Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
30-06-2014

Confucius - De Gesprekken

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Kristofer Schipper

‘Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die meer om deugd gaf dan om vrouwelijk schoon.’ De Gesprekken geeft een inleiding op de filosofie van Confucius.

ix: 1. De Meester sprak zelden over voordeel; vaker over het levenslot, en nog vaker over medemenselijkheid.
 
Ieder mens heeft zijn of haar eigen leven te leiden. Waarom discussiëren over wie er op materieel gebied beter aan toe is? Medemenselijkheid is een kwestie van ethiek. Het is in strijd met dit principe om je af te vragen wat voor voordeel medemenselijk zijn je zou kunnen opleveren.
Veel andere vertalingen zien hier een opsomming en menen dat het gaat om drie dingen, ‘voordeel, lot en medemenselijkheid’, waarover de Meester zelden zou hebben gesproken. Deze interpretatie lijkt niet juist. Confucius sprak inderdaad zelden op een positieve manier over ‘voordeel’ (li), aangezien hij dat onethisch en vulgair vond (zie bijvoorbeeld iv: 12).
Medemenselijkheid was daarentegen een van de belangrijkste onderdelen van zijn filosofie. Het is dus onlogisch dat hij daar ‘zelden’ over gesproken zou hebben.
Ook de syntaxis van de zin maakt het weinig aannemelijk dat het hier om een opsomming van drie dingen gaat die op één lijn gesteld worden. Wanneer er in De gesprekken sprake is van een opsomming, wordt over het algemeen simpelweg een aantal zelfstandige naamwoorden zonder verbindingswoord achter elkaar gezet (zie bijvoorbeeld vii: 21). Hier vinden we echter tweemaal een lidwoord (yu), dat niet alleen ‘en’ betekent, maar dat ook, met betrekking tot wat voorafgaat, een vergelijkende trap kan aanduiden (een van de grondbetekenissen van yu is ‘optillen’).
Er is ook geprobeerd om deze uitspraak te amenderen. Zo zou het karakter voor ‘zelden’ (han) een fout zijn voor een gelijkluidend karakter dat ‘dikwijls’ betekent. Maar ook dat is moeilijk vol te houden. Onze vertaling hier lijkt de enig mogelijke.
 
ix: 2. Een man uit de gemeenschap van Daxiang zei: ‘Groot is Confucius! Hij is erg geleerd, maar hij is nergens echt beroemd om.’
Toen dit de Meester ter ore kwam, zei hij tot zijn meest nabije leerlingen: ‘Wat zal ik oppakken? Wagenrennen? Boogschieten? Ik denk dat ik maar ga wagenrennen.’

 
De ‘gemeenschap’ (dang) is een soort buurtschap, georganiseerd rond het plaatselijke altaar van de Aarde (she). Een dergelijke gemeenschap was georganiseerd volgens de principes van gelijkheid van alle leden en wederzijdse bijstand. In de moderne tijd heeft dang de betekenis van ‘politieke partij’ gekregen.
De mensen uit de dorpsgemeenschap verwachtten natuurlijk dat een beroemdheid zoals Confucius een uitblinker zou zijn in een sport of in vechtkunst, en hadden geen idee van zijn ethische filosofie.
Confucius maakt er, in plaats van verontwaardigd te zijn, een grapje over.
 
ix: 3. De Meester zei: ‘Een kap van linnen: dat is wat het ritueel voorschrijft. Maar nu gebruikt men zwarte zijde omdat het goedkoper is. Ik sluit me aan bij wat iedereen doet.
Het ritueel schrijft ook voor dat men onder aan de trap van het altaar een buiging moet maken, terwijl men dat nu pas doet nadat men het altaar bestegen heeft. Dat is aanmatigend.
Hoewel ik me hierbij onderscheid van de massa, ga ik toch door met onder aan de trap een buiging te maken.’

 
Of de kap nu van linnen of van zijde is, is een zuivere formaliteit. Bij het bestijgen van het altaar gaat het om iets anders: vrome eerbied, van binnenuit.
 
ix: 4. De Meester vermeed de vier volgende dingen volkomen: wantrouwen, zelfverzekerdheid, halsstarrigheid en egoïsme.
 
Vertrouwen in het goede in de mensen, maar toch op je hoede blijven. Je aanpassen aan de omstandigheden, of die nu gunstig zijn of niet. Niet alleen aan jezelf denken, maar anderen voor laten gaan (rang).
 
ix: 5. Toen de Meester in Kuang in gevaar verkeerde, zei hij: ‘Koning Wen is al lang gestorven, maar is zijn cultuur niet hier, bij ons, bewaard gebleven? Als de Hemel deze cultuur teniet had willen doen, dan hadden wij, latere stervelingen, nooit deze cultuur bezeten. En als de Hemel deze cultuur van ons nu nog niet teniet wil doen, wat heb ik dan te vrezen van deze lieden van Kuang?’
 
Deze episode in het leven van de Meester speelt zich af in een grensplaats tussen de twee staten Wey en Chen. Daar wordt hij voor iemand anders aangezien, en wel voor een gevaarlijke bandiet, genaamd Yang Huo. De krijgers van Kuang omsingelen Confucius en zijn leerlingen, en willen hen doden.
Confucius ziet zichzelf belast met de taak het ethos van de koningen van weleer te bewaren en over te dragen. Hij noemt hier speciaal koning Wen, de eerste vorst van de Zhou-dynastie, wiens autoriteit zich over het hele toenmalige China uitstrekte, en die dus gezien kan worden als degene die, dankzij het mandaat van de Hemel, het legitieme bestuur van de Zhou-dynastie had gesticht. Dit is wat Confucius hier ‘deze cultuur van ons’ (siwen) noemt, en wat sindsdien een geijkte uitdrukking is geworden voor de grote traditie van het confucianisme.
Het gevaarlijke incident loopt met een sisser af.
 

Verder lezen?



Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.