Home Historisch profiel: Bacon

Historisch profiel: Bacon

Door Jan Dirk Snel op 02 december 2015

Cover van 12-2015
12-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Begin bij wat je ziet. Dat uitganspunt van Francis Bacon was even simpel als revolutionair. Hij werd er de vader van de moderne wetenschap mee.

Toen Constantijn Huygens (1596-1687) de 35 jaar oudere Francis Bacon leerde kennen, was die op het hoogtepunt van zijn macht. In 1618, het jaar waarin Huygens voor het eerst Engeland bezocht, was Bacon net benoemd tot Lord Chancellor, zo ongeveer opperrechter en minister van Justitie tegelijk. Het ging om een van de drie belangrijkste functies in het koninkrijk. Sir Francis werd bij die gelegenheid verheven tot baron Verulam. En begin 1621, juist voor Huygens opnieuw Engeland bezocht, werd de zojuist zestig geworden kanselier bevorderd tot Viscount St. Albans. Enkele malen ontving de Engelse staatsman de jonge Huygens in audiëntie, en die kreeg daarbij geen goede indruk. ‘Als men acht sloeg op het voorkomen en de houding van deze formidabele geleerde, dan was zijn arrogante verwaandheid en geaffecteerdheid niet te overtreffen’, merkte Huygens op in zijn memoires. ‘Meer dan eens was ik misselijk van zijn absurde manier van voortschrijden, spreken en gesticuleren, het ene al erger dan het andere. Ik geloof niet dat een persoonlijke kennismaking iemands grote naam meer kwaad gedaan heeft.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Huygens koesterde namelijk een enorme bewondering voor de man en daar hield hij ook na zijn onaangename ontmoetingen aan vast. Toen hij Bacon leerde kennen, was die niet alleen op het hoogtepunt van zijn politieke macht, maar ook op het toppunt van zijn wetenschappelijke carrière. In 1620 publiceerde Lord Verulam een werk getiteld Instauratio Magna, wat zoveel als ‘het grote herstel’ betekent. Goed, die titel had wat Huygens betreft best een tikkie bescheidener gemogen, inhoudelijk vond hij het een prachtig werk.

Het was ook een verwarrend boek. Het was lang niet af. Of beter: het bevatte slechts een klein deel van het uitgebreide programma dat Bacon ontvouwde. En het begon niet bij het eerste onderdeel, zoals je zou verwachten, maar bij het tweede. Dat heette Nieuw Organon of Aanwijzingen voor de verklaring van de natuur.

Pretentie

Die titel was op zich een mengeling van pretentie en bescheidenheid. Enerzijds ging het volgens de auteur om niet meer dan enkele vingerwijzingen, maar tegelijk zinspeelde hij wel op een gezaghebbende zesdelige verzameling geschriften van Aristoteles die bekendstond als het Organon –‘werktuig’. En die wilde Bacon graag vervangen door zijn eigen methode.

De zes geschriften in Aristoteles’ Organon gingen over logica. Hoe redeneer je zorgvuldig? Hoe bereik je zekere kennis? En daartegen richtte zich nu net Bacons bezwaar. Natuurlijk klopte een syllogisme als ‘Alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens en dus is Socrates sterfelijk’ wel, maar je werd er ook niet veel wijzer van. Er kwam niet meer uit dan je erin stopte. En hoe wist je eigenlijk dat alle mensen sterfelijk waren? Juist ja, uit ervaring, door waar te nemen. Daar kwam het op aan. Eeuwenlang was de filosofie deductief te werk gegaan en had men zich verloren in allerlei sofistische redeneringen. De scholastiek was daar een berucht voorbeeld van en die volgens Bacon volstrekt onvruchtbare muggenzifterij heerste in zijn dagen nog volop.

Je moest volgens hem niet beginnen bij algemene ideeën, maar ermee eindigen. Ze vormden het sluitstuk van een lang en ingewikkeld proces. Hij stelde een andere logica voor, die niet begon bij enkele willekeurige algemeenheden, maar bij de waarneming, en die langzaam naar nieuwe, zorgvuldig onderbouwde algemene ideeën opklom. Kortom, Bacon was de man van de inductie. Hij was, zoals E.J. Dijksterhuis in De mechanisering van het wereldbeeld (1950) opmerkte, de ‘profeet van een nieuwe wetenschap’ en dit was nu eens een profeet die overweldigend gelijk kreeg. Dat maakt de hedendaagse lectuur van Bacon ook een beetje teleurstellend. Het klinkt allemaal zo bekend en vertrouwd.

Ontdekkingsreizen

Wij leven in een wereld die mede door Bacon is geschapen, maar zelf leefde hij in een heel andere, verwarrende wereld, die van de Renaissance en de Reformatie. Door ontdekkingsreizen en boekdrukkunst was de wereld zowel fysiek als geestelijk enorm veel groter geworden. De scheuringen binnen de Latijnse christenheid hadden een eind gemaakt aan een geestelijke eenheid van eeuwen. Allerlei ideeën konden opgang maken in Europa.

Bacon leefde in een wereld waarin de strijd tussen allerlei denkbeelden, ook occulte en esoterische, allerminst beslist was. Hij besefte daarbij heel goed dat de menselijke geest nooit een onbeschreven blad (tabula rasa) is. Daarover gaat zijn befaamde idolenleer, die men wel de eerste ideologiekritiek genoemd heeft. Hij onderscheidde vier soorten vooroordelen, die hij met een adequate beeldspraak de idolen van de Stam, de Grot, de Markt en het Theater noemde. De eerste twee betreffen de menselijke natuur, het laatste paar gaat over de menselijke samenleving, de cultuur dus. De idolen van de Stam zijn die vooroordelen die alle mensen van nature koesteren. Het menselijk verstand is een onzuivere spiegel die de werkelijkheid naar eigen maat vervormt. De idolen van de Grot, waar het licht van de natuur slecht doordringt, duiden de verdraaiingen aan die eigen zijn aan elk individu. Bij de idolen van de Markt gaat het over de misverstanden die mensen elkaar in het maatschappelijk verkeer aanpraten. En bij de idolen van het Theater gaat het over de specifieke dwalingen die met name filosofen en geleerden met aplomb verkondigen.

Tegen die laatste ging Bacons strijd vooral. Aristoteles was zijn bête noire, die al te voortijdig gedicteerd had hoe de werkelijkheid in elkaar zat, maar Plato met zijn ideeënleer was geen haar beter. Verder dan de kinderjaren van de wetenschap waren de antieken volgens hem nooit gekomen. Dat was ook de reden dat Huygens hem zo bewonderde. Het proces waarbij de wetenschappen zonder enige aanvulling van generatie op generatie doorgegeven werden, was ‘louter het gevolg van de brutaliteit van een handjevol personen en de achteloosheid en traagheid van de rest’. De eerste helft van Novum Organum is in feite één lange tirade tegen de overmacht van het antieke denken.

Bacon vond dat er in ruim twee millennia wijsbegeerte en wetenschap niet veel bereikt was. De Grieken hadden twee goede eeuwen gekend, de Romeinen ook, en nu was er opnieuw van een tweetal onderzoekende eeuwen sprake. Een echte garantie voor de toekomst bood dat niet. Een onderzoekende geest was niet vanzelfsprekend en natuuronderzoek moest vooral gecoördineerd worden. Dat was het moderne van Bacon. Hij zag wetenschap als iets wat georganiseerd moest worden, waarbij vele mensen samen aan een program werkten volgens een heldere methode.

Vloeibaarheid

Zo’n methode voor onderzoek ontvouwde hij in de tweede helft van zijn Novum Organum. Hij deed dat aan de hand van een beschouwing over het begrip ‘warmte’, maar zijn aanpak kon volgens hem voor vele verschijnselen, als koude, licht, hardheid, zachtheid, dichtheid, vloeibaarheid, vastheid en zo meer gebruikt worden. Bacon stelde daartoe enkele tabellen op. Eerst stelde hij een lange lijst op met bevestigende gevallen waarin warmte voorkwam. Maar daartegenover stelde hij onmiddellijk een lijst met ontkennende gevallen. Zo zijn de stralen van de zon in de zomer en in de middag warm, maar worden de stralen van de maan, de sterren en kometen niet als warm ervaren. Aldus zocht Bacon bij elk positief voorbeeld steeds tegenvoorbeelden. In feite ging hij dus heel popperiaans, falsifiërend, te werk. In een derde overzicht ten slotte probeerde Bacon gradaties aan te brengen en vergelijkingen te maken. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat het bij warmte om beweging ging. Niet zo gek, waarbij men kan bedenken dat hij nogal wat zag in het atomisme van Socrates’ tijdgenoot Democritus.

Schuld

Hoe wetenschap te werk diende te gaan, legde hij uit aan de hand van de spin, de mier en de bij. Spinnen bouwen een enorm web. Dat waren de theoretici tegen wie hij zich afzette. Mieren daarentegen verzamelen overijverig van alles en nog wat, maar zonder enige orde. Bijen verzamelen ook, maar maken er een mooi bouwwerk van. Ze gaan systematisch te werk, doch op grond van wat de natuur te bieden heeft.

Bacons grote programma bleef onvoltooid, en niet alleen omdat hij in 1626 op 65-jarige leeftijd stierf. De laatste vijf jaar van zijn leven had hij weliswaar alle tijd gekregen voor studie, maar daarbij beperkte hij zich niet tot natuurwetenschappelijke thema’s. Op de dag dat Constantijn Huygens weer uit Engeland vertrok, 30 april 1621, bekende Bacon schuld aan de aanklacht die door het parlement tegen hem was ingediend. Hij had geschenken aangenomen en die werden als steekpenningen beschouwd, al was volgens sommigen de grief vooral dat hij er zijn vonnissen niet door had laten beïnvloeden. Aan een lange en fraaie politieke en juridische carrière kwam zo een abrupt einde. Zevenendertig jaar was hij voor diverse districten lid geweest van het Lagerhuis, tot hij bij zijn verheffing tot baron lid van het Hogerhuis was geworden.

Na zijn val trok Bacon zich terug op zijn landgoed Gorhambury ten noordwesten van Londen, gebouwd door zijn vader Nicholas, die onder koningin Elizabeth grootzegelbewaarder was geweest, een functie die hijzelf ook bemachtigde. Ook werkte hij aan een utopische roman in de trant van Thomas More, Het Nieuwe Atlantis, die in het jaar na zijn dood in onvoltooide staat gepubliceerd werd. Het ging over een uiterst vreedzame, verdraagzame, christelijke, zij het nogal patriarchale samenleving, Bensalem, op een onbekend eiland in de Stille Oceaan. Kenmerkend was de hoge plaats die de orde of het genootschap Salomons Huis, ook wel het College van de Werken van Zes Dagen geheten – ook hier de verwijzing naar het scheppingsverhaal –, maatschappelijk innam: de geleerde leden doorvorsten de natuur en deden ontdekkingen, waardoor het leven in Bensalem kwalitatief zoveel beter en langer was dan in de bekende wereld. Overigens maakten de wijzen niet alle vondsten bekend. Bacon besefte dat een kleine vinding als die van de kompasnaald grote ontdekkingen mogelijk had gemaakt, maar ook dat de uitvinding van het buskruit veel onheil had gebracht.

Antifilosoof

Tijdens zijn laatste jaren werkte Bacon opnieuw aan zijn Essays. In 1597 vormden die zijn eerste boekpublicatie. Het waren er toen tien. Net als Michel de Montaigne (1533-1592), bevriend met zijn oudere broer Anthony (1558-1601), wiens befaamde essayverzameling achttien jaar eerder was verschenen, vulde ook hij zijn ‘probeersels’ steeds aan. In 1618 waren het er al 38 en in 1625 was het boek uitgegroeid tot 58 beschouwingen, die reikten van thema’s als waarheid en dood tot woede, de wisselvalligheid der dingen en roem. In 1605 had hij al naam gemaakt met het boek The Advancement of Learning en in 1623 breidde hij dat werk uit in het Latijn, de internationale taal van zijn dagen. Bacon stuurde zijn boekwerken op naar Parijs, Venetië en Amsterdam, om zo zijn plannen onder de aandacht te brengen.

Bacon besefte uiteraard dat zijn natuurwetenschappelijke program nooit af zou komen. Maar hij werkte aan onderdelen en soms publiceerde hij zijn verhandelingen en soms bleven ze liggen tot de publicatie van zijn verzamelde werken. Bacon mag dan een ijdele seigneur zijn geweest, hij was ook bezeten van kennis. ‘Filosofie’ was in zijn dagen nog de overkoepelende term voor het geheel der wetenschappen. In onze dagen figureert zijn naam zowel in overzichten van de filosofiegeschiedenis als de historie der natuurwetenschappen. Als filosoof was hij in feite vooral een antifilosoof, die bijna de gehele geschiedenis van de wijsbegeerte mislukt achtte. Op natuurwetenschappelijk terrein publiceerde hij weinig van blijvende waarde. Toch wordt zijn naam met ere genoemd. Hij was in zekere zin de eerste wetenschapsfilosoof, en dan van de uiterst zeldzame soort die niet achteraf reflecteerde, maar vooraf actief de weg wees.

Op de verdere ontwikkeling van de natuurwetenschappen was Bacons invloed groot. Zijn programma werd overgenomen. De oprichting van de Royal Society in 1660 wordt steevast beschouwd als een uitwerking van zijn programma. En toen in 1666 in Parijs naar dit baconiaanse voorbeeld de Académie des Sciences werd opgericht, werd Christiaan Huygens (1629-1695), de zoon van Constantijn, daar onderzoeksdirecteur. Zijn vader had al een voorspelling gedaan: door ‘hun eeuwigheidswaarde’ zouden Bacons geschriften ‘elke tand des tijds doorstaan’. Hij kreeg gelijk. Wie de praktijk van de hedendaagse wetenschappen beziet, ziet de geest van Francis Bacon geïncarneerd.