Home Historisch profiel De mens is het dier dat geen dier wil zijn, volgens Mary Midgley
Historisch profiel

De mens is het dier dat geen dier wil zijn, volgens Mary Midgley

Door Alies Pegtel op 13 juli 2026

filosoof Mary Midgley op hoge leeftijd
beeld ANP/Sarah Lee
Cover van
07-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
De Britse denker Mary Midgley (1919-2018) beschouwde de filosoof als een soort loodgieter, die lekkende ideeën repareert.

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

De Britse moraalfilosoof Mary Midgley debuteert in 1978 met Beast and man. The roots of human nature (Beest en mens. De wortels van de menselijke natuur). Ze is negenenvijftig jaar, heeft drie zonen opgevoed, en heeft eindelijk haar handen vrij om zich aan het schrijven te wijden. Eenmaal bezig raakt ze goed op stoom. Er volgen nog achttien boeken en honderden artikelen over dierenrechten, ethiek, wetenschap en de rol van mythen en poëzie.

In Beast and man verbindt Midgley (1919-2018) ethiek met biologie. Met de openingszin zet zij de toon, ook voor haar latere werk: ‘We lijken niet op dieren, we zijn dieren.’ Terwijl filosofen eeuwenlang de mens afzetten tegen het dier, stelt Midgley dat de mens een dier is en dat alle levende wezens op de planeet met elkaar verbonden zijn. Ze heeft grote bewondering voor Charles Darwin en meent dat het bestaan op aarde alleen betekenis heeft in het licht van de evolutie. Midgley’s filosofie is holistisch: in lijn met Aristoteles ziet zij de mens als een natuurlijk, sociaal en emotioneel wezen met een moraal die voortvloeit uit zijn karakter en gewoonten.

Tot Midgley’s grote verdriet is met Plato een lange traditie begonnen in de westerse filosofie die de mens opsplitst in twee delen. Met zijn rede zou de mens zijn ‘dierlijke’ driften en emoties moeten onderdrukken. Dat de mens dankzij zijn verstand als exceptioneel wezen wordt gezien, verheven boven het dier, heeft hem sinds Plato losgekoppeld van de natuur. Zo scheidt René Descartes met zijn ‘Ik denk, dus ik bende geest van lichaam, emoties en sociale relaties. Volgens Midgley heeft Descartes met zijn mechanistische mensbeeld de mens van zichzelf vervreemd. Op Thomas Hobbes is ze ook kritisch, omdat hij benadrukt dat de mens egoïstisch en conflictueus is, terwijl Midgley stelt dat mensen van nature ook sociaal, zorgzaam en altruïstisch zijn.

Wolvengemeenschap

In Beast and man probeert Midgley in de traditie van Aristoteles de mens terug te voeren naar zijn dierlijke oorsprong. Anders dan haar filosofische voorgangers kan zij gebruikmaken van een piepjonge tak van de biologie, de ethologie, die het gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving bestudeert. Onderzoekers hebben dan net ontdekt dat dolfijnen communiceren in een eigen taal en dat in wolvengemeenschappen morele codes gelden. Midgley verslindt al dit nieuwe onderzoek.

Op grond hiervan concludeert zij dat mensen en dieren sociale gedragspatronen, driften en basale emoties delen. We gaan onszelf volgens haar beter begrijpen als we onze dierlijke wortels en instincten herkennen, want we zijn van onszelf vervreemd geraakt door onze natuurlijke oorsprong weg te drukken. In het overzichtswerk The essential Mary Midgley, waaraan ook haar zoon David bijdraagt, staat een voorbeeld van Midgleys denken: ‘Paul koopt een huis met een hectare grond, hoewel hij zich dit financieel bijna niet kan veroorloven.’ Volgens een econoom neemt Paul dat risico in de hoop later winst te kunnen maken. Maar Midgley denkt dat Paul die kostbare, grote lap grond ook aanschaft omdat hij het net als veel dieren bedreigend vindt om door vreemden te worden aangestaard. De instinctieve behoefte om een eigen ­ter­ritorium af te schermen, is ook bij de mens aanwezig.

Begrijpen is iets uit elkaar halen en weer in elkaar zetten

Ondanks dat Midgley gelooft in aangeboren gedragspatronen, is ze wars van biologisch determinisme. Territoriumdrift is slechts een van de vele factoren die het handelen van een mens bepaalt. Het is simplistisch om te stellen dat oorlogen ontstaan doordat mensen territoriale dieren zijn die hun grenzen willen bewaken, want de mens is evenzeer geneigd tot samenwerking en heeft het vermogen culturen te bouwen. Menselijk gedrag is volgens Midgley altijd gelaagd. Het is een complex samenspel tussen emoties, sociale context, interpretatie, cultuur, reflectie en morele keuzes.

Met de evolutiebioloog Richard Dawkins voert ze vanaf 1979 in het blad Philosophy een felle polemiek. Hij is auteur van de bestseller The selfish gene (De zelfzuchtige genen, 1976), waarin hij de evolutie bekijkt vanuit de overdracht van genen. Midgley verwijt hem dat hij lezers de kans geeft om zijn populaire metafoor van ‘het egoïstische gen’ te misbruiken. Het geeft neoliberale ideologen bijvoorbeeld een vrijbrief om sociale voorzieningen af te breken, omdat de mens nu eenmaal van nature zelfzuchtig zou zijn. Woorden doen ertoe, stelt Midgley, ze kunnen grote schade aanrichten.

Eveneens verzet ze zich tegen wetenschappelijk reductionisme. Vergaande specialisatie in vakgebieden leidt tot versplintering van kennis, wat voorkomt dat we onszelf en de wereld beter begrijpen. Begrijpen betekent dat je iets uit elkaar haalt en dat je, net als bij de reparatie van een auto, de losse deeltjes vervolgens ook weer in elkaar zet, als onderdeel van het grotere geheel. De gefragmenteerde wereldvisie van veel wetenschappers is een fantasie, vindt Midgley: die verkruimelt het menselijk potentieel. ‘Mensen zijn geen Lego.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Midgleys klas van eerstejaarsstudenten aan Oxford, 1937. Midgley zit vooraan, vierde van links. Haar levenslange vriendin Iris Murdoch staat in rij twee, vierde van rechts.

Raadselachtige wereld

Studievriendin van het eerste uur Iris Murdoch (1919-1999) prees Beast and man aan als een boek dat een brug slaat tussen wetenschap en filosofie. Midgley en zij ontmoeten elkaar in 1937, als ze beginnen aan de universiteit van Oxford. Mary Beatrice Scrutton, zoals haar meisjesnaam luidt, is geboren net na de Eerste Wereldoorlog in Londen op 13 september 1919. Ze groeit op in Greenford, West-Londen, waar haar vader Tom Scrutton predikant is. In haar memoires The owl of Minerva (2005) herinnert Midgley zich de grote, wilde tuin van haar ouderlijk huis, waar ze als kind ronddoolde met haar oudere broer. In die tuin werd haar liefde voor de natuur geboren.

Midgley komt uit een progressieve familie met geschoolde tantes en als ze een studie­beurs wint voor een plaats op Somerville College, een van de twee colleges voor vrouwen in Oxford, mag ze gaan studeren. Eenmaal aan de universiteit hebben Murdoch en zij grote moeite met de dominantie van de filosoof A.J. Ayer (1910-1989). Hij is verdediger van het logisch positivisme en stelt dat het de taak van filosofen is om taal te analyseren. Terwijl de Luftwaffe over Engeland vloog, zo herinnert Midgley zich, zaten de filosofen op Oxford ‘te bekvechten over de betekenis van een paar woorden’.

Murdoch en zij ontmoeten ook Elizabeth Anscombe (1919-2001), die een jaar boven hen zit, en Philippa Foot (1920-2010), die een jaar na hen komt. De vier zijn niet geïnteresseerd in filosofie als methode voor taalanalyse: zij willen de wereld leren doorgronden. Vrouwelijke studenten zijn met zo’n twintig procent een minderheid op Oxford en worden veelal overheerst door mannelijke studenten die hun de mond snoeren. Maar in 1940 worden veel jongens evenals de meeste professoren weggeroepen om dienst te nemen in het leger.

In 2013 stuurt Midgley een brief naar The Guardian met de titel ‘The golden age of female philosophy’ (De gouden eeuw van vrouwelijke filosofie). Ze beschrijft hierin hoe zij en haar vriendinnen tijdens de oorlog op Oxford konden floreren in de filosofie. ‘Het was duidelijk dat we allemaal meer geïnteresseerd waren in het begrijpen van deze zeer raadselachtige wereld dan in elkaar bekritiseren.’ De brief maakt indruk op de jonge filosofen Clare Mac Cumhaill en Rachael Wiseman. Zij gaan op bezoek bij de dan 94-jarige Midgley, die hen ontvangt in haar seniorenflat in Newcastle. Als enige nog in leven, vertelt Midgley hoe zij en haar drie levenslange vriendinnen al sigaretten rokend tijdens de oorlogsjaren bespraken dat de moraalfilosofie moest terugkeren om orde te brengen in de chaotische wereld. Elizabeth Anscombe en Philippa Foot, die imposante universitaire carrières hebben, brengen de aristotelische deugdethiek weer tot leven op de Britse universiteiten. Iris Murdoch wordt een beroemd romanschrijver. Over de vier filosofen schrijven ­Cumhaill en Wiseman het boek Metaphysical animals (vertaald als Het kwartet, 2023).

Tekst loopt door onder afbeelding

filosoof Mary Midgley op de bank
Midgley groeide als negentigjarige uit tot een bekende publieksfilosoof. Ze begon met boeken schrijven toen ze bijna zestig was. beeld ANP/Leon Harris

Loodgieter

Midgley begint na de oorlog aan een proefschrift over Plotinus (ca. 204-217), maar dat rondt ze niet af. Ze trouwt met collega-­filosoof Geoffrey Midgley; Murdoch is haar bruidsmeisje. In 1950 verhuist ze met haar man naar Newcastle en begint ze een gezin. Als haar kinderen klein zijn, werkt Midgley als freelancejournalist, maar een eigenzinnige vrouwelijke blik wordt in de media van de jaren vijftig niet gewaardeerd. In een van haar praatjes voor de radio wil Midgley vertellen over alle grote mannen in de filosofische canon die vrijgezel zijn gebleven. Filosofisch denken wordt daardoor beschouwd als een solistische bezigheid, die alleen in afzondering zuiver kan worden beoefend. Zoiets lichamelijks als borstvoeding geven hebben deze alleenstaande mannen natuurlijk nooit gedaan en hun gebrek aan betekenisvolle, intieme relaties beperkt volgens Midgley hun blikveld. Maar haar (overigens vrouwelijke) producent zet Midgleys radiopraatje weg als ‘roddel.’

Toch groeit de humoristische Midgley aan het begin van de eenentwintigste eeuw uit tot een bekende publieksfilosoof. Ze schrijft in een toegankelijke stijl en is als krasse negentiger een graag geziene tv-gast. In Utopias, dolphins and computers. ­Problems of philosophical plumbing (Utopieën, dolfijnen en computers, 1994) schrijft ze dat ze filosofie beschouwt als loodgieterswerk. Gedachten zijn net als water: als de leidingen kapot gaan, stroomt het overal heen. Filosofen moeten daarom volgens Midgley de boel repareren wanneer ideeënstelsels gaan lekken of verstopt raken.

Even tussendoor …

Meer lezen over Midgley en andere grote denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

Vastgeroeste ideeën blokkeren onze vrije gedachtegang, meent Midgley. Zo zijn we negatief gedrag onterecht gaan associëren met dieren. Mensen die slinks zijn, worden ‘slang’ of ‘haai’ genoemd. Ze wijst er ook op dat we door het idee dat de mens een superieur wezen is, dieren en het ecosysteem schandelijk behandelen. Maar Midgley stelt ons ook gerust: de angst dat kunstmatige intelligentie de mens zal vervangen, is volgens haar ongegrond. Apparaten kunnen het menselijk vermogen om geluk te ervaren of om te lijden niet vervangen; technologie kan daarom nooit onze problemen volledig voor ons oplossen.

In What is philosophy for? (Wat heb je aan filosofie, 2018) schrijft Midgley dat ze het als taak ziet van de filosoof om verschillende zienswijzen bijeen te brengen die behulpzaam zijn voor het onderzoeken van menselijk gedrag. Midgley wil mensen ertoe aanzetten om hun aannames en levenshouding tegen het licht te houden. Het leven krijgt volgens haar betekenis door relaties aan te gaan en je te engageren. Tot op hoge leeftijd strijdt ze tegen dierenleed en ­milieuvervuiling. Als ze in 2018 op 99-jarige leeftijd overlijdt, is ze een van de bekendste filosofen in Engeland.

Het kwartet. Hoe vier vrouwen de filosofie opnieuw tot leven wekten
Clare Mac Cumhaill en Rachael Wiseman
Ambo Anthos
464 blz.
€ 17,99

Beast and man. The roots of human nature
Mary Midgley
Routledge
416 blz.
€ 17,58

What is philosophy for?
Mary Midgley
Bloomsbury
232 blz.
€ 23,60

Loginmenu afsluiten