreiging voor de Amerikaanse democratie, maar het simpele verschil tussen arm en rijk. Het gaat tot een botsing komen tussen degenen voor wie de economische crisis een ramp is geweest in de zin dat ze hun baan, hun huis, hun toekomst hebben verloren, en degenen die op de golfbaan of bij een goed glas wijn filosoferen over de diepere betekenis van die crisis, over de spiegel die die ons heeft voorgehouden, et cetera, zonder dat zij ook maar de minste schade hebben opgelopen. Beide Amerika’s (het was nota bene bank-opperhoofd Alan Greenspan die onlangs waarschuwde dat de ‘fundamentele tweedeling’ van de Amerikaanse samenleving een feit was) zijn bezig definitief van elkaar te vervreemden. The American Dream bestond eruit dat die fundamentele tweedeling overwonnen kon worden door elk individu dat de sprong durfde te maken. Het was een droom van sociale mobiliteit. Die mobiliteit, zo tonen de statistieken en zo tonen de straten van Amerika, is niet meer.