Een tijd geleden werd in het Zuid-Afrikaanse Port Elizabeth Oceanarium iets bijzonders opgemerkt. De jonge dolfijn Dolly keek graag door de patrijspoort naar de bezoekers van het dolfinarium. Wat zou er gebeuren wanneer rook tegen het glas geblazen werd, vroeg men zich af. Hoe zou Dolly daarop reageren? Tot ieders verbazing zwom Dolly zo gauw ze de rook zag naar haar moeder, nam ze een slok moedermelk, zwom ze terug naar de patrijspoort en spuwde ze de melk daar uit, als wilde ze haar eigen rookwolk creëren.
Een bijzonder voorbeeld van verbeelding bij dieren, meent Annabelle Dufourcq (1976), hoogleraar filosofische antropologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en auteur van het boek The imaginary of animals (2021). Want ook al denken we vaak dat verbeelding iets exclusief menselijks is, wie verder kijkt dan zijn neus lang is – en zijn verbeelding durft te gebruiken – ziet iets anders. ‘Je zou kunnen zeggen dat Dolly een metafoor uitvoert,’ aldus Dufourcq. ‘Er is sprake van “verplaatsing” en de klassieke definitie van verbeelding is het vermogen om onszelf te verplaatsen in wat niet reëel is. Het is dus meer dan kopiëren; het gaat over creatief omgaan met een gegeven. Dat is precies wat Dolly doet. Ze blaast geen rook uit, maar moedermelk. Op die manier geeft ze ook een antwoord, ze communiceert. Zelf hanteer ik trouwens een bredere definitie van verbeelding, meer gericht op het uitvoeren van acties zoals rollenspelen.’
Annabelle Dufourcq (1976) is een Franse filosoof. Ze is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en Socrateshoogleraar voor humanistische filosofie aan Wageningen University & Research. Ze promoveerde in Parijs op de verhouding tussen verbeelding en realiteit bij Edmund Husserl en Maurice Merleau-Ponty en doet onderzoek naar natuur, voorstellingsvermogen en perspectieven van dieren. Ze schreef onder meer The imaginary of animals (2021) en The earth intoxicated on imagination (2025).
Hoe verschillen die definities van verbeelding van elkaar?
‘Verbeelding is volgens de klassieke definitie een mentale capaciteit voor representatie. We vormen beelden in ons hoofd van dingen die niet aanwezig zijn. Verbeelding is dan iets wat intern gebeurt. En ze is representatief, want ze produceert beelden, simulaties of concepten; die worden gezien als ondergeschikt aan de waarneming, omdat ze een soort zwakkere kopie van de werkelijkheid zijn. Verbeelding is volgens de klassieke definitie bovendien iets dat je in je eentje doet.
Maar ik zie verbeelding in de eerste plaats als een belichaamde omgang met het virtuele. Door middel van spel, empathie, anticipatie, dromen en creativiteit opent de verbeelding kanten van de werkelijkheid die verder reiken dan de dingen die onmiddellijk aanwezig zijn. Verbeelden doen we niet altijd “in ons hoofd”. Ook ons lichaam speelt een cruciale rol. Verbeelding komt tot uiting in wat we doen, wanneer we bijvoorbeeld bepaalde rollen aannemen en ons gedrag aanpassen aan wat verwacht wordt van een leraar, vriend of collega. Maar we gebruiken onze verbeelding ook wanneer we in een gesprek anticiperen op de reactie van een ander en onze toon daarop afstemmen, of wanneer we vaardig autorijden, koken of gereedschap gebruiken. In al die gevallen reageren we op iets wat nog niet aanwezig is, maar wel verwacht wordt.’
De zestiende-eeuwse filosoof Michel de Montaigne meende dat dieren verbeelding hebben en vóór hem dachten veel denkers hetzelfde. Waarom hebben we dit idee op een gegeven moment losgelaten?
‘Omdat we in het moderne denken verbeelding aan bewustzijn hebben gekoppeld, terwijl die twee niets met elkaar te maken hebben. Was Dolly zich bewust van wat ze deed toen ze met melk op de rook antwoordde? Mogelijk niet, maar dat betekent niet dat ze niet kon spelen met het virtuele. Toch werd het idee dat we bij denken en verbeelden een bepaalde voorstelling in onze geest hebben de gangbare zienswijze. Verbeelding is zo een behoorlijk veeleisend concept geworden.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Hoe kunnen we er zeker van zijn dat dieren verbeelding hebben? Zien we niet wat we willen zien als we naar dieren kijken?
‘Dat is een terechte zorg. Maar dit bezwaar veronderstelt al bij aanvang dat verbeelding exclusief menselijk is. Ik denk dat het interessanter is om uit te gaan van onze verbinding met dieren. Het feit is namelijk dat we in ons dagelijks leven al een band met dieren hebben – lang voordat we daarover filosofische vragen gaan stellen. Er is wederzijds begrip, al is het niet perfect. Zo kun je met een kat spelen. Ze bijt dan zachtjes, alsof ze vecht. Op een bepaald moment stopt het spel en wordt de beet harder. Dat zie je ook bij het spel van een moederkat met haar kittens: wanneer het er te hard aan toegaat, wordt het ernstig en geeft ze hun een tik. Dit toont dat ook niet-menselijke dieren met metacommunicatieve kaders kunnen omgaan. Ze kunnen zich realiseren dat hun signalen enkel signalen zijn, niet echt dus, alleen maar de knabbel in plaats van de beet, terwijl ze ook in staat zijn om te schakelen tussen ernst en spel en weer terug.
Een ander mooi voorbeeld is het “gebroken vleugel”-gedrag dat sommige vogels vertonen. Wanneer een roofdier het nest nadert, leidt de volwassen vogel hem af door te doen alsof het een gebroken vleugel heeft en dus een makkelijke hap is. Zo lokt de vogel het roofdier weg van het nest, waarbij hij voortdurend de reacties van het roofdier in de gaten houdt en zijn gedrag daarop aanpast.’
In het bekende artikel ‘What is it like to be a bat?’ uit 1974 schreef Thomas Nagel dat we nooit kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn. We weten toch niet wat er in het kopje van een dier gebeurt?
‘Nagel vooronderstelt in zijn stuk nogal wat zaken die niet vanzelfsprekend zijn, zoals het idee dat ik volledig weet hoe het is om mij te zijn. Is dat zo? Wie ik ben, is ook een zaak van mijn interactie met anderen en de manier waarop mijn lichaam zich gedraagt. Mijn ik is niet privé, afgesloten van mijn omgeving. Dat is een veronderstelling van Nagel, net zoals hij veronderstelt dat ik weet wat het betekent om jou te zijn, omdat we een cultuur, een taal en gedrag delen. We beschikken over wederzijds begrip, stelt hij, maar stopt dat bij mensen? Geldt dat niet ook voor dieren, zolang we maar aandacht besteden aan de relatie die we met hen hebben? Ook daar is sprake van wederzijds begrip. Dat functioneert misschien anders, maar het is er.’
We moeten dus anders tegen dieren gaan aankijken?
‘Precies, en wel op een fenomenologische wijze. De fenomenologie is een filosofische stroming die ervan uitgaat dat de moderne wetenschap gericht is op objectieve beschrijving van de wereld. De wetenschap wijst daarmee iedere vorm van subjectieve interpretatie of waarneming af, omdat die te veel zou variëren. Volgens de fenomenologie levert dit echter een onvolledig beeld op, omdat de werkelijkheid ook iets is dat we ervaren; onze relaties met anderen maken hier ook deel van uit. Het is daarom een goede eerste stap, ook voor de wetenschap, om te zeggen dat we relaties hebben met dieren en dat we die moeten bestuderen. De fenomenologie heeft bepaalde methoden ontwikkeld om structuur aan te brengen in de analyse van onze ervaringen, zodat die niet puur subjectief is. En ze houdt zich ook bezig met nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap die de ervaring van dieren serieus nemen, zoals de biosemiotiek, het idee dat levende wezens en dus ook dieren zich bezighouden met betekenis bij de interpretatie van hun wereld.’
De fenomenologie wil de wetenschap dus niet afwijzen, maar uitbreiden?
‘Inderdaad, en er zijn al nieuwe takken van wetenschap die op die manier onderzoek doen. In de natuurkunde benadrukken de chaostheorie en de kwantumtheorie de rol van variatie en onbepaaldheid; van bepaalde gebeurtenissen kunnen we bijvoorbeeld niet precies de gevolgen doorzien. En in het systeemdenken en de ecologische wetenschap presenteert een benadering als de Gaia-hypothese de aarde niet als een passief object, maar als een web van organismen en omgevingen die op elkaar inwerken. Dit soort wetenschappelijke benaderingen tonen dat de werkelijkheid geen vaststaande structuur is. De wereld bevat een bepaalde openheid: er zijn oneindig veel perspectieven en onverwachte transformaties mogelijk. Verbeelding past in dit plaatje als een manier om met deze openheid om te gaan.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Sommige filosofen zouden opmerken dat u te veel de emotionele kant opgaat en dat emoties niet veel betrouwbaars te melden hebben over de wereld.
‘Het woord “emotie” betekent in feite beweging, de mogelijkheid om de wereld te verkennen en te interpreteren. De wereld is niet een neutraal gegeven, maar heeft stemmingen, zoals het weer, en deze maken deel uit van onze interactie met anderen. Het idee van de puur rationele, neutrale en objectieve mens is een kwalijke fictie. Friedrich Nietzsche was een van de eersten die erop wees dat dit mensbeeld niet haalbaar is en dat onderdrukte emoties terugkeren als een wilde energie die onze beschaving ondermijnt. Vandaar dat we moeten streven naar een wetenschap en een filosofie die emoties beter proberen te begrijpen en er op een meer constructieve en invoelende manier mee omgaan.’
Wie was Nietzsche?
Verandert dat ook de wijze waarop we met dieren omgaan?
‘Ja, omdat verbeelding zorgt voor een beter begrip. We weten niet precies wat er gaat gebeuren in onze relatie met een hond, kat of slang, dus is het beter om ons open te stellen voor het onverwachte. Dat is wat verbeelding hier betekent: laten we kijken wat er gebeurt als we ruimhartiger zijn en veronderstellen dat dieren misschien een innerlijk leven hebben en bijvoorbeeld gelukkig kunnen zijn. In Kyoto geven onderzoekers hun chimpansees bijvoorbeeld de ruimte om kunst te maken. Dat is een manier om hen te laten experimenteren, in plaats van hen te reduceren tot dieren die je afgebakende testen wil laten doen. De chimpansees zijn ook vrij om het lab binnen te komen of te verlaten wanneer ze er geen zin in hebben. Dat is fantasierijker dan: kunnen ze zichzelf herkennen in een spiegel of kunnen ze tot tien tellen?’
The imaginary of animals
Annabelle Dufourcq
Routledge
280 blz.
€ 51,59

