Home Politiek Als God bestond zou men hem moeten afschaffen
Politiek

Als God bestond zou men hem moeten afschaffen

De Russische denker Michail Bakoenin keerde zich rond zijn vijftigste af van het idealistische gedachtegoed van Marx en Hegel en werd zo vader van het anarchisme. ‘De idealisten mogen zich hun God dan mooi voorstellen als door de tederste liefde voor de menselijke vrijheid bewogen, maar een meester blijft niettemin altijd een meester.’ Een nieuwe Nederlandse vertaling van een klassiek geworden pleidooi tegen God en voor de revolutie.

Door Michail Bakoenin op 06 mei 2022

Als God bestond zou men hem moeten afschaffen
Cover van 05-2022
05-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Aan de geschiedenis van de ontwikkeling van de mens, als individu en als collectief, liggen drie elementen of, zo je wilt, drie fundamentele principes ten grondslag. Ten eerste is daar de aard van de mens als dier; ten tweede het denken; en ten slotte revolutie. Met deze drie grondslagen corresponderen respectievelijk economie (zowel die van privépersonen als van sociale gemeenschappen), wetenschap en vrijheid.

Idealisten van alle ‘scholen’ – aristocraten en bourgeois, theologen en metafysici, politici en moralisten, geestelijken, filosofen, dichters en, niet te vergeten, de liberaal economen, zoals bekend fervente aanhangers van het ideaal – zijn algauw beledigd als je ze voorhoudt dat de mens, met al zijn geweldige intelligentie, sublieme ideeën en eindeloze voornemens, net zo is als alle andere dingen ter wereld: niets dan materie, niets dan een product van die gemene, grove, laag-bij-grondse materie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Verachtelijk spul

We zouden ze als volgt van repliek kunnen dienen: de materie waar materialisten van spreken – een materie die uit zichzelf en voor altijd in beweging, actief en productief is, die chemisch of organisch welbepaald is, en die haar verschijningsvormen te danken heeft aan eigenschappen en krachten van mechanische, fysische, animale of intelligente aard die haar volledig eigen zijn – díé materie heeft met het verachtelijke spul dat idealisten ervan maken niets van doen. Als product van valse abstractie is dat spul van ze stom, levenloos, onbeweeglijk, niet in staat om het minste of geringste voort te brengen. Het is een caput mortuum*, een kwaadaardig denkbeeld dat het tegenovergestelde zou zijn van die schone vrucht van hun verbeelding, genaamd God. Tegenover dit Opperwezen staat materie – hún materie, die zij zelf hebben ontdaan van alles wat aan haar echte natuur ten grondslag ligt – als het opperste Niets. Wat hebben ze de materie níét afgepakt? Intelligentie, leven, kwaliteit, actieve betrekkingen ofwel krachten, zelfs beweging – en zonder dat laatste moet materie het nog zonder gewicht stellen ook. Wat ze voor haar overlaten zijn slechts ondoordringbaarheid en absolute onbeweeglijkheid in de ruimte. Al die natuurlijke krachten, eigenschappen en verschijningsvormen schrijven ze daarentegen toe aan dat imaginaire Wezen dat aan hun abstractiefantasie is ontsproten. In hun omgekeerde wereld hebben ze toen dit product van eigen verbeelding – dit fantoom, een God die het Niets zelve is – het Opperwezen genoemd, wat er onvermijdelijk toe moest leiden dat zij het reële Wezen – de materie, de wereld – tot Niets verklaarden. En dan komen zij in alle ernst beweren dat materie niet eens in staat is zichzelf in beweging te zetten, laat staan om uit zichzelf iets voort te brengen, en dat ze daarom wel geschapen moet zijn door hun God.

Wie hebben gelijk, de idealisten of de materialisten? Als die vraag eenmaal is gesteld, hoeven we niet te aarzelen: ongetwijfeld hebben de idealisten dan ongelijk en de materialisten gelijk. Ja, de feiten gaan aan de gedachten vooraf, en het ideaal, zoals Proudhon heeft gezegd, is een bloem waarvan de wortel wordt gevormd door haar materiële bestaansvoorwaarden en verder niets. Ja, de hele geestelijke en morele, staatkundige en maatschappelijke geschiedenis van de mensheid is een spiegelbeeld van haar economische geschiedenis.

Alle takken van de moderne, gewetensvolle en serieuze wetenschap stemmen overeen in het verkondigen van deze fundamentele en beslissende waarheid: de maatschappelijke, zuiver menselijke wereld – in één woord: de mensheid – is niets anders dan de volmaaktste ont-wikkeling – tenminste voor ons en met betrekking tot onze planeet – en de hoogste verschijningsvorm van de dierlijke natuur. Maar aangezien elke ontwikkeling noodzakelijkerwijs een ontkenning in zich draagt, namelijk die van haar basis of uitgangspunt, is de mensheid tegelijk en wezenlijk de doordachte en progressieve ontkenning van haar eigen dierlijkheid. Precies deze ontkenning – even redelijk als natuurlijk, redelijk omdát ze natuurlijk is, tegelijk historisch en logisch, een lotsbestemming zoals de ontwikkeling en verwezenlijking van alle natuur-wetten in de wereld – grondt en schept het ideaal, de wereld van de verstandelijke en zedelijke overtuigingen, de ideeën.

Idealisten zijn algauw beledigd als je zegt dat de mens niets is dan materie

Ja, onze eerste voorouders, onze Adams en Eva’s, waren misschien geen gorilla’s, maar dan toch zeer nauw verwante neven daarvan: omnivoren, intelligente maar woeste beesten, die in een oneindig veel hogere mate dan de dieren van elke andere soort waren begiftigd met twee onschatbare vermogens: het vermogen om te denken en de behoefte om zich te verzetten. Deze twee vermogens, die in combinatie de geschiedenis actief voortstuwen, stellen het moment, de kant en de macht van het negatieve voor in de positieve ontwikkeling van de menselijke dierlijkheid. Bijgevolg scheppen ze al wat de mensen menselijk maakt.

De Bijbel – een boeiend en soms diepzinnig boek, voor zover je het ziet als een van de oudste ons overgeleverde uitingen van menselijke wijsheid en verbeeldingskracht – drukt deze waarheid op een zeer naïeve wijze uit in zijn mythe over de erfzonde.

Het materialisme van Bakoenin
De hang naar de natuurlijke vrijheid kenmerkt het politieke denken van Michail Bakoenin (1814-1876). Een denken waarin de vrijheid, het instinctieve en spontane, onlosmakelijk verbonden is met solidariteit. Hij staat ook wel bekend als de vader van het anarchisme, een ideologie die tegenwoordig algauw in verband wordt gebracht met zwarte capuchons en zwarte zakdoeken voor de mond of zelfs een gasmasker, klaar voor een confrontatie met de autoriteiten. Hoewel geweld een revolutionair als Bakoenin zeker niet vreemd was, zou het hem ook geen recht doen om voorbij te gaan aan de grote vraag die ten grondslag lag aan de ideeën die hij in de loop van drie decennia uitwerkte: hoe kan de politieke vrijheid met de economische vrijheid verenigd worden?
Kort gezegd zag Bakoenin, net als veel andere socialisten uit zijn tijd, dat de burgerrechten die de staat waarborgde weinig voorstelden zolang sommigen onder het mom van de vrije wil anderen uitbuitten. Tegelijkertijd moest Bakoenin niks hebben van het communisme, vooral zoals Karl Marx dat voorstelde, aangezien dit weliswaar een einde zou maken aan de uitbuiting, maar enkel ten koste van de politieke vrijheid onder een ‘dictatuur van het proletariaat’. Bakoenins aversie tegen de sterke, gecentraliseerde staat is misschien niet zo verwonderlijk gezien zijn jeugd in het Rusland van tsaar Nicolaas I en wat hij meemaakte tijdens zijn rondzwervingen door Europa, waarmee de basis voor zijn latere filosofische materialisme werd gelegd. Bakoenin werd in 1814 op het landgoed van zijn familie ten noordwesten van Moskou geboren en volgde net als zoveel jongens van adel een officiersopleiding in Sint-Petersburg. Hij bleek een gedreven jongeman, niet snel tevreden met het gewone leven. In 1830-1831 maakte hij van dichtbij de Poolse opstand in de Westelijke Grensgebieden (hedendaags Litouwen en Belarus) mee, wat zijn drang naar een intens leven versterkte. Hij voelde zich echter gevangen in een historische luwte tussen de ingrijpende veranderingen van de achttiende eeuw en de ongewisse toekomst van de negentiende. Om te ontsnappen keerde hij zich tot de godsdienst: ‘Wanneer we kunnen zeggen: wat ik wil, wil God, dan zullen we eindelijk gelukkig zijn en zal ons lijden voorbij zijn.’
Maar toen hij in het midden van de jaren 1830 tijdens zijn studie in Sint-Petersburg en Moskou kennismaakte met de Duitse filosofie, raakte hij in de ban van het idealisme van Hegel. Diens filosofie leidde echter tot een onhoudbaar dilemma. Hegels poging God of ‘de waarheid’ in de geschiedenis te vinden paste weliswaar goed bij Bakoenins neiging zijn ideeën en gevoelens absoluut te maken, maar de conclusie van het idealisme was dat ook de onderdrukking van de vrijheid door de Russische staat een rationeel deel was van de opwaartse stroom richting het absolute.
Met het pamflet God en de Staat wilde Bakoenin het filosofische idealisme zoals dat van Hegel ontmaskeren als de grote rem op de menselijke samenleving. ‘Het idealisme is de heerschappij van de fictie,’ meende Bakoenin. Het idealisme heeft namelijk wel veel symbolen van goede zaken gecreëerd, maar die liggen als een dekmantel over de schandelijke realiteit. In de praktijk zijn de idealen tot hun tegendeel verworden. Zo is God als ‘fictie – de Schepper, de Bevrijder, de Voorzienigheid’, maar als ‘realiteit – Verovering, de toe-eigening van andermans rechten, ontkenning’. Naast God zijn ook familie, staat en universiteit als fictie indrukwekkend en begerenswaardig, maar in de praktijk komen ze neer op niets meer dan onderwerping, uitbuiting en pedanterie. Kortom, idealisten schetsen een mooi beeld van de wereld, maar door een dialectiek die hun eigen is leidt hun denken tot een vuil soort materialisme.
Bron: Fragment uit de inleiding (door Paul van Dijk) bij de Nederlandse vertaling God, de staat en andere vormen van dictatuur, Michail Bakoenin, vertaling Mark Leegsma, J.A. Fortuyn en Jaap Kloosterman.

Opstand

Laten wij nu de fabelachtige kant van deze mythe even vergeten en alleen kijken wat hier de ware betekenis is. Die betekenis is duidelijk: de mens heeft zich vrijgemaakt – door zich van de dierenwereld te onderscheiden heeft hij zich eerst als mens gevestigd. Hij is zijn geschiedenis en ontwikkeling in de eigenlijke, menselijke zin des woords begonnen met een daad van ongehoorzaamheid en wetenschap, dat wil zeggen met opstand en denken.

Het stelsel van de idealisten toont zich hiervan helemaal het tegendeel. Het zet alle menselijke ervaringen op hun kop, net als het gezonde verstand, dat allen met elkaar gemeen hebben. Dit laatste is dé voorwaarde voor elke vorm van verstandhouding die menselijk mag heten, maar dat niet alleen. Van de meest simpele en unaniem erkende waarheid – twee plus twee is vier – tot en met de meest sublieme en ingewikkelde wetenschappelijke bewijsvoeringen legt het gezonde verstand, dat overigens nog niet het minste voor waar aanneemt zolang experiment of observatie de zaken of feiten niet hebben bevestigd, de enige serieuze basis voor de menselijke wetenschappen.

Het is voor ons prima te volgen hoe de stapsgewijze ontwikkeling van de materiële wereld verloopt. En in die wereld kunnen we de ontwikkeling van het organisch, dierlijk leven even goed begrijpen als de historische vooruitgang van het menselijk verstand, zowel individueel als maatschappelijk. We zien een volkomen natuurlijke beweging van het eenvoudige naar het samengestelde, van onder naar boven, of van het lagere naar het hogere. Die beweging komt overeen met al onze dagelijkse ervaringen en sluit daardoor ook aan bij de logica waar we van nature over beschikken, de wetten van onze eigen geest. En aangezien onze geest zich op geen enkele andere manier vormt en ontwikkelt dan met behulp van die ervaringen zelf, is ze er zogezegd slechts de mentale, cerebrale reproductie van – een samenvatting in reflectie.

Wat doen idealisten daarentegen? Volgen zij deze natuurlijke weg van onderen naar boven, van het betrekkelijk eenvoudige tot het meest samengestelde? Verre daarvan. Wat doen zij dan wel, in plaats van wijselijk en redelijk de progressieve, echte beweging te volgen van de zogenoemde anorganische tot de organische wereld – die van planten, dan dieren en ten slotte mensen – of die van chemische naar levende materie en verder, van levende naar denkende wezens? Als bezetenen, verblind en gedreven door het goddelijke spook dat zij van de theologie hebben geërfd, slaan idealisten de tegenovergestelde weg in. Zij gaan van boven naar beneden, van het hogere naar het lagere, van het ingewikkelde naar het eenvoudige. Zij beginnen bij God, hetzij als persoon, hetzij als goddelijke Substantie of Idee, en de eerste stap die zij doen is een verschrikkelijke tuimeling van de verheven hoogten van het eeuwige ideaal in het slijk van de stoffelijke wereld, van volstrekte volmaaktheid in absolute onvolmaaktheid, van het denken in het zijn, of liever gezegd van het hoogste Zijn in het Niets.

Wanneer, hoe en waarom heeft het goddelijke, eeuwige en oneindig wezen, de enige volmaaktheid, besloten tot deze wanhopige salto mortale? Was hij soms verveeld door zichzelf? Geen idealist, godgeleerde, metafysicus of dichter heeft dát ooit kunnen begrijpen; over een uitleg aan leken hoeven we het niet eens te hebben. Alle vroegere en hedendaagse godsdiensten, alle transcendente wijsgerige stelsels, draaien om dat ene afschuwelijke mysterie. Heiligen, door God bezielde wetgevers, profeten en messiassen, ze hebben er allemaal het leven in gezocht en slechts foltering en dood gevonden. Zoals de oude Sfinx heeft het ze verslonden, omdat zij het niet hebben weten te verklaren.

God

Grote filosofen – van Heraclitus en Plato tot Descartes, Spinoza, Leibniz, Kant, Fichte, Schelling en Hegel aan toe, om niet te spreken van de Indische filosofen – hebben stapels boeken geschreven en stelsels geschapen, even vernuftig als verheven. Daarin hebben zij en passant vele schone en grootse zaken gezegd en sommige onsterfelijke waarheden ontdekt, maar al die werken hebben het mysterie, het voornaamste object van hun transcendente studies, even ondoorgrondelijk gelaten als het vóór hen was. De gigantische inspanningen van de meest bewonderenswaarde genieën die de wereld ooit heeft gekend – die gedurende minstens dertig eeuwen keer op keer deze sisyfusarbeid hebben verricht – hebben er slechts toe geleid dit mysterie nog onbegrijpelijker te maken.

Niets is natuurlijker dan dat het geloof in God – schepper, bestuurder, rechter, meester, vervloeker, redder en weldoener der wereld – behouden blijft onder het volk, bovenal in de plattelandsbevolking, veel meer nog dan in het stadsproletariaat. Helaas is het volk nog steeds erg onwetend – het wordt systematisch onwetend gehóúden door alle regeringen wereldwijd, die een dergelijke onwetendheid niet zonder reden beschouwen als een van de wezenlijke voorwaarden van hun macht. Het volk wordt bovendien verpletterd door zijn dagelijks werk en beroofd van vrije tijd, waarin het eens van gedachten zou kunnen wisselen of een boek zou kunnen lezen. Kortom, het heeft noch de middelen, noch de prikkeling die mensen nodig hebben om hun denken te ontwikkelen. Zo komt het dat het volk doorgaans kritiekloos het hele pakket van religieuze tradities accepteert. Op alle gebieden des levens krijgt het die al met de paplepel ingegoten, maar doordat ze ook nog kunstmatig in stand worden gehouden door allerlei officiële drugsdealers – priesters én leken –, worden die tradities tot een soort geestelijke en morele gewoonte die maar al te vaak machtiger is dan het gezonde verstand (bon sens) dat we van nature hebben.

Adam en Eva waren geen gorilla’s, maar wel nauw verwante neven daarvan

Er is een andere reden die het absurde geloof van het volk verklaart en in zekere zin wettigt: de ellendige toestand waartoe het volk onvermijdelijk wordt veroordeeld door de manier waarop economie en samenleving zijn georganiseerd, juist in de meest beschaafde landen van Europa. In geestelijk, moreel en materieel opzicht is het volk gekort tot een minimum van menselijk bestaan. Men zit in het eigen leven opgesloten als een gevangene in de cel, zonder horizon, zonder uitzicht, zelfs zonder toekomst. Als we de economen mogen geloven, zou het volk zelfs net zo kleinzielig en uitgeblust moeten zijn als de bourgeois, zodat het niet eens meer de behoefte zou voelen om te ontsnappen. Desalniettemin heeft het volk maar liefst drie manieren om dat laatste te doen. Twee daarvan berusten er weliswaar op fantasie, maar de derde is echt.

De twee eerste zijn de kroeg en de kerk – lichamelijke en geestelijke liederlijkheid. De derde manier is de sociale revolutie. Vandaar mijn conclusie dat alleen dit laatste middel geschikt is – veel geschikter tenminste dan alle theoretische propaganda van zogenaamde ‘vrijdenkers’ op godsdienstig gebied – om zowel het godsdienstige geloof als de liederlijke gewoonten van het volk met wortel en tak uit te roeien; dat geloof en die gewoonten zijn immers nauwer aan elkaar verwant dan men denkt. En voor zover de sociale revolutie de even illusoire als beestachtige genoegens van lichamelijke en geestelijke losbandigheid zal vervangen door de even verfijnde als reële genoegens van een voor elk en voor allen volledig verwezenlijkte menselijkheid, zo concludeer ik, zal alleen die revolutie de macht hebben om tegelijkertijd alle kroegen en kerken te sluiten.

Voltaire

Tot het zover is zal het volk echter geloven; als het daar al geen reden voor heeft, dan zal het er op z’n minst recht op hebben. Mutatis mutandis is er een categorie van lieden die zo niet zelf geloven, dan toch anderen doen geloven dat ze geloven. Dat zijn de verzamelde kwelgeesten, onderdrukkers en uitbuiters van de mensheid. Priesters, monarchen, staats- en krijgslieden, staats- en privaatfinanciers, ambtenaren in alle soorten en maten, politieagenten, gerechtsdienaren, cipiers en beulen, kapitalistische monopolisten, uitzuigers, aannemers en huisbazen, advocaten, economen, politici van alle kleuren, tot de laatste kruidenier toe – allen zullen zij met één stem deze woorden van Voltaire herhalen: ‘Indien God niet bestond, moest men hem uitvinden.’

En voor zover deze lieden hebben vastgesteld dat alle volkeren uit verleden en heden altijd hebben geloofd en nog geloven in het bestaan van een God, is het zonneklaar dat zij die ongelukkig genoeg zijn om daaraan te twijfelen, ongeacht de logica die ze daartoe heeft geleid, wel abnormale uitzonderingen moeten zijn – monsters!

Het idee van God historisch duiden dient onze gezondheid

De oudheid en de algemeenheid van een geloof zouden, tegen alle wetenschap en logica in, een voldoende en onweerlegbaar bewijs zijn voor de waarheid van een geloof. Maar waarom? Tot de eeuw van Galileï en Copernicus geloofde iedereen dat de zon om de aarde draaide. Bleek de hele wereld toen niet abuis? En wat is er ouder en algemener dan slavernij? Antropofagie – het gebruik om mensen te eten – misschien. Van de oorsprong van historische samenlevingen tot de dag van vandaag zijn tot arbeid gedwongen massa’s – slaven, hetzij in lijfeigenschap, hetzij in loondienst – uitgebuit door een minderheid die het voor het zeggen had: de onderdrukking der volkeren door Kerk en Staat. Maar moet je daar de conclusie uit trekken dat uitbuiting en onderdrukking nu eenmaal noodzakelijkerwijs bij het bestaan van de menselijke samenleving horen?

Bewijs

Het moge duidelijk zijn dat het ‘bewijs’ van de godsverdedigers helemaal niets bewijst. Niets is in werkelijkheid zo algemeen en zo oud als onrecht en absurditeit. Het zijn juist waarheid en rechtvaardigheid die in de ontwikkeling van menselijke samenlevingen het minst algemeen en ook het jongst zijn. Dit verklaart tevens waarom zij die als eerste een bepaalde waarheid en rechtvaardigheid verkondigen door de hele geschiedenis heen bruut werden en worden vervolgd, om te beginnen door de officiële, zelfverklaarde en maar al te belanghebbende vertegenwoordigers van het ‘algemene’ en ‘aloude’ geloof, maar vaak ook door de volksmassa’s zelf. Die folteren hen eerst eens flink, maar eindigen er steevast mee hun ideeën over te nemen en te laten overwinnen.

Dat wat de oudheid betreft. Wat de algemeenheid van een dwaling aangaat, zij bewijst maar één ding: dat de menselijke natuur in alle windstreken op elkaar lijkt, zo niet identiek is. En aangezien vaststaat dat alle volkeren in alle tijdvakken van hun leven hebben geloofd en nog steeds geloven in God, moeten wij daaruit simpelweg de conclusie trekken dat het idee ‘God’, helemaal en uitsluitend aan ons ontsproten, een historisch noodzakelijke dwaling is in de ontwikkeling van de mensheid. Wat we ons derhalve moeten afvragen is waarom en hoe deze dwaling zichzelf in de geschiedenis heeft voortgebracht en – wat op hetzelfde neerkomt – waarom een overweldigende meerderheid van de menselijke soort haar vandaag de dag nog steeds voor waar houdt.

Menselijke geschiedenis begon met een daad van ongehoorzaamheid

Zolang we ons geen rekenschap geven van de wijze waarop het idee van een bovennatuurlijke of goddelijke wereld uit de historische ontwikkeling van het menselijk bewustzijn is voortgekomen en daar wel uit móést voortkomen, kunnen we wel mooi wetenschappelijk overtuigd zijn van de ongerijmdheid ervan, maar zullen we er nooit in slagen het in de mening van de meerderheid te vernietigen. Ten slotte zullen we het dan niet weten aan te vallen in de diepe krochten zelf van het menselijk wezen, waar het geboren is, en zo veroordeeld zijn tot een vruchteloze strijd zonder uitkomst en zonder einde. Dan zullen we ons ermee tevreden moeten stellen het aan de oppervlakte, in zijn ontelbare verschijningsvormen, te bestrijden. Van aanvallen die ons weer bij zinnen moeten brengen trekt de absurditeit zich amper iets aan. Zij verschijnt net zo makkelijk weer in een nieuwe vorm die niet minder onzinnig is. Zolang de wortel van al die absurditeiten die de wereld kwellen – het geloof in God – ongeschonden blijft, zal ze nieuwe loten blijven schieten. Zo zien we nu hoe het spiritisme zich in bepaalde kringen van de hoogste maatschappij vestigt op de puinhopen van het christendom.

Het is niet alleen in het belang van de massa’s, maar komt ook onze eigen geestelijke gezondheid ten goede dat we de moeite doen om de historische wording van het idee ‘God’ te begrijpen – de opeenvolging van oorzaken die dat idee in het menselijk bewustzijn heeft ontwikkeld en voortgebracht. Want we mogen dan wel zeggen en geloven dat we atheïsten zijn, zolang we deze oorzaken niet begrijpen, zullen we altijd min of meer horig blijven aan de roep van dat ‘algemene’ bewustzijn waar we het geheim nog niet aan hebben ontfutseld. En omdat zelfs het sterkste individu van nature zwak is tegenover de almachtige invloed van het sociale milieu dat hem omgeeft, lopen wij altijd gevaar om vroeg of laat op de een of andere manier weer in de afgrond van de religieuze absurditeit te vallen.

De idealisten mogen zich hun God – tegen alle gezond verstand en ervaringen uit de geschiedenis in – dan mooi voorstellen als door de tederste liefde voor de menselijke vrijheid bewogen, maar een meester, wat hij ook doet en hoe vrijzinnig hij zich ook wil tonen, blijft niettemin altijd een meester. Zijn bestaan impliceert noodzakelijkerwijs de slavernij van alles wat zich onder hem bevindt. Dus als God bestond, dan zou er voor hem slechts één middel zijn om de menselijke vrijheid te dienen: hij zou moeten ophouden te bestaan.

Met liefde en zorg voor de menselijke vrijheid bezield, die ik als dé voorwaarde beschouw van al wat wij aan de mensheid bewonderen en hoogachten, keer ik het gezegde van Voltaire om en zeg: als God bestond, zou men hem moeten afschaffen.

* In de alchemie is caput mortuum (letterlijk: ‘dood hoofd’) de benaming voor de waardeloze stof die overblijft na een (al)chemische bewerking

Dit is een voorpublicatie uit God, de staat en andere vormen van dictatuur van Michail Bakoenin dat op 6 juni verschijnt bij uitgeverij Noordboek. Vertaling: Mark Leegsma, J.A. Fortuyn en Jaap Kloosterman. 176 blz, € 22,50.