Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
15-06-2018

Waanzin: te gek voor woorden

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Laurens de Vos

Wat is een waanzinnige? Een brabbelaar of een visionair? Volgens theaterwetenschapper Laurens de Vos confronteert de gek ons met de grenzen van ons talige denken en weten. Bestaat er een waarheid buiten onze symbolische orde?

‘Mad call I it. For, to define true madness, What is’t but to be nothing else but mad?’ (II, 2, 94-5) Met deze woorden ‘verklaart’ Polonius Hamlets waanzin aan de koning en koningin. Want wat is waanzin anders dan… waanzin? Een cirkelredenering om u tegen te zeggen. Maar betekent dit dat we Polonius verstandelijke beperkingen moeten toeschrijven, of kunnen we hem die stunteligheid moeilijk kwalijk nemen? Minder fictionele denkers lijken het er niet veel beter vanaf te brengen. Voor de 18de eeuwse Schotse arts William Buchan moesten we niet al te moeilijk gaan doen over een ‘definitie van een ziekte die iedereen kent’ en rond diezelfde periode graven de Franse denkers Diderot en d’Alembert zich in hun Encyclopédie vast in een gelijkaardige cirkelredenering als in Hamlet. Wie met waanzin geslagen is, wordt er omschreven als iemand die ‘met overtuiging afwijkt van de rede’. Maar waaruit bestaat dan de rede? En hoe overtuigend mag de afwijking zijn om niet buiten de rede te vallen?
 
Waanzin blijkt zich niet te willen laten vatten, biedt weerstand tegen elke poging tot interpretatie of betekenistoekenning, als een pijl die naar zichzelf terugwijst. De term lijkt de onmogelijkheid van haar eigen definitie reeds in te sluiten; via het woord en taal – het instrument bij uitstek om zin te geven – proberen we net tot datgene te komen dat buiten het zinnige ligt. De zin moet haar eigen exces vormgeven; dat is de kwadratuur van de cirkel. Die letterlijke onvoorstelbaarheid en onvatbaarheid blijkt ook uit de overdrachtelijke betekenis van het woord; we zeggen dat iets pure waanzin is als het ons petje te boven gaat. Als het licht zich met een waanzinnige snelheid verplaatst, betekent dit dat we er ons geen voorstelling van kunnen maken. Het wordt dan gebruikt in de betekenis van hallucinant, wat op zich ook weer ontleend is aan het domein van de waanzin.
 
Waanzin wordt zo een soort betekenaar die naar de grondeloosheid van de betekenaar als zodanig verwijst. Of anders gezegd, hij verwijst niet alleen naar wat buiten het domein van het talige ligt, meteen functioneert hij tevens als de sluitsteen die het buitentalige maskeert. In die zin zouden we waanzin kunnen opvatten als wat Lacan een meesterbetekenaar noemt, de S1, of wat bij Freud de grensvoorstelling of het primair symptoom heet. Als we Lacan volgen in zijn these dat het subject een talige entiteit is, dan zijn we gebonden aan de wetten van de symbolische orde en de taal. De mens is getekend door een fundamenteel tekort en zijn verlangen is gegrond in het zogenaamde objet a, datgene wat in het symboliseringsproces onherroepelijk verloren is gegaan. Zodoende blijven we de blik gericht houden op dat jenseits, een volkomenheid van zijn waarvan we al altijd afgesneden waren en die we dus nooit werkelijk gekend hebben. Het is de paradijselijke tuin van Eden die ons na de uitdrijving volgens vele godsdiensten wacht in het hiernamaals. Maar het is ook de plaats waar het tekort van ons weten opgeheven wordt, en waar de ultieme waarheid zich dus openbaart. In dat licht is het maar een klein opstapje om aan diegene die zich ogenschijnlijk buiten de perimeter van de talige orde bevindt, de waanzinnige, de Waarheid toe te schrijven. De gek als visionair is een figuur die niet weg te branden is uit de cultuurgeschiedenis. Hij wijst ons op het tekort en de beperkingen waaraan wij als talige wezens onderhevig zijn en op de grenzen van ons denken en weten. Tezelfdertijd echter confronteert hij ons met de onmogelijkheid toegang te krijgen tot het weten buiten de symbolische orde. Zijn discours is immers waanzinnig, het sluit ons letterlijk uit.
 
Met Lacan kunnen we stellen dat de waanzinnige de positie van de meesterbetekenaar (S1) inneemt. Waar ons talig netwerk bestaat uit een voortdurend doorverwijzen van betekenaar naar betekenaar, een weefsel dat Lacan S2 noemt, daar lijkt waanzin die dynamiek even een halt toe te roepen, als de meesterbetekenaar die pretendeert het weten in pacht te hebben. Al mogen we niet uit het oog verliezen dat ook de meesterbetekenaar eerst en vooral precies dat is: een betekenaar, en dus bovenal de illusie van een tekortloos leven in stand houdt.
 
Keren we nu terug naar Hamlet. Net in en door zijn klunzige formulering maakt Polonius er ons op attent dat elke begripsomschrijving van waanzin altijd naar zichzelf terugkeert. En is dat niet precies wat hier ook op grotere schaal aan de orde is? Met Hamlet heeft Shakespeare een stuk geschreven dat terugkeert naar zichzelf, als het ware binnenstebuiten gekeerd wordt. De prins ziet van bij het begin letterlijk spoken, en een groot deel van wat volgt is erop gericht de mogelijkheid van zijn eigen waanzin buitenspel te zetten. Uiteindelijk zal het “The Murder of Gonzago” zijn, oftewel het stuk in het stuk, dat de waarheid aan het licht zal brengen. Waar Hamlet vastliep op de onmogelijkheid om over zijn eigen mentale gezondheid zekerheid te verwerven, zal het de fictie van het theater zijn die hem die zal bezorgen (“The play’s the thing / Wherein I’ll catch the conscience of the King” II.2.581-2).
 
We zien hier een interessante parallel opduiken tussen theater en waanzin: beide worden verondersteld toegang te verschaffen tot de waarheid. De analogie tussen de waanzinnige en de acteur wordt in twee richtingen gemaakt, en wel sinds mensenheugenis. Behorend tot een rariteitenkabinet wordt de gek theatraal tentoongesteld, ter lering maar ook vermaak van eenieder die de inrichting kwam bezoeken. Eind zestiende eeuw beschrijft Tomasso Garzoni een taxonomie van de waanzin die hij de smeuïge titel Il Theatro de’ varii e diversi cervelli mondani meegeeft. Daarin rekent hij weliswaar af met de letterlijk eeuwenoude indeling van Galenus (2de E) die op de humeuren of lichaamssappen (gele gal, zwarte gal, bloed en slijm) gebaseerd was, zijn nieuwe typologie waarin dertig gedaanten van de waanzin de revue passeren was al evenzeer vooral een product van de verbeelding. Een ander berucht voorbeeld van de theatralisering van de waanzin vinden we bij de 19de eeuwse dokter Charcot, die zich in het Salpêtrière in Parijs bekwaamde in de fenomenologie van de hysterie, en zijn patiënten in een theatrale opstelling liet optreden voor een auditorium van collega’s, studenten en andere geïnteresseerden.
 
Maar ook omgekeerd wordt de acteur niet zelden geïdentificeerd met de gek. Plato had al geen goed oog in al dat theater – het zou zomaar eens kunnen dat niet alleen de acteur maar ook het publiek zich gaat vereenzelvigen met zo’n protagonist die er meestal niet bepaald een ethische levensstandaard op nahoudt. De Griekse filosoof was bijzonder beducht voor copycat-gedrag dat zich vanaf de scène in de harten en geesten van de toeschouwers zou nestelen. In diezelfde lijn moeten we een uitspraak van de 18de eeuwse Franse denker Jean-Jacques Rousseau situeren. In een brief aan de reeds genoemde d’Alembert toont hij zich bevreesd over de mogelijke gevolgen van het toneelspelen: “Wat is het talent van de acteur? De kunst van het doen alsof, zich voordoen als iemand die hij in werkelijkheid niet is, iets zeggen terwijl hij iets anders denkt op een manier die volstrekt geloofwaardig lijkt waardoor hij uiteindelijk zijn ware zelf vergeet en inruilt voor een fictief zelf.” Waar de acteur in eerste instantie nog doet alsof, loert het gevaar om de hoek dat zijn ‘authentieke’ zelf gaandeweg zoekraakt en de rollen het van hem gaan overnemen. En daarmee lijkt op dat moment ook de waanzin ingetreden. Theater en waanzin delen dus niet alleen de belofte aan Waarheid, zij ‘spelen’ beide met rollen en metamorfose. Waanzin neemt de overhand als de afstand tussen acteur en personage ophoudt te bestaan. En laat nu net Hamlet, de jongeman die niet speelt dat hij gek is, maar wel heel zelfbewust zijn eigen waanzin inzet in de plot die hij uittekent, zich op die grens bevinden.

Laurens de Vos is universitair docent aan de UvA en auteur van Shakespeare. Auteur voor alle seizoenen (Lannoo, 2016). Vanaf september coördineert hij het interdisciplinaire vak ‘De veelstemmigheid van waanzin’ aan de Universiteit van Amsterdam. Daarin nemen acht experts de veelstemmigheid van waanzin onder de loep. In samenwerking met de Universiteit van Amsterdam bieden wij u een combinatiedeal aan: voor € 335,- krijgt u toegang tot alle acht lezingen én volledige toegang tot het Waanzin Festival. Reserveren kan via datanose.nl/#enrolnr(filosofie). Wees er snel bij, want er zijn slechts 15 plekken beschikbaar.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.