Home Twintig beste ideeën Banaliteit van het kwaad
Het kwaad Twintig beste ideeën

Banaliteit van het kwaad

Door Sebastien Valkenberg op 10 juli 2012

Banaliteit van het kwaad
07-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Banaliteit van het kwaad

Hannah Arendt (1906-1975)
Veel kwaad is nauwelijks te herleiden tot dieperliggende drijfveren, zoals haat.

Wat is het?
Voor het kwaad zijn geen dieperliggende drijfveren als haat nodig. Gedachteloosheid volstaat.

Wat doet het?
Een correctie op de traditionele visie op het kwaad. Ook handelen op bevel is geen excuus.

In hoeverre kunnen we ons zelf vrijpleiten van wangedrag door erop te wijzen dat er geen kwade bedoelingen achter schuil gaan? Met haar notie van de banaliteit van het kwaad plaatst Hannah Arendt kanttekeningen bij deze gedachtegang. Als iets met opzet gebeurt, vinden we dat erger dan wanneer duidelijk motieven ontbreken. In de rechtspraak bestaat hier zelfs een speciale categorie voor: met voorbedachten rade – maar is kwaadaardigheid inderdaad de ultieme bron van het kwaad?

Haar filosofie
Tot Arendt was de opvatting dat het grootste kwaad ‘radicaal’ zou zijn. Radicaal is afgeleid van het Latijnse ‘radix’ en dit betekent ‘wortel’. De praktijk laat anders zien, aldus Arendt. Veel kwaad is nauwelijks te herleiden tot dieperliggende drijfveren, zoals haat. Vraag mensen naar hun motieven en ze blijven het antwoord veelal schuldig. Het kwaad blijft dikwijls aan de oppervlakte en dit gebrek aan diepgang noemde Arendt banaal.

Historische achtergrond
Arendt muntte de term om te verklaren hoe Auschwitz mogelijk was geweest. In 1961 deed ze verslag van het proces tegen Adolf Eichmann, de architect van de Holocaust. De grote schok was dat in het beklaagdenbankje geen incarnatie van de duivel met een diepgewortelde jodenhaat zat, maar een kleurloze kantoorklerk die volgens eigen zeggen gewoon zijn werk deed. Een storm van kritiek stak op toen Arendts analyse verscheen: door haar woordgebruik zou ze de gruwelijkheid van de jodenvernietiging relativeren.

Het probleem
De traditionele opvatting is niet in staat om alle facetten van het kwaad te doorgronden. Met een brute roofoverval kan ze prima uit de voeten, maar wat als zulke boze opzet grotendeels afwezig is? Een hedendaags voorbeeld is zinloos geweld. Steevast ontbreekt het de daders aan een duidelijk motief. Zo gaat het hen nooit om de portemonnee van het slachtoffer, maar hooguit om iets wat hij zei of de manier waarop hij keek. Zijn pech was dat hij op de verkeerde plaats op het verkeerde moment was. Iemand anders had net zo goed de klos kunnen zijn.

De oplossing
Booswichten hoeven niet per se te worden gedreven door boosaardigheid. Dat bedoelde Arendt met de banaliteit van het kwaad – en dus níet dat het wel meeviel met de omvang van het kwaad. De afwezigheid van een slechte bedoelingen geldt niet zonder meer als een verzachtend omstandigheid. Deze gedachteloosheid, zoals Arendt het noemt, is iemand wel degelijk aan te rekenen. Zinloos geweld is met andere woorden even laakbaar als ‘zinvol’ geweld.