Home Theodor W. Adorno: Goed leven in een foute wereld

Theodor W. Adorno: Goed leven in een foute wereld

Door Bert van den Brink op 04 juni 2013

Cover van 06-2013
06-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Na de Tweede Wereldoorlog is de beschaafde wereld van de jonge Adorno verdwenen. Hoe nu verder? Zijn antwoord is op het eerste gezicht onthutsend: ‘Op het water drijven en vredig naar de hemel turen, alleen maar zijn, zonder enig doel en vervulling.’

‘Es gibt kein richtiges Leben im falschen.’ Zo luidt de beroemdste zin uit Theodor W. Adorno’s Minima Moralia (1951).  Ze zet de toon voor het boek, met een negatief antwoord op een oude filosofische vraag: is het mogelijk een juist leven te leiden in een verkeerde wereld?

De ondertitel van het boek – Reflecties uit het beschadigde leven – duidt op het failliet van hoogdravende idealen van Verlichting en burgerlijke beschaving aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Die idealen hadden vanaf zijn goed-burgerlijke jeugd Adorno’s persoonlijke en intellectuele horizon gevormd. Maar de goed-burgerlijke, beschaafde wereld is verdwenen. Zij heeft haar vermeende onschuld verloren door de gruwelen van het totalitarisme en de Holocaust. Omdat zowel het persoonlijke als het maatschappelijk leven zwaar beschadigd zijn, is het nog veel moeilijker geworden te weten wat het betekent om juist te leven dan het altijd al was.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In het Institut für Sozialforschung in Adorno’s geboortestad Frankfurt am Main werken intellectuelen als Max Horkheimer, Herbert Marcuse en Erich Fromm vanaf het begin van de jaren dertig aan filosofische, sociologische en psychologische onderzoeken om te achterhalen waarom de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap uit de Europese Verlichting niet hadden geleid tot een rechtvaardige wereld. Adorno was aanvankelijk geen lid van het instituut maar publiceerde zijn werk regelmatig in een tijdschrift ervan.

De onderzoekers het Frankfurter Institut für Sozialforschung waren ­voor die tijd tamelijk ondogmatische linkse intellectuelen. Ze combineerden een marxistische aandacht voor de materiële omstandigheden van een vervuld leven met een liberale focus op de onafhankelijkheid en onschendbaarheid van het individu. Anders dan veel andere linkse intellectuelen uit die tijd zagen ze al vroeg dat nationaalsocialisme en stalinisme variaties waren op één totalitair thema: controle van de massa door haar uit te leveren aan een verblindend onware ideologie. Flirten met de Sovjet-Unie in reactie op het nationaalsocialisme was de leden van het Institut dan ook vreemd. Niet voor niets waren ze – als zowel linkse als Joodse intellectuelen – niet lang na Hitlers machtsovername in 1933, uit Duitsland gevlucht naar Anglo-Amerikaanse landen: de vrijheid van het individu is een eerste vereiste voor sociale en intellectuele vrijheid.

Pessimistisch

Adorno verliet Duitsland begin 1934 en vestigde zich na een periode in Oxford en New York in 1938 in California. Max Horkheimer trachtte daar als directeur in ballingschap het werk rond het Institut in leven te houden. Hij bood Adorno een vaste positie aan. In Californië schreven de vrienden zowel samen als apart van elkaar enkele van hun belangrijkste werken.

Hun belangrijkste gezamenlijke werk is Dialektik der AufklärungDialektiek van de Verlichting. Het verscheen in 1947 bij Querido in Amsterdam maar was al vrijwel afgerond in 1944, het jaar waarin Adorno aan zijn Minima Moralia begon. In Dialektik der Aufklärung ontwikkelen de vrienden een diep pessimistische geschiedfilosofische these, waartoe Adorno zich in Minima Moralia in ethische reflecties verhoudt.

De geschiedfilosofische these kent drie delen. Het eerste luidt dat Verlichting het menselijk streven is om door rationele controle aan de macht van natuur en mythisch bewustzijn te ontkomen. Door te leren de natuur te manipuleren en mythische verhalen te ontmaskeren als verzinsels, wordt de mens baas over natuur en mythische machten. Homerus’ Odysseus – die zich op zijn tocht van het slagveld terug naar huis speels-manipulatief verhoudt tot mythische machten – interpreteren ze als de eerste burgerman! Door list en slimheid ontworstelt hij zich aan de ban van natuur en mythe. De prijs die hij daarvoor betaald is die van vervreemding. Door altijd rationeel te moeten zijn kan Odysseus zich niet meer overgeven aan de schoonheid en passie in de natuur en in zichzelf.    

Het tweede deel van de these luidt dat de mens zichzelf geweld moet aandoen om die vervreemdende rationele controle uit te oefenen. Odysseus laat zich binden aan de mast van zijn schip om het hemelse gezang van de Sirenen te kunnen horen, zonder zichzelf overboord te werpen in het verlangen één te worden met die hemelse schoonheid (lees: natuur). Maar met zijn slimheid gaat ook iets verloren: zijn genot is niet puur maar beperkt door striemende banden.

Het derde deel van de these stelt dat de schijnbaar vrije en autonome mens troostende mythes nodig heeft die de striemende pijn van de vervreemding verjagen. Verlichting levert dus geen bevrijding op van alle mythes, maar een terugkeer ervan. Horkheimer en Adorno zien in de donkerste jaren van de twintigste eeuw drie van dergelijke mythes: de nationalistische Blut und Bodenmythe van het nationaalsocialisme; de socialistische gelijkheidswaan van het stalinisme; de kapitalistische consumptiedroom van het ‘vrije Westen’. De eerste twee laten het individu verdwijnen in een alles gelijkmakende massa, die vernietigt wat niet gelijk wil zijn. De laatste geeft het individu slechts schijnbaar veel vrijheid: ruimte om steeds meer zinloze producten te consumeren zonder nog te kunnen vragen waartoe eigenlijk.
 

Puinhopen

In Minima Moralia is Adorno geïnteresseerd in de vraag of het mogelijk is om op deze puinhopen van Verlichting een ethisch juist leven te leiden. Het antwoord luidt: ‘Nee’. In aforisme 18 geeft Adorno een heldere aanbeveling over het vormgeven van het persoonlijk leven in een vervallen wereld:

‘De beste opstelling tegenover dit alles lijkt er een van vrijblijvendheid en uitstel te zijn: een privéleven leiden zolang de maatschappelijke orde en de eigen behoeften niets anders toestaan, maar er niet zoveel waarde aan hechten, alsof het nog in maatschappelijke zin substantieel en in individuele zin adequaat is.’

 Daarmee bedoelt hij dat het private leven ook in een verkeerde wereld mag en moet worden geleefd, maar dat het een geïsoleerd bestaan impliceert, dat niet is verbonden met zinvolle maatschappelijke doelen. De enige volgens Adorno overgebleven maatschappelijke doelen zijn macht en financieel gewin. Persoonlijke vervulling is aardig, maar die maakt de verkeerde wereld geen haar beter. Daarom is het maar beter een gedistantieerde houding aan te nemen. Het is een ontluisterend harde conclusie van een intellectueel die vaststelt dat de maatschappelijke omstandigheden  zijn emancipatoire idealen onontkoombaar ondergraven.
Adorno werkt zijn these vooral uit voor de vroege Amerikaanse consumptiemaatschappij waarin hij als vluchteling is terechtgekomen. Die maatschappij privatiseert alle verlangens en begeertes en bindt ze aan producten die kunnen worden gekocht en geconsumeerd. Dat is een methode van depolitisering: menselijke passies worden gericht op economisch bevredigbare behoeften in plaats van op politieke of revolutionaire doelen. Om het hedendaags uit te drukken: liever de nieuwste iPad dan een kritische vraag over de omstandigheden in de fabrieken waarin het ding is vervaardigd.

Op dat punt duikt de mythe weer op. Adorno herkent in de Amerikaanse amusements- en consumptiecultuur een enorme vervlakking van menselijke relaties. Die gaat gepaard aan een paradoxale vorm van wat we ‘gelukkige onderdrukking’ kunnen noemen. De mensen wíllen voor de gek worden gehouden; ze lopen met graagte weg voor het besef van hun onvrijheid en onderdrukking. Liever dan de maatschappelijke orde te bevragen, of er een gedistantieerde houding toe te ontwikkelen, richten ze zich op de bevrediging van maatschappelijk gecreëerde consumptiebehoeftes.

Die visie klinkt een stuk belegener dan die midden jaren veertig was. Adorno wordt in de academische literatuur alom geroemd als een heel vroege en scherpzinnige criticus van de consumptie- en amusementscultuur die de westerse wereld pas vanaf de jaren zeventig groots zou gaan veroveren. Het boek is een genot juist door de wijze waarop Adorno zijn visie verwoordt. Hij is een speelse, briljante auteur, die even zwartgallig als grappig kan zijn in de verwoording van zijn snoeiharde conclusies:

‘Je zou de mensen die zich voordoen als levend bewijs van hun kwieke vitaliteit en blakende levenskracht gemakkelijk kunnen beschouwen als geprepareerde lijken voor wie men het nieuws van hun niet helemaal geslaagde overlijden uit bevolkingspolitieke redenen verborgen houdt.’ (aforisme 36)

Is er dan helemaal geen hoop? Kan het leven op geen enkele manier goed worden geleefd? De enige hoop schuilt in een kritische manier van beschouwen van de hopeloos vervallen, verkeerde wereld. Adorno ontwikkelt in de loop van Minima Moralia wat ik een “ethiek van weerstand” zou willen noemen. Die ethiek is overigens geheel vrij van activisme: aan activisme had Adorno een broertje dood. Net als de maatschappelijke ordes waartegen het wordt ingezet neigt het naar een dogmatisch geloof in het eigen gelijk dat gemakkelijk eindigt in geweld. Dat verklaart ook waarom Adorno twintig jaar later zo’n grote moeite had met de radicale Duitse studentenbeweging, die juist in hem een intellectuele held zag.

Adorno’s weerstand tegen heersende machten is puur contemplatief van aard. Contemplatie beschrijft hij niet als zuiver denken maar als een manier van aandachtig kijken, die wat gezien wordt niet simpelweg in beslag neemt, maar het wil zien voor wat het is.  ‘[…] de lange contemplatieve blik, die mensen en dingen pas tot ontplooiing brengt, is er altijd een waarin de drang naar het object gebroken, gereflecteerd is.’ (Aforisme 54) De contemplatieve blik ziet de mens niet op voorgeschreven wijze als Ariër of Jood, kapitalist of kameraad; consument of entrepreneur; maar als dat wat door die categorieën wordt onderdrukt. En daarin zit enige hoop. Onder de maatschappelijke voorgeschreven sjablonen gaat een werkelijkheid van onderdrukte verlangens en mogelijkheden schuil, die de wereld veel rijker maken dan ze aanvankelijk lijkt te zijn. Contemplatie maakt ons van die oneindig diverse wereld bewust en kan die tot ontplooiing helpen brengen. In een goede wereld zou juist diversiteit bloeien en niet worden onderdrukt door een totalitaire of kapitalistische orde.       

Adorno opent het laatste aforisme, 153, met een oproep filosofie te bedrijven juist vanuit zo’n contemplatieve houding:

‘De enige filosofie die ten overstaan van de vertwijfeling nog kan worden verantwoord, is de poging alle dingen te bekijken zoals ze zich vanuit het standpunt van de verlossing zouden presenteren.’

Verlossing betekent voor Adorno een bestaan van mensen en dingen dat is bevrijd van de manipulatieve hang om door controle vrij te worden. In een wereld vrij van controle kan alles verschijnen zoals het is, vrij van de dwang van beknellende categorieën en ideologieën.

Adorno is overigens niet in staat de horizon van verlossing helder te verwoorden. En dat wéét hij: zelfs een voorzichtige filosofische poging die horizon te omschrijven dreigt direct vast te lopen in precies de beknelling door categorieën en ideologieën waaraan ze wil ontkomen. Dus blijft zijn benadering steeds negatief; hij benoemt het probleem, zonder een oplossing te bieden.

Voor wie een maakbare wereld wil, of een filosofie van maakbaarheid, is Adorno ronduit een vreselijk denker. Maar de grote vermoeidheid met wereldverbeteraars die in zijn werk doorklinkt is toch vooral enorm verfrissend. Adorno’s ethiek kent geen gemakkelijke oplossingen. Hij stelt enig vertrouwen in een houding van gelatenheid. Hoopvol stelt hij in het sleutelaforisme 100, Sur l’eau:

‘Misschien wordt de ware samenleving de ontwikkeling wel beu en laat ze, vrij als ze is, mogelijkheden onbenut in plaats van onder dwaze dwang op vreemde sterren af te stormen.’

 
Waarna de auteur een tipje van de sluier oplicht voor wat betreft zijn diepste persoonlijke voorstellingen van verzoening:

Rien faire comme une bête, op het water drijven en vredig naar de hemel turen, “alleen maar zijn, zonder enig doel en vervulling”, zou in de plaats kunnen komen van processen, handelingen, resultaten … Geen enkel abstract begrip  komt dichter in de buurt van de vervulde utopie dan dat van de eeuwige vrede.’