Home Filosofie en literatuur De moed om anders te denken | recensie
Filosofie en literatuur

De moed om anders te denken | recensie

Door Koen Schouwenburg op 22 oktober 2026

Grazia Borrini Feyerabend en Paul Feyerabend
Paul Feyerabend (1924-1994). beeld Gbfoverlake2023/Wikimedia Commons
Filosofie Magazine twijfel Is twijfelen een vorm van vrijheid?
11-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine

Wolfram Eilenberger brengt Sontag, Foucault, Feyerabend en Adorno samen als eigenzinnige geesten die het aandurfden anders te denken.

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Het kantiaanse sapere aude – durf te weten – is wat Susan Sontag, Michel Foucault, Paul Feyerabend en Theodor Adorno met elkaar verbindt, aldus Wolfram Eilenberger aan het einde van Geesten van het heden. Zij belichaamden ‘op voorbeeldige wijze een leven in de geest van de Verlichting’. In zijn bekende korte essay Wat is Verlichting? koppelt Kant verlichting aan mondigheid: het vermogen om zelfstandig, zonder leiding van een ander, te denken. De Tweede Wereldoorlog was voor Sontag, Foucault, Feyerabend en Adorno het bewijs dat het klakkeloos navolgen van anderen catastrofale consequenties kon hebben. Hoofddoel na de bevrijding was dus: mondig leven.

Net als in Het tijdperk van de tovenaars en Het vuur van de vrijheid is Eilenberger romanschrijver en docent ineen. Hij wisselt verhalende passages over de levens van zijn protagonisten af met het uitleggen en interpreteren van hun gedachtegoed. De opzet is hetzelfde, maar Eilenberger haalt niet het niveau van zijn eerdere werk. Daarvoor is dit boek bij vlagen te stroef geschreven.

Ballingschap

Geesten van het heden begint in 1949 als Theodor W. Adorno (1903-1969), na zijn jarenlange ballingschap in de Verenigde Staten, terugkeert naar Duitsland. Daar gaat hij filosofie doceren aan de Universiteit van Frankfurt. ‘Het dystopische mikpunt van Adorno’s gehele denken en voelen,’ schrijft Eilenberger, ‘blijft een fascisme dat zich tijdens zijn leven versterkte, dood en verderf verspreidde.’ In zijn Minima moralia (1951) koppelt Adorno op indringende wijze het fascisme aan een herinnering uit zijn kinderjaren. Vijf schoolkameraden geven hun klasgenootje een plak slaag. Als het slachtoffer zijn beklag doet bij de leraar, wordt hij gebrandmerkt als verrader. Het ideaal van het mondige leven werd hardhandig gelogenstraft: ‘In het fascisme is de nachtmerrie van de kinderjaren werkelijkheid geworden.’

Hoe anders verlopen de jeugdjaren van de Oostenrijker Paul Feyerabend (1924-1994): hij is lid van de Hitlerjeugd en dient vanaf eind 1943 in Hitlers leger aan het oostelijke front. Na de oorlog promoveert hij in Wenen. Hij stort zich op de wetenschapstheorie, logica en taalfilosofie, oftewel: het hele spectrum van wat bekend zal worden als ‘analytische filosofie’. Feyerabend – zijn ware passie was televisiekijken – doceert in Engeland, Amerika en Zwitserland. Zijn eerste boek verschijnt pas in 1975: Tegen de methode. Het wordt een knaller. Volgens Feyerabend is er niet zoiets als dé wetenschappelijke methode. Hij pleit voor ongedwongen pluralisme en wordt ongewild het boegbeeld van de postmoderne slogan anything goes.

Petities

De titel van Feyerabends hoofdwerk is een saluut aan Sontags bekendste essaybundel Tegen interpretatie (1966). In tegenstelling tot de drie mannelijke hoofdpersonen is Sontag (1933-2004) geen filosofieprofessor aan een universiteit. Qua intellect en scherpzinnigheid doet ze echter niet voor ze onder. Ze combineert filosofie met literatuur en kan haar ideeën dan ook beter verwoorden dan de academici. Dat wordt duidelijk als Eilenberger ruimhartig citeert uit haar essays ‘Tegen interpretatie’, ‘Notities over “camp”’ en het indrukwekkende ‘Eén cultuur en de nieuwe sensibiliteit’. Dat is een vernuftige analyse van een cultuur op drift in de opgewonden decennia na de oorlog.

En de tweede helft van de twintigste eeuw is bijzonder roerig, culminerend in de studentenopstanden van 1968. Michel Foucault (1926-1984) woont op dat moment in Tunesië, maar een jaar later strijdt hij met de studenten van de Universiteit van Vincennes mee tegen de oproerpolitie. Even daarvoor heeft hij naam gemaakt met De woorden en de dingen (1966). Net als Adorno is Foucault een publieke intellectueel geworden: ‘Het aantal door Foucault ondertekende petities bereikte ondertussen sartriaanse dimensies.’

Na veel omzwervingen wordt Foucault aangesteld als hoogleraar aan het prestigieuze Collège de France. In december 1970 ontvouwt hij in zijn inaugurele rede de hypothese ‘dat in elke samenleving de productie van het discours tegelijkertijd gecontroleerd, geselecteerd, georganiseerd en gekanaliseerd wordt’. Daarmee bedoelt hij dat onzichtbare regels bepalen wie er mag spreken, waarover gesproken mag worden en wat als ‘de waarheid’ wordt gezien. Het is een van de kerngedachten van zijn populaire oeuvre.

Even tussendoor …

Meer lezen over filosofie? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

In 1984 overlijdt Foucault aan aids. Op zijn begrafenis leest Gilles Deleuze een passage voor uit het tweede deel van zijn Geschiedenis van de seksualiteit: ‘Maar wat is de filosofie heden ten dage – ik bedoel de filosofische activiteit – anders dan de kritische arbeid van het denken aan zichzelf? Bestaat ze niet, in plaats van te rechtvaardigen wat we al weten, in de inspanning om te weten hoe en in hoeverre het mogelijk zou zijn om anders te denken?’ De moed om anders te denken, dat is wat deze vier geesten van het heden typeert.

Loginmenu afsluiten