Filosoof Michel Dijkstra volgt de twijfel door de geschiedenis van de filosofie en onderzoekt wanneer twijfelen vruchtbaar is.
‘De hemel is blauwachtig. Heeft hij echt die kleur? Is zijn wijdte onmetelijk?’ Deze vragen zijn te vinden in de Zhuangzi, een basistekst van het taoïsme uit 400 v.Chr. Ondanks de grote afstand in tijd, plaats en cultuur klinken ze verrassend vertrouwd. Aan onze zintuigen twijfelen lijkt daarmee van alle tijden. Wie met kinderen of jongvolwassenen filosofeert, ontdekt dat vrijwel iedereen ‘aan’ gaat bij de vraag naar de waarneming van kleuren: ‘Ik zie dat dit stukje papier blauw is, maar zie jij dat ook? Is het papiertje voor jou misschien groen? Bestaat de kleur blauw eigenlijk wel?’ Maar scepsis in de wereldfilosofie kent, naast twijfel aan de zintuigen, veel meer vormen. Elk heeft zijn eigen vragen, methode en – niet onbelangrijk – een eigen uitweg uit de twijfel.
Een beroemde school van twijfelaars uit de westerse filosofie was die van de Griekse sceptici, met als kopstuk Pyrrho van Elis (ca. 360-270 v.Chr.). Opvallend genoeg betekent het Griekse woord skeptikoi ‘onderzoekers’. Deze groep denkers vroeg zich af wat we wel en niet kunnen weten over de werkelijkheid. Hun antwoord luidde dat zekere kennis onmogelijk is. Die stelling klinkt misschien als een open deur, maar heeft verstrekkende gevolgen voor de manier waarop je leeft; hun scepticisme leidt uiteindelijk tot een onthechte levenshouding.
Een van Pyrrho‘s beroemde uitspraken is namelijk: ‘Ieder argument kun je met een tegenargument beantwoorden.’ Als twee even fanatieke gesprekspartners een filosofische discussie met elkaar aangaan, komt hier geen einde aan. Een verstandig mens laat zich volgens Pyrrho echter niet opsluiten in zo’n wijsgerig welles-nietes-spelletje, maar gaat over tot de zogeheten ‘opschorting van het oordeel’. Met andere woorden: hij onderdrukt zijn impuls om direct tegen de woorden van de tegenstander in te gaan. Op die manier doet de scepticus als het ware een stapje terug en creëert hij ruimte voor reflectie. Hij ontdekt dat voor beide standpunten evenveel te zeggen valt. Dit geldt feitelijk voor alle filosofische standpunten.
Zelfgenoegzame zekerheid doodt elke vorm van nieuwsgierigheid
Een beroemd beeld waarmee de Griekse sceptici de gelijkwaardigheid van alle meningen illustreren, is de weegschaal. Wie inziet dat elk argument door een tegenargument in balans wordt gehouden, hecht niet meer aan zijn eigen gelijk en trekt zich terug uit een filosofisch twistgesprek. Zo bereikt de wijze ataraxia: innerlijke onverstoorbaarheid. Voor de Griekse sceptici is twijfel dus geen doel op zich, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een rustig leven.
Onrust
René Descartes (1596-1650), wellicht de beroemdste twijfelaar uit de westerse filosofie, kan zich niet vinden in het onverstoorbaarheidsideaal van Pyrrho. Hij kiest juist voor de onrust van de twijfel. In de ‘methodische twijfel’ uit zijn Meditaties over de eerste filosofie (1641) stelt hij alles wat voor zekere kennis doorgaat ter discussie. Descartes wil aan alles twijfelen en onthult ook direct het doel van zijn radicale scepsis: om tot onbetwijfelbare, absoluut zekere kennis te komen. Hij stelt dat onze zintuigen ons kunnen bedriegen, waardoor je nooit zeker weet of empirische kennis betrouwbaar is. Op de snelweg kan ik in de verte waterplassen zien liggen, maar zodra ik ze nader, blijken ze een luchtspiegeling. Daarnaast kan ook de zogeheten rationalistische kennis (alles wat ik met mijn geest bedenk) onjuist zijn, want misschien is er wel een kwade demon die mij van alles influistert. Op die manier raakt Descartes in een kennistheoretische crisis verzeild.
Eén ding houdt echter stand: dat hij twijfelt. Om te kunnen twijfelen, moet je kunnen denken en om te kunnen denken, moet je bestaan. Deze redenering loopt uit op het wereldberoemde ‘Cogito, ergo sum!’ (‘Ik denk, dus ik ben’). Hierbij rekent Descartes en passant af met de kwade geest, want de goede God zou zo‘n geestelijke bedrieger nooit toestaan. Met zijn nadruk op God blijkt hoe sterk Descartes nog voortbouwt op het middeleeuwse denken. Zo kun je zijn formule ‘Cogito, ergo sum’ opvatten als een variant op het ‘Fallor, sum’ van kerkvader Augustinus (354-430): ‘Ik word misleid, dus ik ben.’ Opmerkelijk genoeg gebruikte Augustinus die gedachte juist tégen de sceptici van zijn tijd (de zogeheten ‘Academici’). Zij stelden dat je nooit zeker kunt zijn van je bestaan, omdat je zintuigen je kunnen bedriegen. Volgens Augustinus klopt deze redenering niet, want ook als je wordt misleid, is er sprake van een reëel bestaand ‘ik’. Hoe zou je anders misleid kunnen worden?
Moedig volhouden
Descartes’ gebruik van twijfel als opstapje tot kennistheoretische en geloofswaarheden wordt fel bekritiseerd door de Amerikaanse wetenschapper en wiskundige Charles Peirce (1839-1914). Hij bestempelt Descartes’ twijfelexperiment als ‘kunstmatig’. De Franse filosoof doet wel alsof hij alles in twijfel trekt, maar volgt feitelijk zijn stappenplan om tot onbetwistbare kennis te komen. Met andere woorden: Descartes twijfelt niet met zijn hart. Tegenover die kunstmatige twijfel plaatst Peirce de ‘echte, levende twijfel’. Wie met zijn hele hart twijfelt, bevindt zich in een kentheoretische impasse: hij weet niet langer wat hij voor waar kan houden. Tegelijkertijd is hij volledig open en bereid om nieuwe inzichten op te doen.
Tao is het perspectief dat alle perspectieven mogelijk maakt
Peirce benadrukt dat we à la Descartes al snel geneigd zijn om de levende twijfel op te heffen met een schijnzekerheid. Radicale twijfel is moeilijk uit te houden, want we lopen voortdurend het gevaar om in een existentiële crisis te belanden. Toch roept Peirce zijn lezers op om de twijfel moedig vol te houden, want zelfgenoegzame zekerheid doodt elke vorm van nieuwsgierigheid. Toch kiest Peirce uiteindelijk zelf ook voor een oplossing van de twijfel. Naast filosoof was Peirce bètawetenschapper en hij stelt dat je levende twijfel alleen teniet kan doen door gedegen wetenschappelijk onderzoek. Ook hier kom je nooit tot een ultieme waarheid, maar je kunt in ieder geval met collega-wetenschappers afspreken wat waar is. Deze consensustheorie van de waarheid van Peirce is bruikbaar in de wetenschap, maar je existentiële twijfels verdwijnen er niet mee.
Het zou kunnen dat het onmogelijk is om de ‘levende twijfel’, zoals Peirce die beschrijft, langdurig uit te houden. Toch bestaat er misschien een levenskunst waarin twijfel niet hoeft te worden opgelost. De antiek-Chinese Zhuangzi biedt zo’n levenshouding. In deze geschriftenbundel wordt niet alleen getwijfeld aan empirische kennis, maar ook aan alle standpunten die wij in een filosofisch twistgesprek kunnen aannemen. Zhuang Zi noemt het eigen standpunt ‘dit’: wat juist en vertrouwd voelt. Het standpunt van de ander is ‘dat’: wat vreemd en onjuist lijkt. Zhuang Zi stelt dat we geneigd zijn om ‘dit’ en ‘dat’ als opposities te denken. We blijven op ons eigen gelijk staan en laten geen twijfel toe.
Maar je kunt ook afstand nemen van zowel je eigen standpunt als dat van je opponent. Dit noemt Zhuang Zi ‘de spil van Tao’ (of de Weg). Hierbij gebruikt hij de metafoor van het pottenbakkerswiel, dat rond een as draait. Op dit denkbeeldige wiel draaien alle mogelijke dit- en dat-standpunten om elkaar heen. Hierbij ziet de wijze mens volgens Zhuang Zi in dat ‘er geen dingen zijn die niet “dat” zijn en geen dingen zijn die niet “dit” zijn. Dat ze zelf ook “dat” zijn, zien ze niet. Ze weten alleen wat ze zelf weten. Daarom wordt er gezegd: “Het dat komt voort uit het dit en het dit berust weer op een dat”.’ Met andere woorden: de wijze mens begrijpt dat zijn ‘juist’ een ‘onjuist’ voor de ander is en vice versa. Op die manier bestaat er geen ultiem juist of onjuist, maar zijn beide posities van elkaar afhankelijk: ‘“Dat” ontstaat zodat “dit” er is en andersom. Hoe het ook zij, zodra er leven is, is er dood.’
Vrij en blij
Het taoïstische inzicht dat we geen ultieme waarheid kunnen bereiken, levert net als bij de Griekse sceptici gemoedsrust op. Maar er is meer. Het is volgens Zhuang Zi mogelijk om op het ‘standpunt’ van de spil van Tao te staan. Op dat moment bevindt de mens zich in het lege midden en ziet hij de gehele oneindige hoeveelheid ‘dit’-standpunten en ‘dat’-standpunten om zich heen draaien. Strikt genomen is dit geen standpunt meer, maar pure openheid. Deze leegte wordt ‘Tao’ genoemd: het ‘perspectief’ dat alle perspectieven mogelijk maakt, zonder met een van die perspectieven samen te vallen.
De wijze mens, die zich op de spil van Tao bevindt, neemt net als de Griekse sceptici geen deel aan filosofische discussies. Tegelijkertijd houdt hij de twijfel aan de juistheid (of onjuistheid) van ieder standpunt open. Deze scepsis stort hem echter niet in een existentiële crisis, maar levert paradoxaal genoeg vrijheid op. De wijze mens kan ‘vrij en blij’ zwerven voorbij alle gefixeerde meningen.
Of, zoals Zhuang Zi het zelf formuleert: ‘Kom! Laten we gaan zwerven in het land van niemendal. En laten we alle filosofische discussies op een hoop gooien, want die zijn nutteloos.’ De grap is natuurlijk dat het ‘beëindigen van filosofische twistgesprekken’ zelf ook weer een wijsgerige uitspraak is die het nodige commentaar oplevert. Waar deze weg op uitkomt, is onduidelijk. Maar één ding is zeker: zolang we twijfel gebruiken om openheid en nieuwsgierigheid te cultiveren, kunnen we ons in alles en iedereen verplaatsen. Zonder het met iets of iemand ultiem eens of oneens te zijn, vinden we verbinding. De ware twijfelaar is overal thuis.