Gelukkige minuten


klik om een oordeel te geven!
Het nieuwe jaar is nog maar net begonnen, en nu heb ik al weer een prachtig boek in handen: Alle gedichten van Jorge Luis Borges, een titel die hoge ogen gooide op de eindejaarslijstjes van literatuurcritici. Poëzie vertalen is een lastige, dubbelzinnige taak, het lijkt wel wat op een bed verschonen terwijl er iemand in ligt, en dat kun je zoals bekend het best met zijn tweeën doen. Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer hebben daarom de handen andermaal ineengeslagen; met het resultaat hebben ze de Nederlandse lezer zeer aan zich verplicht. 
 
De Argentijn Borges (1899-1986) is in Nederland al decennia een beroemdheid, maar toch vooral als schrijver van korte verhalen en essays. In de laatste dertig jaar van zijn leven ging hij steeds meer poëzie schrijven, ook al omdat hij blind werd en tijdens het werk op zijn geheugen moest terugvallen. Hij schijnt zichzelf altijd in de eerste plaats als dichter beschouwd te hebben. Voor een dichter is hij bespiegelend ingesteld, hij is eerder iemand die redeneert dan associeert. En omdat hij buitengewoon erudiet en scherpzinnig was, valt er voor filosofisch ingestelde lezers veel in zijn gedichten te vinden. 
 
In zijn voorwoord bij de bundel Het cijfer schrijft Borges: ‘Mijn lot is de zogenaamde intellectuele poëzie. Dat klinkt bijna als een oxymoron: het intellect (wakker zijn) denkt door middel van abstracties, de poëzie (dromen) door middel van beelden, mythen of verhalen. In de intellectuele poëzie moeten die twee processen op aangename wijze worden verweven.’
 
Poëzie is geen filosofie. Te veel transparantie remt het scheppend onbewuste. Het duistere, het magische, moet ook een kans krijgen. Borges beseft dat. Wanneer hij een gedicht schrijft, weet hij niet precies wat hij doet - en dat wil hij graag zo houden. In het voorwoord bij De diepe roos schrijft hij: ‘Ik wil niet dat mijn meningen, die ongetwijfeld onbeduidend zijn, het [ontstaansproces] vervormen.’  
 
In de klassieke opvatting is het gedicht een intellectuele onderneming, in de romantische opvatting wordt het vers door het onderbewuste gedicteerd. Hoewel Borges zegt naar een middenweg te streven, komt hij op mij toch over als een zeer verstandelijk dichter – en ik voeg eraan toe dat dat me niet stoort. 
 
Het onderstaande gedicht wordt vaak geciteerd. Ik doe dat ook, omdat het een van Borges’ mooiste is. Ik heb het idee dat Borges in dit gedicht van de eerste tot de laatste regel exact weet waar hij mee bezig is: hij is bezig een gedachte uit te drukken. 
 
WROEGING
 
Ik heb de grootste van de zonden die er zijn
bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen
de gletsjers van het vergeten mij het ravijn
in sleuren, wissen, zonder mededogen.
Mijn ouders maakten mij voor het geduchte
maar wonderschone spel van het bestaan,
voor de aarde, het water, voor het vuur, de lucht.
Ik stelde hen teleur. Ik voldeed niet aan
hun jonge wil. Ik heb alleen geleefd
voor koppige symmetrieën van de kunst
die onbeduidendheden samenweeft.
Zij gaven me de moed. Ik heb die gunst
versmaad. Dit achtervolgt mij nog het meest:
ik ben een ongelukkig mens geweest.
 
De gedachte dat kunst het niet haalt bij het echte leven, tref je vaker bij kunstenaars aan; zoals het intellectualistische modernisme graag de waarde van de intuïtie benadrukt. Alle intellectuelen zijn dol op paradoxen. 
 
Jorge Luis Borges, Alle gedichten. Vertaald uit het Spaans door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Tweetalige, gebonden uitgave. Bezige Bij. 1248 blz., euro 59,90
 

Reacties