Home Twintig beste ideeën Gulden Middenweg
Twintig beste ideeën

Gulden Middenweg

Door Sebastien Valkenberg op 10 juli 2012

Gulden Middenweg
07-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Gulden middenweg

Aristoteles (384 v.Chr-322 v.Chr.)
De deugd is het midden tussen twee extremen, maar Aristoteles pleit niet voor middelmatigheid!

Wat is het idee? 
Volgens Aristoteles is de deugd het midden tussen twee extremen. Zo houdt moed het midden tussen lafheid en roekeloosheid.

Hoe passen we het toe? 
Het is geen pleidooi voor middelmaat, maar juist voor een optimum. Daarom een uitstekend middel tegen de zesjescultuur.  

Wie zegt dat het onderwijs lijdt aan een zesjescultuur trapt een open deur in. Vind maar eens iemand die deze claim niet onderschrijft. De kunst is natuurlijk om hieraan voorbij te komen. Vanuit Den Haag komen richtlijnen, zoals selectie aan de poort, maar zijn die voldoende om de leergierigheid onder studenten te vergroten?

Voeg daar dan tenminste een stevige dosis Aristoteles aan toe. Dat raadt Paul van Tongeren aan, hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen en Leuven. Het is de hoogste tijd voor een rehabilitatie van een kernnotie van Aristoteles: de gulden middenweg. Van Tongeren legt uit hoe we dit beginsel moeten begrijpen.

Gulden middenweg. Dat klinkt juist als een pleidooi voor middelmatigheid.
‘Tja, die associatie komt veel voor. Bijna iedereen denkt aan zoiets als “polderen” of “de kool en geit sparen”, maar dit is onterecht. De deugd van het gulden midden is zo ongeveer het tegendeel van middelmatigheid. Die negatieve connotatie is ontstaan in de late achttiende en negentiende eeuw. Toen verkommerde de deugdethiek tot een (klein)burgerlijke moraal. Deugdzaamheid werd braafheid, zoals in de moralistische gedichtjes van Hiëronymus van Alphen. De Aristotelische deugd staat op grote afstand hiervan.’

Hoe moeten we er dan naar kijken?
‘Een eerste aanknopingspunt biedt onze taal. “Deugd” gaat terug op het Griekse “aretè”, dat “excellentie” betekent. Het Latijnse woord “virtus” herkennen we trouwens nog in ons begrip “virtuositeit”. Iets van de oorspronkelijke strekking klinkt ook door in het Nederlandse woord “deugdelijkheid”. Zo spreken we bijvoorbeeld over een deugdelijk instrument. Dit betreft een instrument dat heel goed werkt en op geen enkele manier verbeterd kan worden. Daarom geef ik ook de voorkeur aan een “deugdelijk leven” boven een “deugdzaam leven”. Ik wil die connotatie van middelmatige braafheid vermijden.’

Hoe past Aristoteles’ gulden midden in dit streven naar excellentie?
‘Laat ik dit uitleggen aan de hand van het standaardvoorbeeld van moed. Elke mens heeft de neiging om gevaar te vermijden, maar dit verlangen kan op verschillende wijzen gevormd worden. De verschillende houdingen kunnen we plaatsen op een schaal, met lafheid als roekeloosheid als de twee extremen. In het midden daarvan, zegt Aristotels in zijn Ethica Nicomachea, ligt de deugd van de moed.
Het is echter een vergissing om te denken dat het midden een punt is op deze schaal. Zie het eerder als een verticale as die daar haaks op staat – als een optimum. Mensen kunnen zichzelf namelijk verbeteren en zo het midden van een gouden randje voorzien. Streven naar perfectionering is zelfs een belangrijk kenmerk van de deugd. Zo verdienen studenten die haast achteloos hoge cijfers halen, maar amper blijk geven van enige ambitie, niet het predikaat “leergierig”.’

Dit is een heel andere houding dan die van de student die mikt op de minimale inspanning met het maximale resultaat.
‘De zesjescultuur hoort eerder bij een ethiek die uitgaat van een bepaalde norm – een opgeheven vingertje, zo je wilt. Deze visie legt het accent op het minimum: er is een ondergrens waar we niet door mogen zakken. In het onderwijs heet deze grens: het zesje. Met maatregelen zoals selectie aan de poort en sancties voor langstudeerders kunnen beleidsmakers stimuleren dat studenten een bepaald niveau houden, maar meer ook niet. Willen we echt af van een zesjescultuur is er meer nodig. Dat vereist dat we ons niet blind staren op het minimum, dat opgekrikt moet worden, maar gaan richten op het optimum. Hoe zorgen we ervoor dat studenten de lat hoger leggen voor zichzelf?’ 

Nou?
‘Alle mensen bezitten een verlangen om te weten, maar hoe gaan we daar mee om? Ook dit verlangen wordt geleidelijk gevormd en dat kan in verschillende richtingen. Het kan verpieteren tot onverschilligheid of perverteren tot nieuwsgierigheid die louter is gericht op vluchtige nieuwtjes. Het optimale midden heet hier “leergierigheid” of, nog treffender, “leerbegeerte”. En ook hier geldt weer dat het optimale midden van de deugd weer om verdere perfectionering vraagt. Als het goed is groeit de behoefte naar inzicht naarmate studenten meer kennis verwerven. Het is de kunst om het al aanwezige verlangen zo goed mogelijk te cultiveren.’

Hier lijkt een belangrijke rol weggelegd voor docenten.
‘Klopt. Rolmodellen zijn onmisbaar. Aristoteles besteedt veel aandacht aan het belang van voorbeeldigheid. Aan de hand van het voorbeeld leren studenten hun eigen ideaal kennen en nastreven. Voor mij vervulde een docent uit mijn eerste opleiding die functie, maar iedereen heeft zijn eigen voorbeeldfiguren. Natuurlijk moeten docenten kennis overdragen. Maar sommige zijn zó goed dat ze studenten inspireren om een er een schepje bovenop te doen.’

Goed voorbeeld doet goed volgen?
‘Inderdaad, zij het dat hier een kanttekening bij hoort. De paradox is dat een rolmodel ook weer niet te goed mag zijn. Uitzonderingen van het kaliber Lionel Messi of Sven Kramer stijgen zó boven de rest uit dat de voorbeeldigheid juist bedreigd wordt. De afstand met hen is zo groot dat het onmogelijk wordt om oprecht naar hun niveau te streven. Maar in het onderwijs zal dat niet zo gauw gebeuren. Hier geldt dus: investeer in goede docenten als je wilt afrekenen met de zesjescultuur.’