Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 1/2016

Seneca: Zelfdoding biedt een weg naar de vrijheid

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Marco Kamphuis
schrijver

In de Oudheid gold zelfdoding over het algemeen als acceptabel, schrijft Anton van Hooff in Sterven in stijl.

Als je de gemiddelde Griek in de Oudheid had gevraagd hoe hij zich de dood voorstelde, had hij dan werkelijk geantwoord dat de veerman Charon hem zou overzetten naar de Hades, waar hij eindelijk met eigen ogen het eeuwige gestuntel van Sisyphos met zijn rotsblok kon zien? Sterven in stijl van historicus Anton van Hooff schetst de omgang met de dood in de klassieke Oudheid. De vroegste ons bekende Griekse voorstelling van een hiernamaals is de onderwereld zoals door Homeros beschreven: het rijk van god Hades en zijn vrouw Persephonè, waar de overledenen als schimmen voortleven, drinkend uit de Lethe om hun aardse leven te vergeten. Een vrolijk oord is het niet, geen zonnestraal dringt er binnen, maar onverdraaglijk kun je het toch ook niet noemen; gelatenheid lijkt er de boventoon te voeren. Geen mens die in de onderwereld is afgedaald keert ervan terug, maar er zijn natuurlijk uitzonderingen op de regel, zoals Odysseus, Herakles en Orpheus, die zijn geliefde Euridikè mee naar boven had gekregen als hij tenminste zijn vertrouwen in de goede afloop had bewaard. Maar geloofden de Grieken nu echt in deze onderwereld, of was het meer een symbolische voorstelling van de dood?

In de tweede eeuw na Christus verscheen Artemidoros’ Droomduidingen, waarin hij honderden dromen uitlegt. Uit het feit dat Artemidoros’ tijdgenoten over Hades, Persephonè en de driekoppige waakhond Kerberos droomden, mag je volgens Van Hooff afleiden dat de oude goden zelfs in de tweede eeuw nog ‘springlevend’ waren. Later werd de Hades meer figuurlijk opgevat. 

Tombe
In de aanvankelijk neutrale onderwereld begonnen zich gaandeweg afdelingen voor helden en zondaars af te tekenen: het rijk van Dis (Hades) in Vergilius’ Aeneïs, de Romeinse tegenhanger van Homeros’ Odyssee, bevat al de voorafschaduwing van het paradijs, de hel en het vagevuur die Dante eeuwen later in zijn Divina commedia zou beschrijven. 

Sterven in stijl behandelt niet alleen de ontwikkeling van ideeën over de dood, maar bevat ook concrete informatie over uitvaartrituelen. Bij de Grieken was crematie gangbaar; de resterende botresten werden in een urn gedaan, waaromheen een tombe werd opgericht. Bij de Romeinen kwamen zowel begrafenissen als crematies voor. Inscripties op grafstenen bij Grieken en Romeinen getuigen van hun grote zorg om de postume reputatie. De grafschriften meten de kwaliteiten van de overledenen breed uit; de term incomparabilis (onvergelijkelijk) is daarbij net zo’n gemeenplaats als ‘zorgzaam’ in onze overlijdensadvertenties, schrijft Van Hooff. Net als in onze tijd was het rouwbeklag intenser in het geval van een jonge overledene, zoals in de epitaaf: ‘Edel was Polyidos, Echekratides’ geliefde zoon. Hij verduisterde het huis, want hij stierf voor zijn tijd.’ Verhoudingsgewijs veel inscripties en grafbeelden hebben betrekking op zo’n mors immatura of praematura (onrijpe dood). Van de lijkjes van zuigelingen ontdeed men zich echter zonder omhaal. Het vooroordeel dat men in de Oudheid een gestorven zoon meer betreurde dan een dochter wordt door bestudering van grafschriften niet bevestigd. 

Zielsverhuizing
Doden konden dus voortleven dankzij hun goede naam, maar door de eeuwen heen groeide ook het geloof in zielsverhuizing en wederopstanding. Dat de Romeinen vanaf de tweede eeuw na Christus steeds vaker gingen begraven in plaats van cremeren zou daar een uiting van kunnen zijn. In grafschriften wordt het hoopvolle onderscheid gemaakt tussen een vergankelijk lichaam en een onsterfelijke ziel – een dualisme dat met Pythagoras en Plato was begonnen en een van de uitgangspunten van het jonge christendom werd. Als je aanneemt dat de dood een eeuwige ziel uit een stoffelijk omhulsel bevrijdt, brengt dat de vraag met zich mee waarom je die verlossing niet eigenhandig zou bespoedigen – en daarmee ontstaat er een maatschappelijke noodzaak zelfdoding tot taboe te maken. In de Oudheid gold de mors voluntaria in het algemeen als acceptabel, hoewel sommige filosofen zelfdoding om uiteenlopende reden afwezen (mensen zijn het bezit van de goden, redeneerde Plato, en daaruit mag je niet weglopen, net zomin als een slaaf mag weglopen van zijn meester.) De tendens van afkeuring werd steeds sterker, om na vier eeuwen christendom te resulteren in een onverholen verbod in Augustinus’ Staat Gods.

De beweegredenen voor zelfdoding waren in de Oudheid deels dezelfde als nu, met dit grote verschil dat in veertig procent van de overgeleverde – want destijds geregistreerde – gevallen schaamte het motief vormde. Dat kon bijvoorbeeld gaan om geldschulden of militair falen. In de Oudheid draaide nu eenmaal alles om reputatie. Het bijpassende middel was het steekwapen, het gold met name als mannelijk wanneer men zich in zijn zwaard wierp. Verhanging werd als inferieur beschouwd.

De filosofische school van de Stoa stond voor dat men leven en dood onaangedaan over zich heen liet komen en daarom in principe niet zelf een einde aan zijn leven maakte – toch was het juist de beroemde stoïcijn Seneca die schreef dat zelfdoding in alle gevallen een weg naar de vrijheid biedt. Volgelingen van Epikouros (‘als wij zijn, is de dood niet, en als de dood is, zijn wij niet meer’) achtten zich aan god noch lot gebonden en aarzelden niet uit het leven te stappen als de kwaliteit ervan verloren was gegaan. Van Hooffs sympathie lijkt bij die nuchtere benadering (niet het vermeende hedonisme) van het epicurisme te liggen, en zijn verhelderende, meeslepende boek mondt uit in een oproep om de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding op te heffen. Ondertussen heeft hij ons een spiegel voorgehouden: de heel uiteenlopende manieren, elk met hun eigen paradoxen, waarop de antieke mensen de dood tegemoet traden, verschillen niet wezenlijk van die van de moderne mens. Om Ovidius’ Metamorphosen te citeren: ‘Alles verandert, niets vergaat.’

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.