Home Julia Kristeva: ‘Leve het vrouwelijk genie’

Julia Kristeva: ‘Leve het vrouwelijk genie’

Door France Guwy op 13 december 2012

Julia Kristeva: ‘Leve het vrouwelijk genie’
Cover van 03-2002
03-2002 Filosofie magazine Lees het magazine
Julia Kristeva ziet deze eeuw als de eeuw van de vrouw. Haar vijftienhonderd pagina’s en drie delen bevattende studie over Hannah Arendt, Melanie Klein en – recent verschenen – Colette laat zien waarom. Vrouwelijke genieën overstijgen de tegenstelling tussen denken en voelen – en vinden harmonie. Maar maak van hun verdiensten géén bevrijdingsbeweging. Een appèl vanuit een Parijs’ hotel: vrouw (en man), durf individu te zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘De eenentwintigste eeuw zal ten goede of ten kwade de eeuw van de vrouw zijn. Het vrouwelijk genie rechtvaardigt de hoop dat het niet ten kwade zal zijn.’ Een boute bewering van Julia Kristeva in Le génie féminin, haar jarenlange studie gewijd aan het vrouwelijk genie. In een drieluik van zo’n slordige vijftienhonderd pagina’s ondervraagt ze het leven en de geschriften van de filosofe Hannah Arendt, de psychoanalytica Melanie Klein en de schrijfster Colette, drie vrouwen die volgens haar een stempel op de twintigste eeuw drukten. In 1999 verscheen het eerste deel over Arendt, een jaar later volgde Klein, en recent verscheen het laatste deel over Colette.

Jarenlang onderzoek naar de verwevenheid van leven én werk van drie vrouwen die je
bewondert werkt aanstekelijk, zegt ze zelf. Het is niet moeilijk om de sporen daarvan tot in haar schrijfstijl terug te vinden. Op dat vlak zal ze menige trouwe lezer verbazen. Haar doorgaans moeilijke, hermetische stijl is hier en daar zelfs lyrisch romantisch. Maar nooit voor lang. Een pagina verder neemt algauw de kritische distantie opnieuw de bovenhand. Hoe kan het anders, Julia Kristeva covert in haar eentje de drie disciplines van haar protagonisten. Hoewel de romanschrijver Kristeva duidelijk minder briljant is dan de auteur van erudiete essays als Vreemdeling in ons zelf of Liefdesgeschiedenissen.

Een gesprek waarin ze goochelt met de termen vrouwelijke psychoseksualiteit en biseksualiteit in een hotel in Parijs met de naam ‘Hôtel des Saints Pères’. Een hotel dat in een ver pre-freudiaans verleden genoemd werd naar de kapel van de Heilige Vaders gelegen in de gelijknamige straat. Een tijd toen alles nog gewoon was. Mannen waren mannen en vrouwen, vrouwen. Maar zo simpel is het allang niet meer als we de bevindingen van Julia Kristeva volgen. Als het allemaal zoveel gecompliceerder is dan we dachten, hoe verdedigt ze dan dat de eenentwintigste eeuw de eeuw van de vrouw zal zijn? En wat is zo bijzonder aan het vrouwelijk genie dat we daarop onze hoop kunnen vestigen?

Kristeva put haar hoop uit het eenvoudige gegeven ‘dat er vrouwen als Arendt, Klein en Colette zijn’. Ze vertegenwoordigen een dermate bijzondere klasse, dat volgens Kristeva in ieder geval de naam ‘genie’ gerechtvaardigd is. Bovendien zijn het door hun leven en denken op een bepaalde manier wegbereiders – ze openen deuren die Kristeva zelfs verleidt tot utopieën over een harmonieuze eeuw.

Kristeva geeft toe dat haar keuze berust op persoonlijke affiniteit. Maar er is meer: deze drie vrouwen hebben de culturele geschiedenis van de twintigste eeuw getekend door het benadrukken van het leven als onze ultieme waarde (Arendt), de gekheid te begrijpen als een koninklijke weg om de menselijke ziel te bevrijden (Klein) en de levensvreugde te bezingen door de magie van het woord (Colette). Aan haar drieluik ligt daarom niet slechts persoonlijke voorkeur ten grondslag, maar ook objectieve criteria. Kristeva refereert aan de definitie van het woord ‘genie’ in de Encyclopédie van Diderot, wat en passant de drie vrouwen plaatst in de Franse traditie van de Verlichting: ‘Een bijzondere geest gekoppeld aan een bijzondere sensibiliteit.’ Kristeva: ‘Door die benaming genie wil ik ook iedere lezer uitdagen zichzelf te overstijgen zoals Arendt, Klein en Colette dat wisten te doen’. Haar boodschap: durf een bijzonder individu te zijn. Maar Arendt, Klein en Colette  zij niet slechts genieën, het zijn vrouwelijke genieën. En ook daar zit volgens Kristeva iets bijzonders.

Gemeenschappelijk

Om dat te verhelderen, moet er iets gemeenschappelijks worden gevonden tussen de drie vrouwen. Dat is niet zo eenvoudig, want ogenschijnlijk hebben de vrouwen niets met elkaar te maken. Arendt, die als filosofe en politicologe de belangrijkste historische gebeurtenissen van de twintigste eeuw analyseert groeit op in een Duits-joods gezin en emigreert naar de Verenigde Staten. Klein komt uit een joods gezin uit Oost-Europa en zoekt haar heil in Engeland waar ze uitgroeit tot de belangrijkste vernieuwer van de psychoanalyse. Beiden leiden een nomadisch bestaan en moeten tot hun moedertaal verruilen voor het Engels. En dan Colette, Franser dan Frans, geaard met wortel en tak in haar geliefd Bourgogne, schrijft een nieuw alfabet waarin stijl en zinnelijkheid samenvallen.

Toch zijn er volgens Kristeva raakvlakken die je kan terugvoeren op hun zogeheten ‘vrouwelijke psychoseksualiteit’. Ze denkt in eerste instantie aan de manier waarop ze alle drie hun eigenheid wisten te ontplooien  via de relatie tot de ander. Die relatie tot de ander, hetzij in de politiek, hetzij in de psychoanalyse, hetzij in de zinnelijkheid van het schrijven, voedt de ontplooiing van hun individualiteit. En dat geldt ook voor hun amoureuze relaties. Colette schrijft ergens: ‘Een vrouw wordt geboren onder iedere zonnestraal die haar geneest van liefdespijn’. Ja, zegt Kristeva, alles wat ze schrijft gaat over de liefde maar ze ervaart de liefde ook als een impasse, als iets onmogelijks en als het meest banale van ons bestaan. ‘Ik heb de indruk dat de lange weg die ze af legt niet een manier is om de liefde te verdringen of om ervan los te komen maar om ze te verwerken. Om de liefdesband als het ware uit te zaaien over verschillende wezens en dat betekent voor Colette niet alleen over vrienden maar ook over dieren en planten. Ze zoekt, zegt ze, een liefde die bloeit in de schaduw van de liefde. Affectie, tederheid maar niet de hartstochtelijke afhankelijkheid van een liefdesrelatie die uitloopt op een verteringsproces. Na alle amoureuze tegenslagen die ze kende, wil ze zich bevrijden van die passionele afhankelijkheid.’

‘Als mijn lichaam denkt, zwijgt al de rest. Op zo’n moment heeft mijn hele huid een ziel’, schrijft Colette. En daarmee illustreert ze nog een typisch kenmerk van de vrouwelijke psychoseksualiteit: leven en denken, het concrete en het abstracte vallen samen. Kristeva: ‘Je ziet zo vaak bij grote mannelijke geleerden dat ze geobsedeerd zijn door een uiterst abstract denken waarin het lichaam geen enkele rol speelt. Bij Arendt, Klein en Colette is hun intellectuele leven volledig geïntegreerd in hun gevoelsleven. Ze denken met hun zintuigen en met hun zinnen. Ze overstijgen die metafysische kloof tussen lichaam en geest die een erfenis is van onze westerse cultuur. En natuurlijk zijn er ook mannen die in die alchemie slagen maar dat komt minder voor. Trouwens ook veel vrouwen die in hun carrière willen slagen verdringen hun gevoel. Maar bij Colette voel je heel sterk die osmose tussen het woord en het object. Bij haar voel je het woord. Je kan het eten, ruiken, horen. Soms ervaar ik iets dergelijks in een analyse. Als ik bij voorbeeld begrijp wat een patiënt me zegt en tegelijk ook het leed voel. En als ik dan het juiste woord vind dan weet ik soms niet of ik praat dan wel dat leed onderga.’

Een andere opvallende parallel in hun psycho-seksualiteit is het verwerpen van een defaitistische levenshouding en van de gangbare lineaire tijdservaring. Zo is voor Colette  ‘ontluiking’ een centraal begrip: ‘Iedere ochtend als ik ontwaak is de wereld voor mij nieuw en zolang ik leef zal ik niet ophouden te ontwaken.’ Ontwaken, ontluiken, opnieuw geboren worden. En dat ritme van een eeuwig herbeginnen vindt vooral zijn uitdrukking in haar schrijven. Bij Klein en Arendt is dat nog veel frappanter omdat beiden joods zijn en op een veel dramatischer wijze dan Colette geconfronteerd werden met de gewelddadigheden van de twintigste eeuw. Klein wijdt haar hele leven aan het opnieuw tot leven brengen van het denken en praten van psychotische kinderen, aan hun mentale wedergeboorte. Arendt is gefascineerd door het thema van de geboorte in haar denken over de vrijheid. In de voetsporen van Augustinus zal ze zeggen dat vrijheid een geboorte is en niet een transgressie.’

Mentaal hermafrodisme

Psychoanalytica Kristeva stelt dat Arendt, Klein en Colette hun ‘vrouwelijke’ genialiteit slechts konden ontwikkelen dankzij hun psychische biseksualiteit. Of hun ‘mentaal hermafrodisme’zoals Colette het zelf noemde. En, om in de psychanalytische sfeer te blijven, biseksualiteit vooronderstelt bij de vrouw het integreren van de fallussymbolen, van alles wat geïdentificeerd wordt met macht en dominantie. ‘Mijn drie protagonisten hebben die karakteristieken zeer sterk ontwikkeld. Maar iedere vrouw is in mindere of meerdere mate psychisch biseksueel. Voor de man is het minder ingewikkeld omdat hij afscheid neemt van zijn moeder als erotisch object om een andere vrouw te vinden die hem een soortgelijke veiligheid kan bieden. Een object dus van dezelfde sekse. Het traject dat een vrouw moet afleggen is veel complexer. Haar eerste liefdesobject is haar moeder, vandaar die endogene homoseksualiteit van alle vrouwen. En vervolgens, als ze de moeder loslaat, verandert ze van object en richt haar liefde op de vader. Ze gaat zich identificeren met de macht van de taal en van het denken die in onze maatschappij nog altijd mannelijke connotaties hebben. Er moet dus een identificatie plaats vinden met de functie van de vader. Jammer genoeg zijn er veel vrouwen die deze kwaliteiten maar zeer matig ontwikkelen. Maar het is een aberratie van de kant van de militante vrouwenbeweging om de machtssymbolen af te wijzen omdat die mannelijke connotaties hebben. Vrouwen die dit afwijzen zullen dan ook altijd ondergeschikt blijven. Andere vrouwen vervallen weer in het andere uiterste en verdringen hun sensibiliteit. Maar mijns inziens hebben Arendt, Klein en Colette, ieder op hun eigen wijze, een juiste dosering, een juiste combinatie tussen die twee aspecten gevonden en dat is vrij zeldzaam.’

Het vertrekpunt van Kristeva’s studie is geïnspireerd op het ideaal van de door haar bewonderde middeleeuwse theoloog Duns Scotus voor wie het hoogste doel is de ontplooiing  van de individuele, particuliere mens. Het ‘vrouwelijke’ genie van Arendt, Klein en Colette verwijst dan ook zeker niet naar een beweging of groep.  Een genie is juist een bijzondere persoonlijkheid, en dat laat zich niet rijmen met generaliseringen. Kristeva bekritiseert dan ook het feminisme en alle grote bevrijdingsbewegingen. ‘In de ontwikkeling van de democratieën zijn we op een punt gekomen waarop het duidelijk is dat alle massale processen op een impasse uitlopen. Of het gaat om de klassenstrijd, de derdewereldbeweging of het feminisme.’ De massale bevrijdingsbewegingen, zegt ze, lijken over het hoofd te zien dat vrijheid de uitdrukking is van een individuele creativiteit. In de lijn van vele hedendaagse sociologen benadrukt ze het belang van het individu in onze huidige democratieën: het respecteren van de ander zonder het individu te verpletteren in de massa.

‘Een vrouw die vrouw blijft is een compleet wezen’ schreef Colette die verdere theoretische uitleg overbodig zou hebben gevonden. Ze zou dan ook waarschijnlijk raar opkijken als ze er de psychoanalytische uitleg van Kristeva op na zou lezen. Of van Freud die beweerde dat het vrouwelijke het meest ontoegankelijke is bij de twee seksen. Over wat nu eigenlijk het vrouwelijke is zijn al boeken vol geschreven, zegt Kristeva. Zij heeft het liever over een vrouwelijke specificiteit die zich anders ontwikkelt bij de man dan bij de vrouw. Die ontwikkeling resulteert bij de meeste vrouwen in het verkiezen van de zingeving boven de erotische impuls. Een dergelijke levenshouding betekent dat je kwetsbaar bent omdat de relatie tot de ander een belangrijke rol speelt. De meeste proberen dan ook het vrouwelijke (le féminin) te verstoppen achter hun vrouwelijkheid (la féminité) omdat de maatschappij hen leert dat spel te spelen en te doen alsof. Om zich te beschermen willen ze uitmunten in verleiding en de competitie met de man aangaan. Als dit spel te ver gaat doen vrouwen zichzelf geweld aan. Een vrouw die beide aspecten, het vrouwelijke en de vrouwelijkheid, psychische ontvankelijkheid en verleiding, gevoeligheid en prestatievermogen op een juiste wijze kan combineren is voor haar een harmonieuze persoonlijkheid. Die kwalificatie dicht ze aan haar drie protagonisten toe.

Utopie

Maar Kristeva gaat nog een stap verder. Ze zou graag zien dat we de opdeling in twee seksen met mannen aan de ene kant en vrouwen aan de andere, achter ons lieten. Kristeva: ‘Dat is als je wil mijn utopie. Het feminisme heeft ons ervan bewust gemaakt dat er een soort oorlog woedt tussen mannen en vrouwen. Ik denk dat de psychische verschillen inderdaad moeten worden erkend maar juist om ze te kunnen overstijgen. Die verschillen accepteren maar ook harmoniseren. Een man en een vrouw die samenleven zijn bij wijze van spreken met z’n vieren. Er zijn niet slechts twee seksen. Ieder mens creëert zijn eigen, specifieke sekse. En die particuliere psychische seksualiteit van eenieder vormt ook de rijkdom waarbinnen hij zijn individuele vrijheid kan ontplooien. We mogen ons niet opsluiten in het onverzoenbare. We moeten open staan voor het bijzondere van ieder mens, man of vrouw en dat gaat verder dan het verschil tussen de seksen. Dat simplificeren of schematiseren in twee seksen doet afbreuk aan het unieke boeket dat we allemaal zijn.’

Het unieke, het bijzondere – daar ligt de mogelijkheid om het denken in tegenstellingen te overwinnen. Kristeva over haar hoop: ‘Ik ervaar nog dagelijks dat ik als vreemdeling en als vrouw niet volledig wordt geaccepteerd. Maar hoe die houding me ook kwetst ik ondervind ook dat de tegenkrachten vooruitgang boeken en in die ervaring sta ik niet alleen. Met het schrijven van deze triptiek wilde ik eigenlijk niets anders dan vrouwen stimuleren autonoom, kritisch na te denken en zich niet op sleeptouw te laten nemen door al die vreselijke clichés waarmee ze om de oren worden geslagen.’

De van oorsprong Bulgaarse Julia Kristeva (1941) studeerde literatuurwetenschap en Romaanse filologie aan de universiteit van Sofia. In 1965 vestigt zij zich in Parijs, waar ze onder andere bij Roland Barthes studeert. Ze specialiseert zich in de semiotiek, (betekenisleer). Samen met Luce Irigaay en Hélène Cixious wordt zij tot de invloedrijke écriture féminine gerekend, een groep Franse schrijfsters die zochten naar een vrouwelijke manier van schrijven. Eerder verschenen van Kristeva in het Nederlands De vreemdeling in onszelf (uitg. Contact, 1991) en Liefdesgeschiedenissen; een essay over verleiding en erotiek (uitg. Contact, 1991)