Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
FM nr. 4/2012

Een kleine geschiedenis van de ziel

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Ivo Slangen & Jeroen Hopster

Oudheid

Bezielde wereld

In de Oudheid behoren ziel en lichaam nog tot dezelfde wereld. Zoals de Griekse goden voortdurend afdalen van de Olympus en zich begeven onder stervelingen, zo is de wereld zelf doortrokken van psuchè, ademtocht (van psuchein: blazen). De psyche is geen mysterieuze kracht, maar de concrete energie die door de kanalen van het lichaam stuwt. Als de psyche verdwijnt, is het lichaam levenloos, maar niet per se dood, zoals tijdens een flauwte. In Homerus’ Ilias en Odyssee (achtste eeuw v.Chr.) beklagen de schimmen in de onderwereld zich over hun gebrek aan psyche; ze missen de kracht om te handelen.

Gaandeweg krijgt de psyche steeds meer een ‘goddelijke’ status, zoals we zien in de legende van Orpheus (zesde eeuw v.Chr.). Orpheus was een zanger die met zijn lier en stem iedereen in betovering bracht. Zijn muziek spreekt het hogere in de mens aan, iets wat hem verbindt met het goddelijke. De klanken symboliseren het ‘bezielde’: hoewel onstoffelijk, grijpen zij in op het lichaam en zetten het aan tot beweging. Zo kunnen we ook het verhaal van Orpheus’ geliefde Eurydice – gevangen in de onderwereld – interpreteren: Eurydice als de ziel die, door betoverende lyriek, bevrijd moet worden uit de onderwereld van het lichamelijke.

Dat idee zal Plato (424-348 v.Chr.) nog rigoureuzer uitwerken. In de Faidon, de beroemde dialoog over de dood van zijn leermeester, laat hij Socrates zeggen dat sterven geen straf is, maar een bevrijding: ‘Het lichaam is de kerker van de ziel’. De ziel is onsterfelijk en vormt de brug tussen het aardse leven en de eeuwige Ideeën, de bron van alle kennis. Zo vervangt Plato de sensuele lyriek die bij Orpheus de ziel moet verheffen door een activiteit van de geest.
 

Middeleeuwen
De eeuwige ziel

Dat de ziel onsterfelijk is staat buiten kijf in de Middeleeuwen. Wel ontstonden er vanaf de twaalfde eeuw verhitte debatten over de precieze aard van de ziel, gedomineerd door het herontdekte werk van Aristoteles (384-322 v.Chr.). In De Anima (Over de ziel) had de leerling van Plato commentaar geleverd op het idee van psyche als ademtocht. Leven planten en vissen soms niet? Aristoteles maakt onderscheid tussen verschillende soorten zielen: vegetatieve (planten), sensitieve (dieren) en intellectuele (mensen). Overkoepelend is het idee van de ziel als een soort organiserend principe dat ervoor zorgt dat een organisme groeit en naar iets streeft. Omdat de ziel zo nauw verbonden is met de werking van het lichaam, is Aristoteles niet altijd duidelijk over de onsterfelijkheid ervan. Toch heeft hij het ook over een hemels element dat in de mens verschijnt als pneuma, een fijnstoffelijke ‘geest’, zowel spiritueel als materieel.


De theoloog Thomas van Aquino (1225-1274), pauselijke hofdenker, voegt Aristoteles’ rangschikking naar de rooms-katholieke leer. Plantenzielen staan onderaan de ladder: los van materie bestaan zij niet. Bovenaan staan God en de engelen, zielen die bestaan zonder materie, als pure vormen. De mens is een tussenwezen: door God geschapen als planten en dieren, maar met een ziel die onsterfelijk is.

Maar als de mens geen lichaam heeft in het hiernamaals, kun je dan nog wel zeggen dat hij ‘zelf’ bestaat? Dat probleem had de islamitische filosoof Averroes (Ibn Rushd, 1126-1198) een eeuw eerder al besproken. Hoe kan er sprake zijn van individueel voortbestaan als de ziel geen lichaam meer heeft om zich te onderscheiden van anderen? Als de ziel volledig onstoffelijk is, moet hij volgens Averroes opgaan in één goddelijke eeuwige ziel. Die conclusie viel niet bij alle christelijke denkers in goede aarde, want als er geen persoonlijke onsterfelijkheid is, kan er ook geen sprake zijn van hemelse beloning en straf.
 

XVIIe en XVIIIe eeuw

Lichaam en ziel zijn gescheiden

Met de opkomst van anatomisch onderzoek in de zeventiende eeuw neemt het debat over de ziel een nieuwe wending. De Fransman René Descartes (1596-1650) houdt zich in Amsterdam intensief bezig met het snijden in lichamen en komt tot de conclusie dat de ziel nergens is te vinden. Toch bewijst Descartes het bestaan ervan met het beroemde twijfelexperiment; als we aan het bestaan van alles twijfelen, zelfs aan dat van ons eigen lichaam, is er in ieder geval nog altijd iets wat bestaat. Namelijk het twijfelen – of denken – zelf. Daarom cogito ergo sum (‘Ik denk dus ik ben’). Maar ook al heeft de ziel het lichaam niet nodig om te denken, Descartes kan niet ontkennen dat het lichaam het denken beïnvloedt en vice versa; er moet een plek zijn waar de twee op elkaar inwerken. 

Die plek is volgens Descartes de pijnappelklier. Hij had ook de hersenen onderzocht en daarbij ontdekt dat de pijnappelklier onder de ventrikels lag, onderling verbonden holtes waar zich hersenvocht bevindt. Descartes gelooft dat dit hersenvocht het zenuwstelsel controleert door middel van kleine, in trilling gebrachte deeltjes die zich in de zenuwbanen voortbewegen (‘esprits animaux’). Deze ‘geestachtige’ deeltjes kunnen zowel de passies van het lichaam als de actieve gedachten van de ziel overbrengen.

Descartes meende abusievelijk dat dieren geen pijnappelklier hebben en daarom zielloze machines zijn die geen pijn kunnen voelen. Volgens Julien Offray de Lamettrie (1709-1751) een bespottelijk idee: alsof dieren geen pijn, angst en plezier tonen. De Franse filosoof was het niet te doen om een dierenziel. Hij wilde juist de zielloosheid van de mens bewijzen. Als legerarts had hij tijdens een veldtocht koortsaanvallen met hallucinaties gehad. Als de effecten van het lichaam op de ziel zo sterk zijn, leek het Lamettrie onmogelijk dat er een onstoffelijke ziel bestaat die het lichaam controleert. In De mens een machine beargumenteert hij dat ook de mens niet meer dan een waarnemend en voelend lichaam is. Weliswaar ingewikkelder dan een dier, maar niet wezenlijk anders: ‘De ziel is een leeg woord’.
 

Eenentwintigste eeuw

Is rood een hersenactiviteit?

Vrijwel geen enkele filosoof onderschrijft nog de strikte scheiding tussen lichaam en geest van Descartes, laat staan dat de pijnappelklier een soort gids tussen beide zou zijn. Hedendaags neurologisch onderzoek toont ook onomstotelijk aan dat het brein – materie – de basis is van ervaring en bewustzijn. Daarmee is het probleem van die scheiding echter nog niet van de baan, maar hooguit verplaatst naar een ander niveau. Want nog steeds blijft de vraag hoe ervaringen en bewustzijn kunnen ‘ontstaan’ uit louter materie, uit hersenactiviteit. Ongetwijfeld is er hersenactiviteit als we de kleur rood waarnemen. Maar verklaart die ook de bewuste ervaring van rood? Of dat iemand graag rode kleding draagt?

Dergelijke vragen worden gesteld in Philosophy of mind, een moderne tak van de filosofie. De belangrijkste kwestie is die van het reductionisme: kunnen ervaringen, wensen, verlangens – kortom: alles waarvan we in het dagelijkse leven zouden zeggen dat die wezenlijk zijn voor onze identiteit – worden verklaard uit ‘anonieme’ hersenprocessen? Ja, zeggen neurologen als Victor Lamme en Dick Swaab. Niet voor niets luidt de titel van het veelverkochte boek van Swaab Wij zijn ons brein. Veel filosofen zijn echter sceptisch: alleen al de betekenis van een woord als ‘rood’ gaat onherroepelijk verloren als je het ‘vertaalt’ in neurologische processen.

De Australische filosoof Frank Jackson (1943) probeert dat aan te tonen met een gedachte-experiment. Mary weet alles over de eigenschappen van kleur, alsook de manier waarop het brein kleur verwerkt. Kortom, haar wetenschappelijke kennis over kleuren bevat geen enkele lacune. Maar het leven van Marie kent een eigenaardigheid: zij is opgegroeid met zwart-wit lenzen over haar ogen geplakt, waardoor zij zelf nog nooit kleuren heeft waargenomen. Op een dag doet zij de zwart-wit lenzen uit en aanschouwt kleur voor het eerst met eigen ogen. Leert deze ervaring Marie iets nieuws? Volgens Jackson is er weldegelijk iets nieuws: de bewuste ervaring van kleur. Daaruit volgt dat volledige kennis van het brein ontoereikend is voor volledig inzicht in de geest.

Volgens Daniel Dennett (1942) is het gedachte-experiment over Marie niet meer dan wat hij een ‘intuïtiepomp’ noemt: een verhaal dat ons tot een sterke intuïtie verleidt, maar de juistheid van die intuïtie niet bewijst. Marie leert helemaal niets nieuws over kleur wanneer zij haar lenzen uitdoet, stelt Dennett: als haar wetenschappelijke kennis over kleurenvisie inderdaad geen enkele lacune bevatte, dan had zij al lang geweten met welke ervaring het zien van kleur gepaard gaat.
Wilt u toegang tot alle artikelen van filosofie.nl? Word dan lid.