Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 12/2014

De verbeelding van het denken

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Connie Palmen

Volgens schrijver en filosoof Connie Palmen hebben filosofen de verbeelding nodig om het wezen van de werkelijkheid bloot te leggen. Een voorpublicatie uit De verbeelding van het denken.

Beelden zijn sterk. Neem die grot van Plato. Zelfs mensen die nooit een letter van hem lazen, kennen de allegorie van de grot, het beeld waarmee Plato duidelijk wil maken dat de werkelijkheid zoals wij die zien niet de echte is. De populariteit van deze claustrofobische uitbeelding van ons onvermogen maakt ook duidelijk dat de denkers de verbeelding te allen tijde nodig hadden om de werkelijkheid van haar vanzelfsprekendheid te ontdoen en iets van haar wezen bloot te leggen.

De verbeelding, de fictie, is niet tegengesteld aan de werkelijkheid. Ze is een instrument om tot de werkelijkheid door te dringen, en ze is er tegelijkertijd onderdeel van.

Tot aan het eind van de negentiende eeuw kon je de filosofie grofweg verdelen in de twee antagonistische houdingen die ze ten aanzien van de werkelijkheid kon innemen: die van realist en die van idealist. Voor de realist is de werkelijkheid iets buiten hemzelf, een waarin je nat wordt als het regent; voor de idealist is de werkelijkheid iets binnen in hem, iets in zijn hoofd, een waarin je pas nat bent als je nattigheid voelt. 

En de schuld ligt natuurlijk bij God. Totdat realisten en idealisten hun pogingen staakten om het bestaan van God te bewijzen, stonden ze als tegenstrevers tegenover elkaar en konden ze elkander niet bereiken.

Het is Friedrich Nietzsche die in de laatste decennia van de negentiende eeuw de waarheid uit de almachtige handen van God rukt en haar aan de mensen geeft, of beter gezegd aan dat wat mensen al te menselijk maakt: de taal. In zijn visie is de waarheid een verzameling afgesleten metaforen en antropomorfismen die door langdurig gebruik een canonieke en bindende status heeft verworven, illusies waarvan men vergeet dat ze ooit door mensen zijn bedacht om het leven beter te kunnen verdragen. Wanneer het absolutisme van God of de Ene Waarheid uit het hart van het denken is weggehaald, wordt de filosofie er een van het tussending, van het medium, van de taal, van de verbeelding, van de macht of de onmacht van verhalen.

Friedrich Nietzsche
 

Gebroken hart
Niet de werkelijkheid, maar hoe wij ons dankzij en met de taal tot de werkelijkheid verhouden is in de twintigste en eenentwintigste eeuw het voornaamste onderzoeksgebied van de wijsbegeerte geworden. De moderne filosoof zoekt het antwoord op de vraag naar het wezen van het bestaan niet langer in het goddelijke en absolute, in iets buiten ons, maar in de taal, in het menselijke maakwerk, in iets van ons. Wat ooit eeuwig en onbetwijfelbaar was, is onder de invloed komen te staan van de waarschijnlijkheid, de gelijktijdigheid, van de kans, het toeval en de paradox. Over leugen en waarheid wordt voor het eerst nagedacht zonder moreel oordeel. Het doen alsof, het gemaakte en onechte, de verbeelding, de taal als scheppende en verwoestende macht – kortom, de fictie – heeft zijn intrede gedaan in de wetenschap en in de filosofie. Zelfs de fysica, het trotse bolwerk van de bewijsbare waarheden, verlaat vanaf het begin van haar geschiedenis de vertrouwde wereld van de zintuigen, om via de verbeelding werkelijkheden te bewijzen die we niet kunnen waarnemen. Net als de filosoof zoekt de natuurkundige voortdurend naar nieuwe beelden en begrippen om de waarheid van de werkelijkheid te benaderen.

Het menselijke bestaan is een weefsel van werkelijkheid en verbeelding. Dat we een hart hebben is een feit; dat we over het hart praten en schrijven alsof de liefde er zetelt, is verbeelding en onderdeel van een invloedrijk domein van verhalen. Als je van iemand weet dat hij een lekkende hartklep heeft, weet je nog niets. Als je van hem weet dat een vrouw zijn hart heeft gebroken, weet je opeens veel meer en heb je een persoon voor ogen.

De verbeelding is het scheppende vermogen om zin te geven aan een betekenisloos universum, om een onvoorspelbare werkelijkheid van toeval, chaos en willekeur te ordenen, losstaande feiten met elkaar te verbinden en onder te brengen in een vorm en structuur. Fictie komt niet in de natuur voor, is per definitie artificieel. Het is menselijk maakwerk en het dient een doel in de werkelijkheid. Soms is dat doel niet meer dan een hopeloze poging betekenis te geven aan de dood, hem als een onwillig personage een biografie binnen te loodsen en persoonlijk te maken.

In tegenstelling tot het leven in de pure natuur is een mensenleven poëticaal, een door verhalen en verbeelding bewerkt bestaan. Een madelief kan onmogelijk doen alsof ze een eikenboom is. Ze is puur en echt, en kan niet anders. Dat is de fataliteit, de onvrijheid, en de onschuld van de natuur. Omdat de madelief volledig is onderworpen aan fysische wetten en ze er niet voor kan kiezen te veranderen, of zich op z’n minst eens een keer als een boom voor te doen, kent ze het goede en het kwade niet. Aan de mogelijkheid het goede te doen ligt de verbeelding en het kunnen doen alsof ten grondslag. Het vermogen ons voor te stellen wat iemand meemaakt die lijdt, is de basis van de ethiek. Om aan de universele wet van de moraal te kunnen voldoen – wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet – moeten we een beroep doen op onze verbeeldingskracht. Wat daarbij helpt is weten in welk verhaal iemand anders rondloopt.

Verder lezen?



Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.